Een Brief over
georganiseerde misdaad
en
de bovenwereld
Opgenomen in De oorsprong van de eer en het nut van christelijkheid bij oorlog (2010)
gedeelte van deze brief
Een brief over georganiseerde misdaad en de bovenwereld (1725)
Aan de redacteur van de British Journal
SIR,
Zolang er twijfel blijft over het lot van Jonathan Wilde, is het niet waarschijnlijk dat dievenvangers, en wat er maar tot hun bedrijf en geheimen behoort, zullen ophouden het gewone onderwerp van gesprek te zijn. In de tweede bijdrage van die welke onlangs over zware misdadigers en de veelvuldigheid van terechtstellingen werden geschreven, stonden deze woorden in de laatste kolom: 'En als we de horden die voor de slachting naar Tyburn worden vervoerd, vergelijken met anderen die voor hetzelfde doel naar Smithfield worden gestuurd, dan zouden we vaststellen dat de moderne dievenvanger op dezelfde manier dienstig is voor de scherprechter als de rijke veehouder voor de behoeftige slager. En dat er van het vee in beiderlei zin weinig door de een werd gedood, dat nooit door de ander werd gekoesterd.’
Dit is van toepassing op en was bedoeld voor alle dievenvangers in het algemeen, ook al zal de lezer zich misschien voorstellen, dat het een overdenking was op de beroemde, die nu in de verdrukking zit. Het is zeker dat de samenhandel die hij met struikrovers, inbrekers en allerlei schurken voerde al enkele jaren zonder voorbeeld was, en dat geen van zijn voorgangers of tijdgenoten met zo’n absolute heerschappij of zo lang en succesvol voor zichzelf het oppertoezicht over dieven had.
Geen persoon was ooit in zijn bezigheid meer algemeen bekend of kreeg het honderdste deel van de verzoeken die aan hem werden gericht voor het terugkrijgen van gestolen goederen. Maar er zijn voor Jonathan gereputeerde dievenvangers geweest en dat het beroep zelf vele jaren geleden een pest is genoemd en erover geklaagd is als zijnde erg verderfelijk, zal duidelijk blijken uit de volgende brief.
Deze bevat een onderhoudend verhaal van een diefstal, dat heel goed verteld is, en legt verscheidene krijgslisten en verachtelijke praktijken bloot die de waarheid zullen illustreren en bevestigen van de passage die we hier uit een vorige bijdrage hebben aangehaald. Ze was gedateerd 8 maart 1725 en geadresseerd aan de redacteur van de vorige brieven in de British Journal, en is dezelfde waarvoor we deze heer bedankten in die van ons op 27 maart.
De hele brief is opgenomen in
De oorsprong van de eer, en het nut van christelijkheid bij oorlog (2009)