Vooraf: Mandeville over de kredietcrisis van 1720 (de zgn. South Sea Bubble)
De wereld gaat aan deugd ten onder (2006), blz. 74-5:
‘Het jaar zeventienhonderdtwintig is even rijk aan zware schurkachtigheid en even opmerkelijk wegens zelfzuchtige misdaden en opzettelijk onheil geweest als om het even welk jaar uit welke willekeurige eeuw dan ook; niet begaan door arme onwetende boeven die niet konden lezen of schrijven, maar door het betere slag mensen wat rijkdom en onderwijs betreft, zodat de meesten grote meesters in het rekenen waren en met een goede naam en in pracht leefden.’
Mensen spreken niet om begrepen te worden (2007), blz. 332:
‘De hoogste titels en de meest illustere geboorten zijn geen zekerheid tegen inhaligheid. Personen van de hoogste stand die feitelijk genereus en royaal zijn, zijn vaak even begerig naar winst wanneer het hun de moeite waard is, als de meest vrekkige handwerkslieden naar habbekratsen. Het jaar 1720 heeft ons geleerd hoe moeilijk het is die edele geesten te vinden die gewin verachten, wanneer het vooruitzicht bestaat er enorm veel van te krijgen.’
Een brief aan Dion, in De fabel van de bijen (2008), blz. 256:
‘Dat eerlijkheid de beste gedragslijn is, zelfs wat wereldse zaken betreft, is in het algemeen waar, maar zij brengt de mensen niet zo vaak tot grote rijkdom en macht als schurkerij en ambitie. Gelegenheid is een grote deugniet. Procuratiehouders, geldmakelaars, bankiers en effectenmakelaars alsmede allerlei agenten kunnen in hun beroep ongetwijfeld even eerlijk zijn als mensen met welk ander beroep ook. Maar het is bij alle zaken duidelijk dat hoe groter het vertrouwen is dat in personen gesteld dient te worden en hoe meer hun transacties geheim zijn en zodanig dat zij er slechts verantwoording voor schuldig zijn aan God en hun geweten, zij des te meer speelruimte hebben om zonder ontdekt te worden een schurk te zijn.’
1. Inleiding
Ik deug wel, maar mijn buren deugen minder of niet. Dit concludeerde eind vorig jaar het onderzoek Moraalenquête 2008 (zie Trouw, 10-12-2008). Wat kun je met deze conclusie? Eigenlijk, omdat de buren blijven, maar twee dingen: vluchten of verbeteren.
Vluchten naar een leven zonder buren, zoals kluizenaars en pelgrims doen, die we daarom wel eens benijden. Maar voor wie blijft, rest slechts verheffing van de buren als droombeeld. De architect van deze verheffing is de moralist. Stel dat zijn ontwerp, door een wondertje meer wordt dan een droom en echt gebouwd wordt, wat gebeurt er dan?
Voor een antwoord op deze vraag kunnen we terecht bij de Nederlandse medicus Bernard Mandeville (1670-1733). Mandeville heeft zijn leven lang gezocht naar de oorsprongen van wat we zijn, hoe we kunnen samenleven, waardoor beschaving wordt veroorzaakt, wat deugd en ondeugd betekenen.
Hij was als arts gespecialiseerd in psychosomatische ziekten. Zijn blik op mens en samenleving is steeds die van een moderne, wetenschappelijke medicus. Juist daardoor komt hij tot verklaringen, die niet bekend waren en dit vaak nog niet zijn, of die niet welkom waren of zijn. Dit kan ook blijken als we over deugden en ondeugden spreken. De Mandeville-paradox 'particuliere ondeugden, publieke weldaden' zullen we nu niet afzonderlijk bespreken.
Wat de biografische en bibliografische informatie over Bernard Mandeville betreft, wordt verwezen naar: www.bernard-mandeville.nl.
2. Zelfvoorkeur
Voor Mandeville zou de Moraalenquête 2008 niets nieuws bevatten. Wij, alle ikken dus, genieten een fraai moreel zelfbeeld; geen zedelijk tekort te bekennen. We nemen het zo nauw als we kunnen. Vergelijk hiermee de conclusie 'we nemen het niet zo nauw', waarmee Filosofie Magazine (09-2008) deze moraalenquête de wereld instuurde. Dit lijkt een grappig verschil, zoals bij de vraag of een bepaald glas half vol of half leeg is, maar een dergelijke conclusie vooronderstelt het bestaan van een morele maatbeker van een bepaalde omvang.
We nemen het dus zo nauw als we kunnen, en dat komt door de schepper. Hij, de onbekende en onzichtbare oorzaak van alles, waarin (niet: in wie) Mandeville van jongs af gelooft, heeft al zijn schepselen geschapen met zelfvoorkeur.
Zelfvoorkeur (Engels ‘self-liking'), het door Mandeville gemunte psychosomatische kernbegrip, vereist toelichting. Zij is de allesoverheersende hartstocht waarmee alle schepselen worden geboren omwille van zichzelf. Wat de mensen betreft is zelfvoorkeur die grote waarde, die alle individuen aan hun eigen persoon hechten. 'Iedere mens mag zichzelf liever dan hij een ander kan mogen'. Zelfvoorkeur heerst over en bepaalt al onze afzonderlijke hartstochten. Zelfvoorkeur omvat bij Mandeville zowel drang tot zelfbehoud, eigenliefde en gevoel van eigenwaarde als, zeer essentieel, een blijvende onzekerheid en twijfel daarover.
De zelfvoorkeur van de een moet die van de ander niet, maar kan tegelijk niet zonder diens bevestiging. Haar immateriële tronie is een januskop, met eer en schaamte aan de binnenkant, trots en schande aan de buitenkant. Onder omstandigheden ruilen we ons lijf liever in dan onze eer. De zelfvoorkeur van de een is eigenlijk krenkend, zo niet vijandig voor die van de ander. Daarom willen we het liefst domineren, dan hebben we de zelfvoorkeur van de ander eronder. We pesten, twisten en vechten al in de crèche. Macht geeft ons veiligheid, en zo onze zelfvoorkeur vrij baan. Maar de onzekerheid blijft knagen, en de ander is onverminderd sluw. Meer macht helpt op termijn ook niet. Onze sluwheid ontdekt en ervaart dat er nog een andere mogelijkheid is dan blote overheersing.
Mensen leren door ervaring dat ze hun zelfvoorkeur kunnen behouden en zelfs versterken door haar te verbergen, te verhullen en in te kleden. Dan ergeren we elkaar niet, we laten dingen in het midden, en geven applaus, omdat het onszelf goed uitkomt. Heel plezierig zijn win-win varianten, bijvoorbeeld een huwelijk of supporters die hun helden toejuichen. Beschaving is het zodanig omgaan met onze zelfvoorkeuren, dat ons samenleven zo rimpelloos mogelijk verloopt en waardoor we het meeste voordeel behalen. Hoe beschaafder, des te verfijnder de heerlijke massageolie: hypocrisie.
Zijn we uit op vernedering en oorlog, dan weten we feilloos, door onze eigen zelfvoorkeur, dat en hoe we de zelfvoorkeur van de ander te grazen moeten nemen. Veilig is anderen te pakken wanneer ze afwezig zijn. Daarvoor dienen bij uitstek visites, recepties en vergaderingen. Kwaadspreken en roddel zijn volgens Mandeville hoofdredenen van kerken en salonbezoek. (Dat de mensen gingen kerken, was volgens hem niet omdat ze godsdienstig waren, maar omdat de kerk voor de meesten de enige min of meer gezellige ontmoetingsplaats was, waar ze geen last hadden van weer, wind en stof.)
3. Samenleven, zedelijke deugd, bestuur.
Door zijn zelfvoorkeur is de mens van alle schepselen het minst geschikt om samen te leven, maar -door zijn sluwheid- ook het enige dat sociabel kan worden. Vanaf de oertijd geldt 'fabricando fabri fimus': mensen maken elkaar werkendeweg sociabel. Opvoeden in een samenleving is het polijsten van ongegeneerde dwingelanden in de wieg tot gezeglijke kiezelstenen. Elke cultuur en subcultuur bezit een eigen, specifieke zedelijke deugd, ook zedelijkheid of ethiek genoemd. Deze ethiek, geabsorbeerd in regelgeving, fatsoen, beleefdheid en goede manieren, is voortdurend dynamisch: gisteren was een financiële bonus een eer, nu moet je je ervoor schamen.
Mandeville kent hierbij grote waarde toe aan goed bestuur. Hij had het voor Montesquieu over de scheiding der drie machten, de basis van de soevereiniteit ligt voor hem bij het volk, en hij dacht al aan een tribunaal voor internationale geschillen. Wetten, wetshandhaving, regelingen in organisaties, voorkomen tachtig tot negentig procent van wat in een samenleving als ondeugd geldt. De rest krijgt haar beslag in informele gedragscodes. Bestuur is de kiel van de zedelijke deugd, die het verzamelbegrip is van alle deugden.
4. Hoeveel deugden zijn er
Hoeveel deugden vallen er onder de zedelijke deugd? Volgens het rapport ‘Nederland deugt’(2008) van de RU Groningen zijn het er honderden, misschien wel tegen de duizend. Dit rapport brengt het aantal brengt terug tot 15 categorieën. Overigens zit er vrij zeker een ‘elektronisch deugdzaamheiddossier’ aan te komen. Want dat is de consequentie van wat op blz. 36 van het rapport staat: ‘Gezien het belang van deugden lijkt de volgende stap de ontwikkeling van een “deugden-persoonlijkheidstest” te zijn, waarin de 15 hier voorgestelde deugden, of de belangrijkste ervan als karaktertrekken, op individueel niveau te meten zijn.’ Je zou zeggen dat wie zoiets bedenkt, naast zijn eigen werkgelegenheid, toch wel een groot maatschappelijk nut op het oog moet hebben.
5. Wat zijn deugden en ondeugden
Mandeville behandelt twee invalshoeken. De eerste invalshoek is die van het nut voor de samenleving, het belang dat een samenleving bij een individu heeft. De tweede invalshoek is die van het belang van de persoon zelf.
Aan degenen die de eerste invalshoek hanteren, noem ze politici, filosofen en moralisten, schrijft Mandeville het besluit toe de naam deugd te geven 'aan elke verrichting waardoor de mens zich, tegen de impuls van de natuur in, inspant ten voordele van anderen of voor de bedwinging van zijn eigen hartstochten vanuit een rationele ambitie om goed te zijn.''
En, aldus Mandeville, dezelfde belanghebbenden hebben besloten om alles ondeugd te noemen wat mensen doen om – zonder rekening te houden met de gemeenschap – een van hun begeerten te bevredigen, als in die daad ook maar de minste verwachting kon worden opgemerkt dat deze voor iemand van de gemeenschap nadelig zou kunnen zijn, of hemzelf voor anderen minder nuttig zou maken'.
De medicus Mandeville zelf definieert deugd en ondeugd vanuit de tweede invalshoek, en wel als volgt:
'Er is geen deugd met naam en toenaam of zij beteugelt, reguleert of onderdrukt een of andere hartstocht die specifiek is voor de menselijke natuur'. En wat is dan ondeugd?
'Ondeugd bestaat niet uit het voelen van hartstochten of beïnvloed worden door de zwakheden van de natuur, maar uit het toegeven en gehoorzamen aan hun roep in weerwil van de stem van de rede'.
Wat deugden of ondeugden zijn hangt dus uiteindelijk af van de vraag om wiens belang het gaat, wiens belang in het geding is.
6. Rede en wil
Onze aangeboren sluwheid, zoals alles van ons, is onderdeel van en staat in dienst van onze zelfvoorkeur. Maar wat betekent dan 'de stem van de rede' en hebben we dan geen vrije wil?
De rede is een bekwaamheid om abstract te kunnen redeneren, die je kunt aanleren. Maar velen bakken er weinig van. Mandeville: ‘De mens is een rationeel schepsel, maar hij is niet met rede begiftigd als hij ter wereld komt en ook kan hij zich later, wanneer het hem uitkomt, niet opeens in de rede hullen, zoals hij een kledingstuk kan aantrekken.’ Noem het wetenschappelijkheid of zindelijk denken. Abstract betekent alles weglaten wat we niet weten. De enige kennisbron is het leven zelf. Boeken en leermeesters dus niet. Vrouwen zijn er gewoonlijk beter in dan mannen, aldus Mandeville.
En geloof dan? Geloof is geen weten. Geloven heeft betrekking op wat de rede te boven gaat. Geloof heeft ook niets met gedrag te maken. Wat de rede betreft is het van groot belang om onderscheid te blijven maken tussen wat de rede te boven gaat en wat tegen de rede ingaat. Onze rede kan niets weten over wat haar te boven gaat, en daarom kunnen we daarover ook niets zeggen.
De wil, is die vrij of onvrij? Mandeville: 'Wat we de wil noemen, is eigenlijk het laatste resultaat van overweging, lang of kort, die onmiddellijk voorafgaat aan de uitvoering van het ding dat gewild wordt, of ten minste de poging om dit uit te voeren. Ik zeg het resultaat, dat onmiddellijk voorafgaat aan de uitvoering.' We hebben het vaak over wil, als we iets anders bedoelen, namelijk een wens, voornemen of besluit. 'Als we hierover nadenken', zegt Mandeville, 'zal onze wil niet zo vrij lijken te zijn als gewoonlijk wordt voorgesteld'. Dit sluit niet uit dat mensen er volledig van overtuigd kunnen zijn, dat zij handelen op basis van een beginsel van vrije wil, wanneer toch duidelijk is dat zij worden gedreven door een alles overheersende hartstocht.
Een voorbeeld van Mandeville. 'Geef twee mannen elk een glas van enige waarde in de hand, waarvoor hij dient te betalen als hij het breekt. Laat de één een gierige aard hebben, maar geen ruziemaker zijn en erg plooibaar wat zijn oordeel betreft, de ander zeer stellig, maar gul met zijn geld. Redetwist met elk van beiden tamelijk verhit tegen de vrije wil en de macht die hij heeft om het glas te laten vallen of het in zijn hand te houden. De eerste zal, reken er maar op, het niet laten vallen, en hij zal, tart hem er niet eens toe, zich ermee tevreden stellen te zeggen dat hij er zeker van is, dat hij het kan doen als hij het wil, maar dat hij geen zin heeft om zoveel geld weg te gooien om uitgelachen te worden. De ander zal het tien tegen een in stukken smijten en je vertellen, als hij het aandurft zijn mening te zeggen, dat hij liever voor het glas betaalde dan niet het genoegen te hebben om jou te overtuigen van je dwaasheid, hardnekkigheid, of wat zijn hartstocht of goede manieren hem zullen toestaan om het te noemen'.
7. Besturen van de zelfvoorkeur: door zelfverheerlijking of zelfverloochening
Het probleem van de mens is dat hij zich moet aanpassen, nadelen moet slikken om voordelen van samenleven te kunnen plukken. Maar hoe aanpassen? Volgens Mandeville zijn er twee benaderingen, die elkaar uitsluiten. De eerste is het besturen van zelfvoorkeur door middel van zelfverheerlijking. De tweede is het zelf besturen van de eigen zelfvoorkeur door middel van zelfverloochening.
Zelfverheerlijking betekent de weg om iedereen tot zijn eigen idool te maken. Dit is overal de gebruikelijke opvoeding. Zij is erop gericht om beide kanten van de januskop eer/schaamte te versterken, dus door zowel het eer- als schaamtegevoel te vergroten. De zedelijke deugd betreft vergelijking, competitie. De kwaliteiten waarin je uitblinkt, heten dan deugden. Een hele serie artikelen in Trouw is hieraan recent gewijd.
Je kunt niets zo gek bedenken of mensen gebruiken het om eer te verwerven en te voorkomen dat je je moet schamen. Wakker of dromend, je gevoel van eigenwaarde staat steeds op het spel, je zelfvoorkeur rust nooit. En je bent een medespeler. Je vereenzelvigt je met familie, club, partij of natie. Hun eer is jouw eer. 'Geestdrijverij (‘enthusiasm’) is even besmettelijk als geeuwen'. Eer is de enige band die een samenleving bij elkaar houdt, aldus Mandeville.
Zelfverloochening is die welke het evangelie bedoelt, de leer van Christus. Deze benadering van ootmoed en vrede ter ere van God is de persoonlijke keuze van Mandeville. Voor hem, de psychosomatische arts, is Christus 'de grote dokter van de ziel'. Hierbij moet worden opgemerkt dat dit inzicht volgens Mandeville aan de mensen geopenbaard is, maar tegelijk aan de stem van de rede voldoet. Met andere woorden, niet voorbehouden aan christenen.
Hoe vergelijkt Mandeville beide benaderingen? Hij zegt: 'De mening dat er geen deugd kan zijn zonder zelfverloochening, is voor een samenleving nuttiger dan de tegenovergestelde leer, die de deur wagenwijd openzet voor hypocrisie.' Met hypocrisie bedoelt hij hier geen massageolie, maar schijnheiligheid, verlakkerij dus. De kenmerken van christelijkheid zijn nederigheid, het liefhebben van alle naasten en vooral je vijanden. Wie ziet in een terrorist zijn evenmens en behandelt hem zo?
8. Macht, deugd en zelfvoorkeur
Keren we nu terug naar het begin, naar de moralist die, wondertje, erin slaagt onze buren te verheffen. De moralist leidt ons allen. Geen aanhanger van de modieuze, kleinridderlijke deugdethiek, maar iemand met overtuiging en macht, een kerkse moralist. In het gedicht 'De morrende korf of eerlijk geworden schurken' vertelt Mandeville wat er gebeurt als de moralist zijn zin krijgt: onze welvaart verdwijnt, de lol is er af, in een kloosterachtige samenleving is karigheid troef, althans voor wie geen machthebber is. Pastorale of priesterpolitieke deugd is de overtreffende trap van de goddelijke voorzienigheid.
Hoe kan dit gebeuren? Mandeville behandelt algemene vraagstukken als een zorgvuldige arts: ‘Ik ga direct naar de bron, de menselijke natuur zelf, en zoek naar het zwakke punt of het mankement bij de mens dat door die uitvinding wordt verholpen of gecompenseerd.’ De betrokkenen zelf zullen altijd externe redenen aanvoeren, zoals oude boeken, geleerden, autoriteiten of ideologen. Deze zijn bedrieglijk. Of ze er zelf in geloven of niet, het is kwakzalverij.
Voor Mandeville is er maar één relevante vraag: wiens zelfvoorkeur komt er nu door aan haar trekken? Die van de moralist in kwestie. We kunnen concreter worden en denken aan voorbeelden als taliban en communistische regiems. Maar Mandeville bespreekt uitvoerig het christendom, in al zijn verschijningsvormen.
9. Christendom versus christelijkheid
Christendom is geen christelijkheid. Christendom is wereldlijke macht en rijkdom, met allerlei eigenbrouw als ondernemingsideologieën. In de concurrentiestrijd om marktaandelen van gelovigen, kiezers en leden is elk middel geheiligd. Zelfvoorkeur wordt geacht niet eerzamer bevredigd te kunnen worden dan in kerken, partijen en verenigingen. Niet alleen van christendommelijke signatuur overigens.
Met elk geloof gaat het fout, zodra iemand zijn brood ermee gaat verdienen, concludeert Mandeville. Dan verkeert geloof meteen in bijgeloof.
Christelijkheid is strikt persoonlijk, aldus Mandeville. Niets kan een goddelijke instelling zijn, dat niet als zodanig in de heilige schrift bekend is gemaakt. De therapeutische leer van Christus kan iedereen zelf uit de bijbel halen. Niemand kan er hoe dan ook verder iets over zeggen, eraan toevoegen of afdoen. Haar toepassen is doe-het-zelven, ter ere van God.
10. Bijgelovigheid
Volgens de christen Mandeville zijn er weinig mensen die echt overtuigd atheïst zijn. En die dat zijn, zijn volgens hem meestal studieuze, vreedzame mensen. Maar, zegt hij, onder het gewone volk zijn geen atheïsten. Daar kom je nooit iemand tegen 'die helemaal vrij was van bijgeloof, wat altijd geloof impliceert. Wie ook maar enige nadruk legt op voorspellingen, op goede of slechte voortekenen, of alleen maar denkt dat sommige dingen gelukkig en andere dingen pech zijn, moet wel geloven dat er een overheersende macht is, die zich bemoeit met en zich mengt in menselijke aangelegenheden.'
Opmerking. Het reguleren van de behoefte aan bijgelovigheid door en in kerkgemeenschappen, acht Mandeville verstandig, maar de overheid moet de geestelijken geen millimeter meer ruimte geven dan andere beroepsgroepen, omdat die letterlijk niets nalaten, wat de geschiedenis ons heeft geleerd, om hun macht te vestigen en uit te breiden. Het gaat tegen de rede in om bijgelovigheid te vergroten.
11. Vergelijken, vooroordeel en rede
Niet alleen buren hebben korte lontjes. Mandeville: 'Er is niets zo klein, zo onschuldig of zo onbetekenend, waarin individuen van onze soort kunnen verschillen, of zelfvoorkeur kan er een aangrijpingspunt van maken om te ruziën'. Ruzie voor we het beseffen, door de automatische piloot van onze zelfvoorkeur. Omdat we vergelijkenderwijs leven.
Niemand is ongelukkig, behalve als hij vergelijkt, zei Seneca. Mandeville keert het om: niemand is gelukkig, tenzij hij vergelijkt. Het is je eigen schuld als je niet gelukkig bent. Moet je maar leren goed te vergelijken. Daarvoor heb je de rede nodig.
Verschillen tussen individuen zijn eigen of vreemd.
Vreemd zijn alle verschillen die ons met de paplepel worden ingegoten. Ze zijn vooroordelen. Wie geestelijk lui is, blijft erin hangen en zichzelf vertroebelen. Feitelijk voer je oorlog in jezelf.
Eigen zijn de verschillen waardoor elk individu, van elke soort overigens, juist bestaat, in het geheel van de wonderbaarlijke schepping, waarvoor ieders rede te ondiep is. In de helderheid van deze verschillen sluit de zelfvoorkeur van de een die van de ander juist niet uit. Nabuurschap is gebaat bij beschaving, christelijkheid bij verschillen.
12. Goede en gave gezondheid de hoogste waarde
Ons grootste probleem is dat we geboren worden in een toevallige en onvoorspelbare samenleving en daarin opgevoed moeten worden om onze eigen draai te vinden. We worden opgevoed tot vooroordeel. Veel van wat we door onze opvoeding en daardoor in onze culturen en subculturen vanzelfsprekend vinden, is onredelijk.
En wat tegen de stem van de rede ingaat, is volgens Mandeville ongezond voor de persoon in kwestie, en voor zijn relaties, in alle opzichten van wezen, emotioneel, geestelijk en/of lichamelijk.
Om dit onredelijke te saneren, daarom is voor een ieder zelfonderzoek het belangrijkst, maar tegelijk het moeilijkst, omdat we dit alleen kunnen met onze eigen rede in de mate waarin die ontwikkeld is.
Toetssteen en leidraad voor Mandeville is zijn opvatting, dat voor elk levend individu 'een goede en gave gezondheid' en het genezen van ziekte voor zichzelf de hoogste waarde is, en daarop behoort de inzet van de arts gericht te zijn. Het curatieve valt meer op dan het preventieve, maar het preventieve is toch belangrijker. Mandeville kende de historische ontwikkeling van de medische kennis en vond dat er nog maar weinig bekend was.
Groot belang hechtend aan het preventieve, toetst Mandeville het samenleven van mensen, de formele en informele regels, vastere en lossere verbanden in samenlevingen, aan deze zelfde waarde, en op basis daarvan oordeelt en adviseert hij.
Bestuurders kunnen alleen goede bestuurders zijn, als ze uitgaan van de zelfvoorkeur van de mensen, van de mens zoals hij is, altijd was en blijft; bestuurders die diagnosen stellen en overigens een probabilistische instelling hebben, zoals moderne, verantwoordelijke en zorgvuldige medici geacht worden te hebben, maar die ook niet verschilt van de echte ambachtelijke benadering en behandeling van problemen.
13. Wie deugt er meer dan Bernard Mandeville?
Dit is een vraag die je op verschillende manieren kunt benaderen. Maar hoe dan ook, onze Bernard Mandeville was wel de laatste die een ondeugd zou aanbevelen.
Verhalen over Mandeville hebben hun gebreken en dat geldt zeker ook voor dit verhaal. Maar gelukkig valt dit daardoor wel binnen het thema 'Noodzakelijke ondeugden'.
Wie deugt er meer dan Bernard Mandeville?
Enkele aandachtspunten
door Arne C. Jansen
Wie deugt er meer dan Bernard Mandeville?
Enkele aandachtspunten
Paper in verband met het thema “Noodzakelijke ondeugden”.
Dit is een iets langere versie van een artikel dat op 23 februari 2009 is verschenen in Trouw, De Verdieping, blz. 17, 24 en 25 onder de kop: Geen deugd zonder zelfverloochening - De mens is sociaal heel ongeschikt.
Aandachtspunten
- Vooraf: Mandeville over de kredietcrisis
1. Inleiding
2. Zelfvoorkeur
3. Samenleven, zedelijke deugd, bestuur
4. Hoeveel deugden zijn er?
5. Wat zijn deugden en ondeugden
6. Rede en wil
7. Besturen van de zelfvoorkeur: zelfverheerlijking of zelfverloochening
8. Macht, deugd en zelfvoorkeur
9. Christendom versus christelijkheid.
10. Bijgelovigheid
11. Vergelijken, vooroordeel en rede
12. Goede en gave gezondheid de hoogste waarde
13. Wie deugt er meer dan Bernard Mandeville?