Filosofische dissertatie over dierlijke functies (1689)
(‘Disputatio sub praesidio’)
Literatuur.
Zeer belangrijke bron van informatie:
Gerhard Wiesenfeldt, Leerer Raum in Minervas Haus, Experimentelle Naturlehre an der Universität Leiden, 1675-1715. KNAW Amsterdam, 2002.
Titel:
Disputatio Philosophica De Brutorum Operationibus quam annuente summo numine sub Praesidio Clarissimi Acutissimique Viri D. Burcheri de Volder[Burcher de Volder, 1643-1709], Medicinae et Philosophiae Doctoris hujusque ut et Matheseos in Illustri Academia Lugd. Batav. Professoris Ordinarii Publice defendam assumit Bernardus de Mandeville Rotter.-Bat ad diem 23 Mart. Loco horisque solitis, anti meridiem. Lugduni Batavorum, apud Abrahamum Elzevier, Academiae Typograph. 1689.
Opdracht:
Doctissimo ad Reverendo Viro Do. Michaëli de Mandeville [Michael de Mandeville, zijn vader], apud Rotterdamensis Artis Medicae practico expertissimo, patri suo semper colendo ut et Amplissimo, integerimoque Viro D. Bernardo Verhaar [Barent Verhaar, grootvader van moederskant, burgemeester van Schoonhoven; de moeder van Bernard Mandeville was in 1688 overleden], reipublicae Schoonhoviensis Consuli spectatissimo gravissimo, avo suo plurimum honorando nec non Burchero de Volder Eruditissimo et celeberrimo Philosopho Medicinae et Philosophiae Doctori, hujusque facultatis, ut et Matheseos in Illustri Academia Lugd. Batav. Professori acutissimo, dissertissimo, Praesidi suo omni honore proquendo se et hasce theses offert B. de Mandeville, Auctor et Resp.
I
Niet de minste van de vele conclusies van de Ouden waaraan veel aandacht moet worden gegeven, is het idee dat zij van de functies van dieren hadden. Want omdat zij zagen dat beesten prestaties verrichten die zodanig zijn dat zelfs een mens met grote volharding ze niet tot stand kan brengen, dachten zij gerechtigd te zijn te concluderen dat beesten met iets als een denkvermogen waren begiftigd. En dit idee heeft in zo’n mate kracht gewonnen onder de mensen dat we nu een bijna ontelbaar aantal boeken zien, zowel van de oude als van recente auteurs, die bevuild zijn met de geest van dieren. En daarom koos ik liever dit thema dan vele andere toen ik naar een onderwerp zocht dat ik in the openbaar naar voren kon brengen
II
Bijna alle filosofen die over deze zaak hebben geschreven, hoeveel het er ook waren, verschillen in de naam die zij aan die eenheid geven die zij, naast het organische lichaam, aan dieren toekennen. Wegens dit feit en om op een ordelijke manier verder te gaan, heb ik besloten om eerst de algemene argumenten te onderzoeken die naar voren worden gebracht door die mensen die het idee steunen van verstand en kenvermogen bij redeloze dieren, en om daarna enkele van de voornaamste ideeën van die filosofen uiteen te zetten, en tenslotte mijn mening aan al deze zaken toe te voegen.
Er zijn in het algemeen twee hoofdargumenten waardoor mensen aangezet worden een denkvermogen toe te kennen aan dieren, waarvan het eerste ontleend wordt aan de activiteiten zelf van dieren. Dit doet een beroep op de dagelijkse ervaring als getuige alsmede op de vele verbazingwekkende verhalen om het bestaan van een geest bij dieren te bewijzen. Maar bijen nemen de eerste plaats in onder de vele schepselen die zij als bewijs van deze dingen aanvoeren. In feite kunnen zij zich niet voorstellen hoe de bijen, als zij geen denkvermogen zouden hebben, uit hun midden een koning en zijn dienaren, werkers, uitkijkposten enz. kunnen kiezen, en hoe zij hun achthoekige cellen zo geometrisch kunnen bouwen en deze op vaste tijdstippen met honing vullen, en tenslotte hoe zij vele andere dingen tot stand kunnen brengen, politiek en militair.
Maar indien zonder vooroordeel onderzocht, bewijzen al deze dingen, geloof ik, niets minder dan het bestaan van hun redeneervermogen. In feite zijn die woorden ‘koning’, ‘dienaren’, ‘georganiseerde samenleving’ en ‘oorlogsvoering’ louter ficties van mensen. Omdat zij zagen dat die insecten functioneren zoals in het algemeen bij de mensheid een koning, dienaren enz zich geroepen voelen te doen, gaven zij wegens die vergelijkbaarheid dergelijke namen aan deze diertjes. Deze namen zijn in feite niet geschikter voor bijen dan voor de houten stukken die in een schaakspel worden gebruikt. En zodoende bewijzen al deze dingen, verbazingwekkend zoals ze zijn, slechts dit: dat zij sommige impulsen hebben die op die van ons lijken. Wat zou, vraag ik u, dus de conclusie van dit alles zijn: bijen zijn bezield zoals wij dat zijn, daarom denken en voelen zij als wij? Dit is helemaal geen conclusie.
Het andere argument dat zij te berde brengen, stelt de vraag aan ons wat, als dieren niet voelen, dan het doel is van die zintuiglijke organen die erg veel op die van onszelf lijken? Het antwoord is natuurlijk eenvoudig: omdat zij vergelijkbare functies in hun organische lichaam verrichten. De ogen van de dieren ontvangen net zo beelden als die van ons. Vluchtige deeltjes gaan op dezelfde manier de neusgaten binnen, zij vlechten de uiterst kleine vezels en zij verrichten andere organische acties dan in ons lichaam. Als zij dat begrip willen noemen, is dat mij best, mits denken afwezig is. Niets is hier vereist behalve het organische lichaam en beweging. Maar zij zullen misschien blijven vragen, doordat lichamen van dieren zo met die van ons vergelijkbaar zijn, waarom zij dan geen ziel hebben zoals die van ons? Mijn antwoord is dat er voor mij geen enkel logisch verband lijkt te bestaan. Om duidelijk te maken wat voor soort vraag dit is, wil ik die mensen een ander voorbeeld voorleggen dat er niet ongelijk aan is. Waarom praat een aap, die niet minder dan wij een tong, lippen, tanden en andere organen heeft die geschikt zijn om elementen van spraak te vormen, beslist niet op dezelfde wijze als wij doen, terwijl een papegaai, bij wie vele van deze organen ontbreken, soms niettemin duidelijk woorden uitspreekt? Dus deze argumenten kunnen niet onomstotelijk het bestaan van gedachten bij dieren bewijzen. Maar ik zal zeker toegeven dat zij dit wel waarschijnlijk maken voor iemand die bij zijn vooroordelen blijft.
III
Laten wij, nu we deze dingen hebben behandeld, bezien hoe verschillend filosofen de dierlijke ziel definiëren. Plato, Pythagoras en anderen die geloven dat de ziel iets specifieks is voor elk lichaam, en zoals Thales zei: Alle dingen zijn vol van goden”, schreven een vergelijkbare ziel aan dieren en aan ons toe. Ik moet bekennen dat ik denk dat dit iets is dat nauwelijks door apodictisch redeneren weerlegd kan worden. Want niemand zal ooit wiskundig bewijzen dat vogels, muildieren, wilde beesten, vissen en insecten niet op dezelfde manier denken als wij. Wie, vraag ik u, zal bewijzen aan iemand die het tegendeel beweert, dat een hond die klappen met een stok krijgt niet dezelfde pijn voelt als een man zelf zou voelen als hij geslagen werd? Integendeel, dit is er zo verre om door louter redeneren bewezen te kunnen worden, dat wij op grond van de vergelijkbaarheid van de verschijnselen dan maar beter kunnen concluderen dat dieren denkvermogen bezitten of intelligentie die vergelijkbaar is met die van de mensen. Als we inderdaad overwegen dat we van de rest van de levende schepselen worden onderscheiden door het hebben van een onsterfelijke ziel, zal het nu duidelijk zijn dat dieren ten minste niet dezelfde ziel hebben als wij. Maar wat voor een soort ziel aan hen zou kunnen worden toegeschreven, hoe deze ook eruit zou mogen zien, daarover volgt later meer.
De volgende die in beschouwing wordt genomen, is Hobbes, die, zoals Plato, aan ons en aan de dieren hetzelfde denkvermogen toeschrijft. Maar hij verschilt hierin dat hij oordeelt dat ze lichamelijk zijn en zegt dat ze enkel worden afgeleid uit de beweging en reactie van de verschillende delen. Wie merkt niet hoe ongekend, absurd en goddeloos dit is? Het is ongekend omdat niemand voor hem deze mening had en absurd wat iedereen zal ontdekken die zijn geweten raadpleegt. Bestaat er enig verschil tussen om met iemand te argumenteren die alle beginselen ontkent of met iemand die een tegenstander wil overtuigen dat een muur, die in werkelijkheid wit is, zwart is? Tenslotte is het goddeloos omdat hij betwijfelt dat dit helemaal strijdig is met alle godsdienstige scrupules. Dus zullen we niet langer met deze stelling doorgaan die niemand, zover als ik weet, vandaag de dag verdedigt.
Gassendi is de volgende die gelooft dat een of andere accumulatie van de fijnste deeltjes van het lichaam de ziel van dieren vormt en dat deze zolang als ze leven, bij hen werkt als een kleine vlam. Maar omdat die deeltjes, hoe klein en beweeglijk ze in feite mogen zijn, lichamelijk blijven en wij geen mate van denkvermogen erkennen aan iets lichamelijks, concluderen we terecht dat deze definitie fout is, of dat er niet uit volgt dat er bij dieren een denkvermogen is.
Tenslotte ga ik door naar de peripatici, van wie verscheidene eigentijdse supporters de ziel van dieren als volgt definiëren. Zij zeggen “Er zit in de dieren een beginsel van leven, gewaarwording en waar kenvermogen”. Het is passend deze definitie zorgvuldiger te keuren dan de overige, zowel omdat de voorstanders ervan in aanzien worden gehouden als omdat al degenen die vandaag tegenover ons staan haar gunstig gezind zijn.
IV
Opdat we hen kunnen begrijpen , moet eerst bekeken worden wat zij met “substantieel beginsel” bedoelen. Wij geven de naam substantie aan datgene dat uit zichzelf bestaat; bij het idee ervan is geen idee van iets anders betrokken. Zo heb ik het idee van het denkvermogen. Op zichzelf is hier echter niet het idee van extensie aan verbonden, en vice versa. Maar behalve deze twee, wordt er geen andere substantie toegelaten. Omdat niemand zich enig soort idee kan voorstellen dat niet het idee van denkvermogen of extensie inhoudt, of beide, is dit “substantiële beginsel” noodzakelijkerwijs ziel (want denkvermogen kan niet aan het lichaam worden toegeschreven) en dit verschilt uiteraard op geen enkele manier van het menselijke, aangezien een medium tussen de ziel en het lichaam op geen enkele manier wordt toegestaan. Wie zal zich er dus niet over verwonderen dat mensen die de ware God kennen, zulke absurde zienswijzen aanhouden? Er is geen reden waarom iemand moet zeggen dat de dierlijke ziel in feite leeft, voelt en kent, maar niettemin én irrationeel én een sterfelijke substantie is. Want voorzover rationaliteit aangaat, denk ik niet dat zij aan dieren kan worden ontzegd wanneer denkvermogen eenmaal is toegegeven.
Sterker nog, als iemand de notie poneert dat dieren niet automatisch functioneren, d.w.z. dat zij hun daden niet enkel door de dispositie van hun organen of de verscheidenheid van objecten tot stand brengen, maar dat zij denkvermogen en echt kenvermogen nodig hebben om die daad te verrichten, dan zal hij beslist niet minder bij vele daden van dieren rationaliteit ontdekken dan bij die van mensen. Voor dit doel citeer ik alle verklaringen die zo zorgvuldig door de peripatici zijn onderzocht waardoor zij de wondere activiteiten van dieren onderzoeken. En deze allemaal, en dat zijn er vele, zullen als eenmaal denkvermogen aan dieren is toegekend, ook pleiten voor hun rationaliteit. Zoals bijvoorbeeld dit voorbeeld dat door de tegenstanders zelf naar voren is gebracht om de ziel van dieren te bewijzen.
“Vergeet niet,” zeggen zij, “waarom een hond die iets gestolen heeft omdat hij honger heeft, heimelijk wegsluipt en zo bedeesd te werk gaat dat hij niemand groet die hem tegenkomt, maar terwijl hij vreesachtig zichzelf voor straffen hoedt, met zijn snuit naar beneden en opzij gekeerd, zijn weg gaat”. Zie de hond die, hongerig, bedeesd, bang, behoedzaam is en tenslotte op zijn best het vermogen om te redeneren tentoonspreid. Want wat anders zullen zij bewijzen vanwege het denkvermogen dat zij aan de hond hebben gegeven dan dat dit voor zichzelf als volgt redeneert, namelijk dat wanneer iemand het gestolen voorwerp ziet hij dit misschien aan hem wil ontfutselen en hem wil slaan wegens de begane diefstal. Dus is het beter zijn snuit af te wenden en niemand enthousiast te begroeten, om te voorkomen dat hij de lekkernij zou moeten inleveren voor een wrede straf, wat alleen laat zien dat aan dieren geen denkvermogen zonder rationaliteit kan worden toegeschreven.
V
Rest mij nu nog te laten zien dat het “substantiële beginsel” dat hier al vaak is aangehaald, niet kan worden begrepen als het niet onsterfelijk is, wat buitengewoon gemakkelijk zal zijn als we de volgende twee punten in overweging nemen. Ten eerste dat eeuwige beschikkingen van God onveranderlijk zijn. Ten tweede dat de handeling van het scheppen van substantie bij God niet verschilt van de beschikking waardoor hij besluit haar te scheppen. En volgt uit dit ware idee dat we van de eeuwigheid en onveranderlijkheid van God hebben niet dat scheppende substantie niet vernietigd zal worden?
Iemand bewees dit onlangs op een elegante wijze in zijn dissertatie over de onsterfelijkheid van de geest, met deze woorden: “Waarlijk, wat is duidelijker”, zei hij,” dan dat de beschikking waarbij God besluit dat hij de ziel zal scheppen, d.w.z. zijnde de macht waarmee God de ziel schept, in dezelfde mate verschilt van de beschikking waarbij God besluit dat hij de ziel zou willen vernietigen (d.w.z. zijnde de macht waarmee God een ziel zou vernietigen) als het bestaan van de geest verschilt van zijn niet-bestaan.” Maar waarom ben ik in een lang onderzoek tijd aan het verspillen? Diezelfde tegenstanders zijn stilzwijgend bezig onsterfelijkheid aan deze substantie toe te schrijven. Terwijl zij zichzelf zoet houden met de activiteiten van dieren en onderzoeken of de heilige schrift aan deze een ziel zou toekennen, spreken zij aldus: “Opdat ik in deze dingen niet te langdradig mag zijn”, d.w.z. in heilige dingen, ”laat ik de doeltreffendste teksten waarin kenvermogen aan dieren wordt toegeschreven en een dood die vergelijkbaar is met mensen, enz. maar achterwege”. En opdat we niet denken dat zij zulke passages van de heilige schrift metaforisch accepteren, gaan ze onmiddellijk door om die mensen te veroordelen die verklaren dat die passages op een overdrachtelijke wijze begrepen moeten worden.
Nu vraag ik u allen of het mogelijk is een andere mening uit deze opmerkingen aan het licht te brengen dan dat zij beweren: óf dat de ziel van dieren, net als die van ons, onsterfelijk is óf misschien dat zowel de zielen van mensen als dieren sterfelijk zijn? Ik denk echter dat zij geen van deze ideeën ook maar bewijzen. Het is in beide gevallen beslist zeker dat geen duidelijk onderscheid tussen mensen en dieren wordt gemaakt, aangezien wij hebben bewezen dat deze substantie, die zij voor een denkende substantie willen houden, ook noodzakelijkerwijs zowel rationeel als onsterfelijk is. Het ene leiden we af uit onze eigen argumenten en voorbeelden, het andere leiden we evenzeer uit onze eigen woorden af als uit een waar idee van God.
Welnu, hoe goed hun mening zich aan godsdienstige beginselen aanpast, laat ik aan het oordeelsvermogen over van al degenen die met een gezonde geest zijn begiftigd. Ik voeg er een ding aan toe, dit: dat diegenen mij sterk verbazen die terwijl ze zien dat volgelingen van Descartes weigeren dezelfde dood aan dieren als aan mensen toe te kennen, hen toch waarschuwen dat “zij niet door middel van dezelfde methode de woorden van de heilige schrift dienen te verzwakken die bewijzen dat de menselijke ziel een substantieel beginsel is en de dood overleeft.”
Op dit punt kan keurig worden aangetoond hoe dicht zij de dieren in dit geval bij de mensen plaatsen, maar om van hen af te zijn antwoord ik kort: zij moeten zich er niet ongemakkelijk over voelen. De Cartesianen houden te veel van de menselijke geest in zoverre dat het hen uiterst onwijs voorkomt hun gezegende toestand met de beesten te delen. Voor mij resteert nu nog mijn eigen mening aan deze dingen over dierlijke functies toe te voegen.
VI
Nadat ik vaak over dit onderwerp had gepeinsd, waarbij ik mij, aan de ene kant, de dierlijke functies voorstelde en, aan de andere kant, de buitengewone automaten die door mechanische kunsten zijn gebouwd, was ik nooit in staat argumenten te vinden die op een apodictische manier bewezen dat dieren denken, of het tegendeel ervan. Door mijn twijfel aarzelde ik lange tijd. Maar later, toen ik besefte dat ik aan dieren geen enkel denkvermogen kon toeschrijven, of waarnemingsvermogen dat niet zonder denkvermogen kan bestaan, tenzij ik tegelijk een substantie aan hen toeschreef die in elk opzicht van het lichaam verschilt, en dus elk onderscheid verwijderde, en zeker het wezenlijkste tussen mensen en dieren, gaf ik er de voorkeur aan, liever dan in deze consequenties verstrikt te raken, dat “dieren niet met denkvermogen zijn begiftigd en al hun daden automatisch zijn”.
En nadat ik dit idee had overgenomen, merkte ik dat veel functies van hun leven waarvan ik vroeger dacht dat ze door denkvermogen beheerst moeten worden, door mechanisme verklaard konden worden. Dat er echter vele overblijven die ik niet uit hun structuur kan verklaren, beken ik vrijelijk. Maar dit levert voor mij geen beletsel hen een ziel te ontzeggen, net zoals uiteraard iemand, hoewel hij er de oorzaak er niet van weet dat een horloge de tijd zo nauwkeurig aangeeft, toch op grond van de kleine omvang ervan zal kunnen concluderen dat er geen mens in het horloge zit en dat er wel een oorzaak voor zijn beweging bestaat. Hoewel ik dus niet de reden weet waarom dieren zulke daden verrichten, kan ik uiteraard wel gerechtvaardigd ontkennen dat een ziel de oorzaak van hun uitvoering is.
Het is even inconsistent om voor te stellen dat dieren denken en toch werkelijk van ons onderscheiden moeten zijn als voor te stellen dat er een mens in het horloge zit. Laat ons er niet bang voor zijn hier naar Gods almacht terug te keren waarover onze tegenstanders zo pochen dat zij die overal aan God toeschrijven. Dit is in deze context beter dan op contradicties tot een schikking te komen, vooral als we overwegen wat voor prachtige automaten er elke dag met heel weinig organen worden geproduceerd, en wij deze vergelijken met die ontelbare botten, spieren, aderen, zenuwen en andere organen waarvan de lichamen van dieren zo overvloedig zijn voorzien. Ik zou meer aan deze dingen kunnen toevoegen, maar omdat ik geloof dat zij in een wederzijdse discussie behandeld kunnen worden
eindig ik hier.
Corollaria
Stellingen
I
Investigandi veritatem utilis est dubitation.
Twijfel is nuttig voor het onderzoeken van de waarheid.
II
Cogito ergo sum optimum principium.
Ik denk, daarom ben ik, is het beste beginsel.
III
Deus non agit indiffrens.
God handelt niet onverschillig.
IV
Praeter cogitationem et extensionem nulla datur substantia.
Behalve denken en extensie is geen substantie toegestaan.
V
Brutis cogitatio absque rationalitate tribui sequit.
Het is niet toelaatbaar denkvermogen aan dieren toe te kennen zonder rationaliteit.
VI
Ex eo quod realiter à brutis distinguimur optime concludimu illa non cogitare.
Op grond hiervan is het, omdat we werkelijk van dieren onderscheiden zijn, het beste te concluderen dat zij niet denken.
VII
Vacuum non datur.
Vacuüm is noch toegestaan, noch kan het toegestaan worden.
VIII
Quies est acque realis ac motus.
Rust is even reëel als beweging.
Vertaald naar de Engelse vertaling van Francis McKee.
Natuurfilosofische
dissertatie