Lucinda en Artesia

in

The Female Tatler,

(De Vrouwelijke Kakelaar),

geschreven door een Genootschap van Dames.

(1709-1710)

 

Nummer 62.

 

Van vrijdag 25 november tot maandag 28 november 1709.

 

Societas nostra fornificationi lapidum Simillima, quae Casura, nisi invicem obstarent. Snec. Ep. 95.

[Onze relatie met elkaar is als een boog van stenen, die zou instorten als de stenen elkaar niet wederzijds steunden.]

 

De dag van Artesia.

 

Uit mijn salon, 26 november.

 

Deze namiddag had ik erg leuke mensen op bezoek. De meesten van hen waren verdienstelijke mensen die zich met hun eigen zaken bemoeiden. We hadden toevallig geen schandaaltje en waren zelf aangenaam geamuseerd zonder lelijk tegen elkaar te doen.

        Nadat het gesprek over de zegeningen van een goed geregeerde natie enige tijd had voortgeduurd, kreeg Emilia, die het geluk van een beschaafde conversatie ophemelde, van Arsinoe antwoord. Zij vond het niet een van de geringste wonderen van de voorzienigheid, dat deze de mens tot het enige sociabele schepsel had gemaakt, terwijl er bij de hele rest geen soort was die er, afgaande op hun natuur, minder geschikt voor leek. Door niet alleen goed naar de kudden maar ook naar de massa’s zowel in de lucht als de zee te kijken, heb ik, zei ze, vaak bewonderd hoe alle schepselen van dezelfde soort zich onopzettelijk verenigden. Daarbij gaven ze uitdrukking aan een onschuldige achting voor elkaar en gingen vreedzaam met elkaar om, louter uit liefde voor elkaars gezelschap. Indien we, ging ze voort, hiermee de vetes, bedriegerijen, vijandigheden en verwoestingen vergelijken, tegen en van elkaar, die we niet alleen tussen verschillende naties zien, maar ook tussen steden, instellingen, genootschappen en particuliere personen, onder dezelfde regering, en blijkbaar met hetzelfde belang, dan moeten we concluderen, dat er geen dier is dat van nature zo weinig geneigd is om sociabel te zijn als de mens. Daardoor is het onmogelijk is dat een dozijn van hen ooit één dag in vrede met elkaar zou doorbrengen, zonder een regering en de strikte toepassing van de wetten.

        Wat, Mevrouw, zei Lucinda glimlachend, zou jij aanmerkingen willen maken op Boileau’s Satire op de mens? [Nicholas Boileau-Despreaux -1636-1711, 8e satire] Deze dingen kunnen in gedichten gebeuren, maar niemand kan serieus geloven dat de mens van nature minder geneigd is sociabel te zijn dan het wilde dier, of dat het domme vee, dat rustig samen graast, veeleer de opdracht tot vrede en onschuld, die zij genieten, zou hebben gekregen dan dat zij om de eenvoud van hun voedsel benijd dienen te worden. Wilde beesten hoeven maar aan twee begeerten te denken, waarbij ze elkaar nooit tegen zijn gekomen zonder vijanden te worden. Hun rust waarin zij samen leven is evenveel te danken aan de overvloedige natuur, of anders de zorg van de mens, als aan het feit dat de kwaliteit van elk hunner hoofdzakelijk uit hun domheid voortvloeit.

        De mens, die met rede is begiftigd, heeft vanaf de tijd dat hij uit de gelukkige plek werd verdreven waarin zijn Schepper hem aanvankelijk had geplaatst, al zijn intelligentie en nijverheid in het werk gesteld om zijn bestaan zo geriefelijk mogelijk te maken. Hiertoe alleen dienen alle kunsten en wetenschappen. Wanneer ik hierover nadenk en de primitiviteit en onwetendheid van de pas ontstane wereld, en de nog steeds ruwe naties van Afrika en Amerika, vergelijk met de kennis en het comfort van het menselijke leven die de meer beschaafde landen hebben, en meer speciaal de meer gepolijste delen van het christendom, dan kan ik nooit nalaten te denken hoe oneindig veel dank wij aan al degenen verschuldigd zijn die ooit iets voor het gemeenschappelijke welzijn hebben uitgevonden. Zij zijn het die feitelijk hun soort hebben verbeterd en hun nageslacht vanaf die wormachtige staat, en de verachtelijke toestand waarin we nu de negers en anderen zien, hebben opgebeurd tot het genieten van die zegeningen die wij samen hebben. Aan de hele rest van onze voorouders en voorgangers zijn wij niet meer verschuldigd dan wanneer zij nooit geboren waren. En ik ben het met de vernuftige Bickerstaff [van de Tatler] eens, dat alleen diegenen als levend meegeteld dienen te worden die terwijl ze alle privé-belangen en persoonlijk terzijde stellen, genereus genoeg zijn om ten voordele van anderen te werken en zich in te spannen. --

        Hier hield Lucinda op, die bij de meesten van ons datgene opmerkte wat zij volgens haar blik scheen te eisen, een zwijgende bijval, toen een heer uit Oxford, die met Emilia was binnengekomen, op een aangename manier verlof vroeg om met haar over datgene wat zij het laatst had gezegd van mening te verschillen. Mevrouw, zei hij,

 

Het is onbetwistbaar, dat de grootste en meest directe weldoeners voor de menselijke samenleving de luie gunstelingen van het blinde lot zijn, aan wie meer geld is nagelaten dan ze weten wat ze ermee moeten doen, geen andere zorg hebben dan zichzelf te behagen, en terwijl ze ernaar streven nieuwe begeerten te scheppen en die welke ze al voelen te bevredigen, aan elke sensualiteit worden overgeleverd en bij het zich verschaffen van genot gezondheid noch bezit op waarde schatten.

 

Als men zegt dat de mens een sociabel schepsel is, dan is dit zeer waar, maar dit wordt over het algemeen verkeerd begrepen, want het betekent niet dat menselijke schepselen door een bepaalde goede eigenschap of aangeboren deugd die specifiek voor henzelf is, méér dan andere dieren hun eigen soort respecteren en van elkaars gezelschap houden. Want in die zin is het uiterst verkeerd.

        Maar het betekent, dat zij door de grote verscheidenheid van hun behoeften alsmede begeerten, door hun verschillen in humeur, neigingen en meningen, de enorme liefde die iedereen voor zichzelf heeft, de wispelturigheid van hun geest en de ontevredenheid van hun natuur, tezamen met hun gebruik van de spraak, de uitstekende bouw van hun lichaam, de bewonderenswaardige makelij van hun handen en armen, en meer in het bijzonder de fijne beheersing en het uitstekend gevoel van hun vingers, van alle dieren de enige soort zijn, waarvan zelfs de grootste aantallen nuttig voor elkaar kunnen worden gemaakt, en door bekwaam management een blijvende samenleving vormen.

        De zekerheid van een toekomstige staat leidt ertoe, dat het in het belang van elke individuele persoon is deugdzaam te zijn, maar nederigheid, gematigdheid, tevredenheid, zuinigheid en verscheidene andere deugden zijn erg onbetekenend wat de gemeenschap betreft en hebben zo weinig te maken met het feit dat een land bloeit, dat geen natie ooit het meest gewone comfort van het leven heeft genoten indien tegengestelde ondeugden geen tegenwicht vormden.

        Des te meer een rijke man consumeert, des te betere onderdaan is hij, en alleen aan hen die rijkdom hadden en bereid waren hiervan afstand te doen hebben we alle kunsten en wetenschappen te danken, die zijn uitgevonden voor het comfort of de pracht van het leven. Zij komen allemaal met heel langzame stapjes tot de nu bereikte perfectie, en de eerste grondslagen van de meeste ervan zijn zo klein geweest, dat de makers ervan nauwelijks de moeite waard zijn om genoemd te worden. Het is artium magister venter [De maag is de leraar van de kunst], die de hele wereld heeft onderwezen, onder de bescherming van grootmoedige vorsten van overvloedige naties. Indien Virgilius en Horatius beiden zouden leven, zouden zij toegeven, dat wij hun uitstekende werken niet zozeer aan hen te danken hebben als aan de milddadigheid van Augustus en Maecenas, door wier aanmoediging zij deze schreven.

 

Sint Maecenates non deere flacce marones.

[Laat er maecenassen zijn, Flaccus, en er zullen Virgiliussen zijn.]

 

Niets is weldadiger voor de gemeenschap dan de verkwister en niemand meer direct schadelijk dan de gierigaard, en toch zijn beide ondeugden, waarzonder de samenleving niet kan blijven leven. De staat wordt door tegenstrijdigheden overeind gehouden en alles wat tot het gemeenschappelijke welzijn bijdraagt moet voor een ware politicus welkom zijn.

 

 Dulcis odor lucri è re qualibet. [De geur van winst is lekker, uit welke bron ook] En zoals dit eens van belasting op urine werd gezegd, zo zou dit bij ons op het invoerrecht op tabak, die niet minder stinkt, kunnen worden toegepast. Zou ooit een sterveling hebben gedacht dat zo’n walgelijk en vergiftig onkruid het tot zo’n enorm belang van de openbare schatkist had kunnen brengen? [Fragment Trouw, 2-04-2005] En toch denk ik niet dat we degenen die het voor hun eigen gewin het eerst hier naar toe hebben gebracht daarvoor erg dankbaar moeten zijn.

        Ik zou, zei hij, vele voorbeelden kunnen geven om te bewijzen, dat we voor kunsten en wetenschappen evenveel dank verschuldigd zijn aan hen die deze aanmoedigen doordat ze ervoor betalen, als dat we voor buitenlandse artikelen degenen dankbaar moeten zijn die ze verbruiken, vooral--

        Hij zou zijn doorgegaan, maar toen hij aan onze houding zag dat niemand zijn leer bewonderde, zei hij niets meer, en een poosje daarna vertrok het bezoek.

 

***Hierbij wordt aan alle werkloze leerjongeren, karrenvoerders en niet lichamelijk gehandicapte lakeien meegedeeld, dat om een stimulans aan de branche te geven, het gilde van glazenmakers er gedurende het seizoen voor zal zorgen dat elke maandagmorgen gratis zes dozijn voetballen worden verspreid. Vraag inlichtingen bij de bode van het genoemde gilde. [Voetbal was een wintersport, zonder doelen, het ging er alleen om de bal te trappen.]

 

***Omdat het vorige week binnen het kader van de overlijdensberichten door het merendeel van de leveranciers van levensmiddelen erg slim is bewezen, dat er in gerst meer voeding zit dan in tarwe, wordt van de bakkers verlangd dat zij het publiek het genoegen doen aan te geven welke hoeveelheid zij van het eerste in elk heel brood toestaan, opdat de mensen door onoplettendheid niet te snel dik worden.

 

 

Nummer 64

 

Van woensdag 30 november tot vrijdag 2 december, 1709.

 

Omne hoc vides, quo divina & humana conclusa sunt, unum est;

 membra sumus corporis magni.

[Alles wat je ziet, omvattende zowel het goddelijke als het menselijke, is één; wij zijn allemaal onderdelen van één groot lichaam.]

 

De dag van LUCINDA

 

Uit mijn salon.

 

Gisteren was bijna hetzelfde bezoek bij mij dat enkele dagen geleden bij mijn zuster Artesia thuis was. Ze waren nog niet lang bij mij of ze wierpen zich weer ongemerkt op het gesprek dat daar was afgebroken. Emilia en Camilla zeiden, om belachelijk te maken waar de heer uit Oxford mee was begonnen, een heleboel dingen ter ophemeling van Calligula, Heliogabalus, Sardanapolus en alle koningen en keizers die ze konden bedenken, die berucht waren geweest door hun luxe en buitensporigheid.

        Jullie kunnen, zei de een, van de moed van Julius Caesar, de wijsheid van Augustinus, en de deugd van Titus reppen, maar als het voorbeeld van de vorsten enige invloed op het volk heeft dan heeft Rome beslist nooit een betere baas dan Vitellius gehad. Toen aan zijn tafel voor één souper drieduizend vissen en zevenduizend vogels werden opgediend, moeten de vishandelaren en poeliers een heel goede zaak hebben gedaan.

        Ik verbaas me erover, zei de ander, hoe zo’n wijze senaat als die van hen, die zo waakzaam over het publieke welzijn was, de verderfelijke leerstellingen van de Cato’s, Seneca’s en andere moraalhandelaren duldden, die tevredenheid en zuinigheid hoog prezen en tegen vraatzucht, dronkenschap en de andere dragers van de gemeenschappelijke rijkdom preekten. --

        Inderdaad, dames, zei Arsinoe, ik ben compleet voor het bevorderen van de handel. Het is jammer dat we geen wet hebben die alle mensen, die dit kunnen, verplicht tenminste een keer per maand nieuwe kleren te kopen, en elk jaar nieuw meubilair. Als ik aan het roer zat, zou niemand als een goede onderdaan worden beschouwd die geen vier maaltijden per dag at. Ik zou iedereen die weigerde tabak te roken als een weigeraar laten behandelen, en alle heren die zonder hun drie flessen wijn naar bed zouden gaan, zouden dubbel belasting moeten betalen.

        Wij moesten hierom hartelijk lachen, toen de heer tegen wie deze scherts was bedoeld en die tot nu toe niets had gezegd, met een glimlach op zijn gezicht als volgt begon.

         Ik ben erg blij, dames, zei hij, dat ik zoveel aan uw vrolijkheid heb bijgedragen. Ik verklaar dat ik niet van mening ben dat al die mensen die geen andere wereldse zorg hebben dan hoe zich goed te kleden, te eten, drinken en slapen, zo nutteloos voor de menselijke samenleving zijn dat zij tot de doden zou moeten worden gerekend.

        Het komische protest van het gilde van de stoffeerders is erg geestig en vermakelijk, en wat ik enkele dagen geleden las over hun begrafenis beviel me buitengewoon, zolang ik wist, dat hun vernuftige auteur dit slechts voor de grap deed en niet de bedoeling had er een rage van te maken, en er Begrafenissen a la mode van te maken. Maar als we serieus mogen zijn en nadenken over alle verschillende onderdelen waaruit een krachtige en bloeiende samenleving onvermijdelijk moet bestaan, dan betwijfel ik of de scherts zijn kracht niet zal verliezen.

        In zulke samenlevingen waar vorsten worden geboren, zijn het de grootmoedigheid en een levend gevoel voor glorie, waarmee zij door zorg en opleiding vanaf hun kindertijd worden bezield, die hen van de lage gedachten van zinnelijkheid en privé-genoegen afwenden. En wanneer zij geen acht slaan op de gemeenschap en men ziet dat ze hun regeringszaken verwaarlozen, dan gebeurt dit gewoonlijk door gebrek aan trots of ambitie.

        Maar wat de onderdanen betreft: altijd schoon zijn en kleding dragen die overdadig modieus is, het hebben van pompeuze equipages, en goed bediend worden, wonen in deftige gebouwen, versierd met rijk en modieus meubilair, zowel voor het gebruik als de pracht ervan, heerlijk eten en drinken, kwistig trakteren, een overvloedige verscheidenheid van wat de kunst of de natuur ook maar kan bijdragen, niet slechts voor het gemak en het comfort alleen, maar ook voor de vreugde en praal van het leven, is voor de gemeenschap zonder twijfel erg nuttig en weldadig.

        Ja, het staat mij verre toe te geven dat deze mensen dood zijn, omdat ik denk, dat zij de bron zelf zijn die alle raderen van de handel laten draaien, en als deze metafoor ooit gebruikt dient te worden dan is deze veel meer van toepassing op geleerden.

        De wetenschappelijke talen, zullen we toegeven, zijn noodzakelijk voor allen die zin hebben aan een van de drie faculteiten [theologie, rechten, medicijnen] te studeren. Maar zij die hun hersens pijnigen voor gewin worden slechts als verachtelijke kerels beschouwd, zij worden geen litterati genoemd.

        Die illustere titel is slechts aan mensen met de verfijnde kennis verschuldigd, dat wil zeggen, aan hen die door twintig keer telkens dezelfde boeken te lezen kritisch bedreven raken in klassieke schrijvers, en zonder verwachting of mogelijkheid er ooit een stuiver beter van te worden zich met een eindeloze studie bezig houden, die op geen enkele manier voor de menselijke samenleving nuttig is.

        Het zou juister zijn, zeg ik, hen dood te noemen dan de anderen, die door hun nauwgezette zorg voor hun rug en buik ervoor zorgen dat het geld circuleert, en de werkelijke bevorderaars van elke nuttige kunst en wetenschap zijn.

        Maar het weefsel van de samenleving moet niet in al zijn onderdelen hetzelfde zijn. En zoals de overvloed van de rijken hen genereus en vrij moet maken, zo moet de armoede de anderen leren zuinig en nijver te zijn.

        De vrek bezwendelt zijn lichaam en kruisigt zijn begerige ziel om het vermogen bij elkaar te schrapen dat zijn verkwistende kleinzoon in verspilling zal uitgeven.

        Sommigen wijden zich aan studie en houden van alleenzijn, anderen haten boeken en scheppen alleen behagen in het lawaai van dichtbevolkte steden.

 

--Trahit sua quemque voluptas

[ elk wordt door zijn eigen genoegen aangetrokken]

 

houdt duizenden ervan af ruzie te maken en elkaar in de weg te lopen. De krassende wanklank van tegenstellingen zorgt voor de harmonie van het geheel.

        Het is de opdracht van de bekwame politicus ervoor te zorgen dat alles op zijn juiste plaats functioneert en het goede uit zowel het allerergste als het beste ontlokt.

        Hij zal hen die rechtvaardig en integer zijn tot rechters maken. Van mensen die gedwee, welsprekend en vroom zijn maakt hij geestelijken, maar van slechteriken die behagen scheppen in tranen en wreedheid maakt hij cipiers, sleutelhouders, politieagenten, ambtenaren van stad of hof, baljuws enz. Van degenen die geen medeleven, geweten of eer hebben maakt hij in het algemeen procureurs, advocaten, bankiers en woekeraars.

        Van degenen die ervan houden zich, behalve met hun eigen zaken, ook met die van anderen te bemoeien, maakt hij lagere rechtsprekers en van degenen die te lui zijn om zich met een van beide te bemoeien, maakt hij infanteristen. Van dwaze jongeren kweekt hij zeelui en van de schurken worden de kwaadaardigen als douane te water en aanklagers aan het werk gezet, terwijl de anderen als souteneurs en koppelaars zullen functioneren.

        Zij die werkelijk eerlijk zijn en zonder ambitie of een andere ondeugd, tevreden met de plek die ze innemen, worden door hem geprezen, maar hij laat ze met rust.

 

Virtus laudatur & alget.

[Deugd wordt geprezen en toch is het koud]

       

Het is altijd zo geweest en het zal, zolang als de wereld bestaat, altijd zo zijn, dat zij niet voor heel veel functies de benodigde eigenschappen hebben, en weinig ambten of beroepen zullen geschikt voor hen zijn. Hieruit kunt u begrijpen, dames, wat voor verachtelijk figuur diegenen wel moeten slaan die alleen maar een grondige kennis en strikte deugd hebben om zich daarmee aan de gemeenschap aan te bevelen. Zij zijn inderdaad onschuldig en zullen nooit kwaad doen, ook al sluimeren de wetten.

 

Oderunt peccare boni virtutis amore.

[De goeden haten te zondigen uit liefde voor de deugd.]

 

Maar zij zijn van weinig nut en het land zou er spoedig veel te veel van hebben, want waar zij wemelen leidt dit tot armoede. Gelukkig is daarom het land waarvan de constitutie zo goed door heilzame wetten is omheind, dat vrees en prudentie de positie van eerlijkheid vervullen.

 

Oderunt peccare mali formidine pene.

[De kwaden haten te zondigen uit vrees voor bestraffing.]

 

Wanneer misdaden op een juiste manier worden bestraft, en niet wordt geduld dat de ondeugden iemand anders benadelen dan hen die zich eraan schuldig maken, hoeven zij niet gevreesd te worden.

        Ja, indien ik dacht dat ik niemand zou kwetsen, dan zou ik kunnen aantonen, dames, dat sommige ervan zo noodzakelijk voor de staat zijn, dat geen natie groot kan zijn als ze ontbreken. Ik zou kunnen bewijzen dat het wensen van een bloeiende handel en het afnemen van trots en luxe een even grote absurditeit is als tegelijkertijd om regen en droog weer te bidden, maar --

 

Hij zou zijn doorgegaan, maar omdat ik niet in staat was zijn sofistische manier van argumenteren langer te verdragen, onderbrak ik hem en zei hem, dat de onwaarheid van zijn beweringen zo duidelijk was, dat ik het zonde van mijn tijd vond zijn afschuwelijke principes, die zo tegenstrijdig met de deugd, godsdienst en goede manieren waren, te weerleggen en wenste dat hij me nooit meer zou bezoeken.

 

*** De jonge dame die enige tijd geleden werd gelaxeerd om een beter figuur te krijgen en een koud bad kreeg om haar gestel te harden, zodat zij in het St. James’s Park zou kunnen wandelen zonder kiespijn te krijgen of zonder dat haar kaken werden vastgebonden, wordt verzocht snel de dokter te betalen die van haar een schoonheid maakte, of zij moet erop rekenen verder iets van de schoenlapper te vernemen die haar weer overeind zette, toen de ridder van de kousenband haar handen op de handschoenen van gewassen leer kuste, wat zijne excellentie zo krachtig deed te niezen, dat hij zwoer dat de textuur van de huid van de lady geuriger was dan die van de civetkat.

 

*** Aangezien verleden maandag een tas met geld in de Lombardstraat [straat van het bankwezen] is verloren, wordt hierbij meegedeeld, dat indien de verliezer verzocht zal worden de bijzonderheden van elk stuk bekend te maken en de plaats van zijn verblijf, de schrijver van dit stuk, als hij deze ooit zou vinden, hem deze uit vrees voor een miskraam naar hem zal toezenden, voor een halve stuiver franco huis, zonder een stuiver in rekening te brengen.

 

 

 

Lucinda en artesia

 

in

 

The Female Tatler

(De Vrouwelijke Kakelaar),

geschreven door een Genootschap van dames

 

 

nummers 62 en 64