I. Essay over Menslievendheid en Armenscholen.
Fragment waaruit: “Hoe fijn het is bestuurder te zijn”.
Het hele essay is opgenomen in Bernard Mandeville,
De wereld gaat aan deugd ten onder
“Als je deze waardige regeerders, elk apart of de hele groep, zou vragen waarom zij zich ten detrimente van hun eigen zaken en verlies van tijd zoveel moeite op de hals halen,dan zouden ze eenstemmig antwoorden, dat dit door de affectie komt die zij voor de godsdienst en de kerk hebben, en het behagen dat zij erin scheppen door aan het goede en het eeuwige welzijn van zoveel arme onschuldige mensen bij te dragen, die anders in deze slechte tijden van spotters en vrijdenkers naar alle waarschijnlijkheid naar de hel zouden lopen. Zij hebben geen gedachte aan belang, zelfs degenen, die deze kinderen voorzien van wat zij nodig hebben en daarin handelen, hebben niet de minste opzet om te verdienen aan wat zij ten nutte van hen verkopen, en zij zijn, hoewel hun gierigheid en hebzucht bij al het overige fel in het oog mag lopen, in deze zaak geheel en al van zelfzuchtigheid gespeend en hebben geen wereldse doeleinden.
Eén motief bovenal, dat niettemin bij de meeste van hen aanwezig is, moet zorgvuldig verborgen blijven: ik bedoel de bevrediging die er ligt in regelen en bevelen.
Er zit een melodieus geluid in het woord bestuurder, dat voor middelmatige mensen bekoorlijk is. Iedereen bewondert de scepter en superioriteit, zelfs Imperium in Belluas heeft zijn verrukkingen. Er gaat genoegen vanuit om over iets te regeren en dit is het voornamelijk, wat de menselijke natuur bij de vervelende slavernij van schoolmeesters ondersteunt. Maar ligt er de minste bevrediging in het heersen over schoolkinderen, verrukkelijk moet het zijn om de schoolmeester zelf te besturen. Wat een prachtige dingen worden er gezegd tegen en misschien geschreven aan een bestuurder, wanneer een schoolmeester moet worden gekozen! Wat kietelen de loftuitingen en hoe plezierig is het niet om de kruiperigheid van het gevlei te merken, de stijfheid van de uitdrukkingen, of de pedanterie van de stijl! [Fragment Trouw, 2-04-2005]
Zij die de natuur onderzoeken zullen altijd bevinden dat waar deze mensen het meest naar dingen het geringste motief is en wat zij absoluut ontkennen hun grootste motief. Geen gewoonte of eigenschap wordt gemakkelijker verworven dan hypocrisie en niets wordt sneller geleerd dan de gevoelens van ons hart en het grondbeginsel van waaruit we handelen te ontkennen.
Maar de kiemen van elke hartstocht zijn ons aangeboren en niemand komt zonder deze ter wereld. Als we op het spel en vermaak van jonge kinderen letten zullen we niets meer algemeen bij hen waarnemen dan dat zij er allemaal, aan wie dit toegestaan wordt, behagen in scheppen met jonge poesjes en hondjes te spelen. Wat ervoor zorgt dat ze altijd met deze arme schepselen door het huis lopen te rukken en te trekken, komt uit niets anders voort, dan dat zij ermee kunnen doen wat ze willen en dat zij deze in elke houding en vorm kunnen zetten die hun aanstaat, en het genoegen dat zij hierdoor krijgen is oorspronkelijk te danken aan de liefde voor heerschappij en die usurperende geaardheid waarmee de hele mensheid geboren is.”
II. Op zoek naar de Aard van de Samenleving.
Fragment waaruit: “Polygamie”.
Gehele essay is opgenomen in Bernard Mandeville,
De wereld gaat aan deugd ten onder
“Kerken lijken, sinds de christenen ze hebben kunnen bouwen, op een kruis, met het bovenste uiteinde naar het Oosten gericht. Men zou een architect, die dit - waar er plaats is en het gemakkelijk uitgevoerd kan worden - zou veronachtzamen, erop aanzien een onvergeeflijke misstap te hebben begaan. Maar het zou dwaas zijn dit bij een Turkse moskee of heidense tempel te verwachten.
Onder de vele heilzame wetten die de laatste honderd jaar zijn gemaakt, valt er niet gemakkelijk een met een groter nut te noemen dan die, welke de lijkgewaden heeft geregeld. Zij die, toen die wet werd gemaakt, oud genoeg waren om hiervoor belangstelling te hebben en nog in leven zijn, moeten zich wel het algemene protest herinneren dat ertegen gemaakt werd.
Aanvankelijk kon er voor talloze mensen niets schokkender zijn dan dat ze in wollen stof zouden worden begraven. Het enige wat de wet draaglijk maakte was dat er voor mensen van een enig aanzien gelegenheid bleef om zonder buitensporigheid aan hun zwakheid tegemoet te komen, in aanmerking nemend de andere uitgaven voor begrafenissen, waarvoor aan enkelen rouwkleding en aan zeer velen ringen worden gegeven.
Het voordeel dat er voor de natie uit voortvloeit [bevordering van de wolindustrie], is zo opvallend, dat er redelijkerwijs niets tegenin kon worden gebracht om het te veroordelen. Dit leidde er binnen enkele jaren toe, dat de ertegen ontstane afschuw met de dag verminderde. Ik zag toen dat jongeren, die nog maar weinig mensen in doodskisten hadden gezien, feitelijk het snelst met de innovatie begonnen, maar dat degenen die vele vrienden en verwanten hadden begraven [330], er het langst afkerig van bleven. En ik herinner me velen die er tot op hun sterfdag nooit mee verzoend konden worden.
Tegenwoordig is het begraven in linnen bijna vergeten en is de algemene mening dat niets fatsoenlijker kan zijn dan wol en de huidige manier om een lijk te kleden. Dit toont aan dat onze zin of tegenzin in dingen voornamelijk afhangt van mode en gewoonte, en van het gebod en voorbeeld van onze meerderen en anderen, die wij op de een of andere manier als superieur aan ons beschouwen.
In de moraal bestaat er geen grotere zekerheid. Veelwijverij is verfoeilijk onder christenen en alle scherpzinnigheid en studie van een groot genie ter verdediging ervan is met verachting verworpen. Maar polygamie is niet schokkend voor een islamiet. Wat mensen vanaf hun kleutertijd hebben geleerd maakt ze tot slaaf.
De macht van de gewoonte verwringt de natuur en imiteert haar tegelijkertijd op een zodanige manier, dat het vaak moeilijk is te onderscheiden door welk van deze twee we zijn beïnvloed. In het Oosten trouwden vroeger zusters met broers en was het lofwaardig voor een man zijn moeder te trouwen. Zulke verbintenissen zijn afschuwelijk.
Maar welke afkeer we ook ondervinden bij de gedachte eraan, het is zeker dat er in de natuur niets is dat er strijdig mee is, behalve [331] wat op mode en gewoonte wordt gebaseerd. [Fragment Trouw, 2-04-2005] Een godsdienstige islamiet, die nooit een alcoholische drank heeft geproefd, kan een even grote aversie tegen wijn hebben als iemand anders bij ons met de laagste moraal en ontwikkeling kan hebben tegen gemeenschap met zijn zuster.
Beiden veronderstellen dat hun antipathie uit de natuur voortkomt.
"Wat is de beste godsdienst" is een vraag die meer onheil heeft veroorzaakt dan alle andere kwesties samen. Vraag het in Peking, in Constantinopel en in Rome en je krijgt drie duidelijke antwoorden, die uiterst verschillend van elkaar zijn, maar toch alle even stellig en geen tegenspraak duldend.
Christenen zijn zeer zelfverzekerd over de onwaarheid van de heidense en islamitische bijgeloven. Wat dit punt betreft is er een perfect verbond en harmonie tussen hen. Maar stel aan de afzonderlijke sekten waarin ze verdeeld zijn de vraag "welke is de ware kerk van Christus", en ze zullen je allemaal vertellen, dat dit de hunne is, en om jou te overtuigen maken ze elkaar uit voor al wat lelijk is.
Het is dus duidelijk, dat het najagen van dit pulchrum & honestum niet veel beter is dan met een koe een haas willen vangen, waar je ook maar weinig van op aan kunt. Maar dit is niet de grootste fout die ik erbij aantref.
De imaginaire ideeën dat mensen zonder zelfverloochening deugdzaam kunnen zijn, zetten de deur wagenwijd open voor hypocrisie. Eenmaal tot gewoonte gemaakt moeten we daardoor niet alleen anderen voor de gek houden, maar we raken daardoor eveneens totaal onbekend met onszelf.
Menslievendheid
en
Armenscholen
Aard
van de
Samenleving
Fragmenten
2 april 2005