Vrije gedachten over godsdienst, kerk en volksgeluk.
(1720, herziene uitgave 1729)
Voorwoord 1729
Nog ongecorrigeerd
De kwade gewoonte hecht vaak een hatelijke betekenis aan woorden die dit niet verdienen en die bij een juist taalgebruik enkel in een gunstige zin kunnen worden gebruikt. Zo zouden dwepers en de vijanden van de waarheid willen inboezemen dat Vrije Gedachten goddeloos en atheďstisch moeten zijn, op dezelfde wijze als obscene wellustelingen zouden willen dat je onder de woorden goedaardige dame een hoer verstaat. U ziet, lezer, dat dit spookbeeld mij niet heeft afgeschrikt, maar opdat dit u er ook niet van moge afhouden de volgende bladzijden te bestuderen, zal ik u niet in spanning houden, maar u, in zo weinig mogelijk woorden en zo snel als ik kan, op de hoogte brengen van de bedoeling en het hoofdonderwerp ervan. U zult zien dat het geheel in twaalf hoofdstukken is verdeeld.
In het eerste hoofdstuk behandel ik de godsdienst in het algemeen, deďsme en atheďsme, zowel beschouwelijk als praktisch, christenen en aan wie we die naam niet behoren te ontzeggen. Ik toon aan dat wat gewoonlijk onder geloof [faith] en geloven [believing] wordt verstaan, het gemakkelijkste deel van de christelijkheid is, waarin heel weinigen tekortschieten, maar dat het moeilijkste deel van onze godsdienst bestaat in het overwinnen van onze hartstochten uit liefde voor God en uit gehoorzaamheid aan zijn geboden. Ik behandel terloops verkeerde noties die het gewone volk over deze zaken heeft alsmede de graden van overtredingen jegens God begaan. Ik spreek over zonde en wat een daad tot zodanig maakt. Tenslotte bewijs ik op grond van het voornaamste leer van het evangelie, dat christenen die hun plicht nakomen, anderen niet kunnen haten uit welke godsdienstige hoofde dan ook, en trek ik op grond daarvan een conclusie die vrede en wederzijdse eendracht bevorderen.
In het tweede hoofdstuk probeer ik verder te overtuigen, dat de ergste zondaren zelden kwaad doen door gebrek aan geloof, en tracht te bewijzen dat de meeste christenen overtuigd zijn van hun overtredingen en een hiernamaals, en dat de verlangens van zelfs erg verdorven mensen over het algemeen deugdzaam zijn, maar dat zij, doordat de moeilijkheid die ze bij de echte verbetering van het hart ondervinden bijna onoverkomelijk is, op zoek gaan naar een equivalent om zich van hun vrees te bevrijden; dat zij dit vinden in de naleving van sommige takken van uiterlijke godvruchtigheid en godsdienstigheid, die totaal vreemd aan echte deugd zijn; dat de mensen door de priesterpolitiek altijd weer in deze waan zijn aangemoedigd; en tenslotte dat zij, door te veel te vertrouwen op de werkzaamheid van zulke uiterlijke vormen, leren die vreselijke beduchtheden, die het gebrek aan ware godsdienst onvermijdelijk voortbrengt, op te heffen, totdat zij hun geweten hebben misleid tot een volmaakte onwetendheid over zichzelf. Om deze belangrijke waarheid voor elke lezer nuttiger en opvallender te maken, heb ik door middel van drie zeer verschillende personages toegelicht wat ik gezegd heb, waarmee ik dat hoofdstuk afsluit.
In het derde hoofdstuk worden rituelen en ceremonies behandeld met betrekking tot de openbare godsdienstoefening en enkele verschillen aangestipt tussen onze staatskerk en zij die daarvan afwijken. Door het geheel heen is mijn doelstelling vrede en harmonie, en mijn enige oogmerk is, als ze niet te verzoenen zijn, ten minste de vijandige mening weg te nemen, die de geestelijken aan beide kanten hun hebben geleerd om over elkaar eropna te houden, en die, wat ik hun aantoon, veel erger is dan een van beide verdient. De lezer zal zien, dat ik bij mijn oproepen aan beide partijen, wanneer ik mij tot een van hen richt, nogal overhel naar de kant van hun tegenstanders, wat ik om geen andere reden heb gedaan dan dat ik dacht dat dit de plicht was van iemand die bij een bemiddeling tussen twee vijanden op succes hoopt. Ik eindig met het voordeel uiteen te zetten die voor beide partijen zal voortvloeien uit het gebruik van de helende grondregels die ik voorstel.
In het vierde hoofdstuk spreek ik over godsdienstige mysteries in het algemeen, en meer in het bijzonder over de Drievuldigheid, laat het verschil zien tussen kennis en geloof, en behandel terloops de godheid van Jezus Christus en de Heilige Geest. Ik wijs niets af van wat onze kerk over deze zaken beweert, maar oordeel toch ook niet liefdeloos over anderen die weigeren zich bij elke syllabe van de geloofsbelijdenis van Athanasius neer te leggen. Ik stip de lichtgelovigheid van de onwetende aan, ik ontraad het dogmatiseren van geloofszaken en de onmenselijkheid van het opleggen van geloofsartikelen die menselijke verdichtsels zijn: aangezien de heilige schrift het de enige geloofsregel moet zijn en iedereen ten slotte voor zichzelf moet oordelen. Deze opvattingen bevestig ik met citaten van twee eminente prelaten van onze kerk. Ik besluit dit alles met een helder onderscheid tussen wat boven de rede uitgaat en wat ertegen in gaat, om van hun vergissingen te overtuigen: in de eerste plaats de ijdele en arrogante filosoof, die opgeblazen met zijn eigen voldaanheid een te enge gedachte over Gods almacht heeft en de mysteries om geen andere reden verwerpt dan dat zij zijn begrip te boven gaan; ten tweede de bijgelovige dweper die zich door priesters laat regeren, die zijn ogen sluit voor het gezonde verstand en zich stompzinnig verbeeldt dat hij duidelijke contradicties kan geloven.
Het vijfde hoofdstuk begin ik met een verhandeling over de wil en onderzoek de vrijheid ervan. Ik stip de predestinatie aan en het belangrijkste bezwaar dat ertegen bestaat. Ik formuleer het systeem van de twee principes, duik in de controversen over de oorsprong van het kwaad en maak opmerkingen over verscheidene antwoorden van de kerkvaders aan de Manicheeën en over het bewijs van Epicurus tegen de voorzienigheid. Ik toon aan de ene kant aan, dat een veronderstelling van de meest absolute vrije wil, zoals de Socianen beweren, de moeilijkheid niet kan oplossen die zij zou opheffen, en aan de andere kant hoe moeilijk het is voor een aanhanger van de predestinatieleer, die slechts de natuurlijke rede heeft om hem te helpen, eromheen kan om God aan te merken als de veroorzaker van de zonde. Op grond daarvan concludeer ik, dat bij de zaak van de vrije wil en de predestinatie een van de grootste mysteries van de christelijke godsdienst in het geding is en het daarom een geschikter onderwerp is om nederigheid en tolerantie te beoefenen dan voor redetwisten en vijandigheden. Om die mening te ondersteunen, verwijs ik naar Paulus, die de predestinatie op de duidelijkste manier verklaart en het bezwaar ertegen op de meest wrange wijze formuleert, zonder ook maar te trachten er een antwoord op te geven of de moeilijkheid op een andere manier op te lossen dan door zijn nederige berusting bij de onpeilbare diepte van de goddelijke wijsheid. Ik roep de mensen op het voorbeeld van de apostel te volgen en op te houden met het betwisten van wat geen der partijen kan bewijzen, en eindig met een stralend voorbeeld van gematigdheid, dat ik aan alle geestelijken aanbeveel.
In het zesde hoofdstuk onderzoek ik de oorzaak van de genegenheid en achting die het gewone volk, los van de godsdienst, voor tempels heeft. Ik toon aan dat zij, aangezien hun onvermogen hen belet door ware heiligheid en spiritualiteit beďnvloed te worden, gedwongen zijn het respectvolle ontzag, waarmee hun bijgeloof hen vervult, over te brengen op dingen die zichtbaar zijn en die met de zintuigen te behappen zijn, en dat de kerken daardoor het voornaamste object van hun aanbidding moeten zijn. Ik spreek over het gebruik dat bij alle godsdiensten van deze zwakheid van het gewone volk is gemaakt. Ik geef aandacht aan de verschillende betekenissen van het woord kerk en het voordeel deze te kennen. Ik stip de wonderbaarlijke manier aan waarop het evangelie werd verspreid in de tijd van de apostelen en de verschillende methoden die hun opvolgers sindsdien hebben gebruikt. Ik licht het heroďsme van de geestelijkheid toe met verscheidene voorbeelden uit de geschiedenis, die getuigen van de enorme dapperheid die betoond is en de grote risico’s die zijn gelopen voor de bevordering van de wereldse grootheid en het gezag van de kerk. En tenslotte toon ik aan, dat de protestante geestelijkheid sinds de reformatie niet minder verzotheid op macht en overheersing aan de dag heeft gelegd dan de Roomse priesters, van wie zij zich voornamelijk om die reden hebben afgescheiden.
In het zevende hoofdstuk merk ik op, dat de politiek van de geestelijkheid om rijkdom te krijgen en de wereldlijke grootheid van de kerk op te vijzelen niet voor hun moed heeft ondergedaan. Ik spreek over het verkeerde en goddeloze gebruik, waartoe zij wat het evangelie over de onsterfelijkheid van de ziel leert, voor hun eigen gewin verdraaiden, hun ijver en hatelijkheid tegen menselijke kennis teneinde onwetendheid en bijgeloof te doen ontstaan, hun woede en verontwaardiging tegen degenen van hun eigen orde, die op enig moment het volk de ogen probeerden te openen. Ik geef voorbeelden van de strenge gehechtheid van de kerk aan haar vrienden, en haar onschendbare achting voor degenen die haar wereldlijke belang bevorderen en haar verbolgenheid en de heftigheid van haar haat tegen allen, zelfs de beste mensen, die haar gezag ter discussie stellen of de tekortkomingen van de geestelijkheid aanroeren. Ik verhaal waaraan pausen moeten voldoen en geef enkele voorbeelden om te bewijzen, dat de zaak van de godsdienst in Rome wordt opgeschort voor het wereldlijke belang van de kerk. Ik noem andere takken van priesterpolitiek, godvruchtige bedriegerijen, roddels en regelrechte valsheden, waarvan de kerkvaders, om de wereldlijke grootheid van de kerk te bevorderen, gebruik hebben gemaakt bij het weerleggen van de heidenen, en sluit af met een opmerkelijk voorbeeld van onoprechtheid, waaraan protestanten zich schuldig hebben gemaakt bij hun controversen tegen de papisten.
In het achtste hoofdstuk behandel ik de kerkscheuring en de oorzaak ervan, en maak gewag van verscheidene buitensporigheden van oude ketters en anderen sinds de reformatie. Ik duid de kwalijke zaken aan, die door de reformatie uit de kerk werden weggenomen en in het bijzonder het celibaat van de geestelijkheid, en spreek over de belachelijke aanspraken op kuisheid die door de kerk van Rome zijn gemaakt. Ik beweer dat deze kwalijke zaken juist de instrumenten waren met behulp waarvan de kerk van Rome, tot de reformatie, over alle afscheidingen en ketterijen had gezegevierd, en dat de protestantse geestelijken, zodra bij henzelf afscheidingen optraden, merkten waarvan zij afstand hadden gedaan, daar spijt van hadden en zich van toen af aan steeds hebben ingespannen om equivalenten te vinden voor wat zij kwijt waren geraakt. Ik spreek over de dissenters en de ruzies van de protestante geestelijken met elkaar, en hun afkeer van hereniging, en degenen die geprobeerd hebben dit te bereiken. En ik bewijs op grond van hun eigen getuigenissen hoe onbillijk zij elkaar hebben behandeld. Ik wijs op een gemakkelijke remedie om scheuringen te voorkomen, of althans de onheilen die daardoor worden veroorzaakt, en eindig met de verdachtmakingen en laster, die de orthodoxen en dissenters in Engeland elkaar naar het hoofd slingeren.
In het negende hoofdstuk bewijs ik op grond van de gesteldheid van de geestelijkheid, die in het voorgaande hoofdstuk is getoond, dat als een scheuring eenmaal begonnen is, dit alleen door dood, verbanning en een absolute uitroeiing van de scheurmakers kan worden hersteld, en pleit daarom voor tolerantie, maar beweer dat de staatskerk in elk land voor vervolging is. Ik bewijs dat dit waar is door middel van voorbeelden en aanhalingen van niet alleen de grote voorstanders van het pauselijke gezag en andere Rooms-katholieken, maar ook van de Lutheranen en Calvinisten en alle geestelijken, wanneer zij worden bestreden en aan de macht zijn. Ik bewijs dat de staatskerken niet erkennen dat de scheurmakers, hoe zij er ook voor boeten, oprecht in hun mening zijn; dat degenen die werden vervolgd, zodra hun geloofsgemeenschap de overhand heeft en zij ertoe in staat zijn, anderen die met hen van mening verschillen net zo behandelen als zij daarvoor zelf waren behandeld; dat de redenen en argumenten voor de vervolging, aangevoerd door de protestanten tegen de dissenters niet alleen dezelfde zijn als die de papisten tegen de hervormers gebruikten en de orthodoxen meer dan duizend jaar geleden tegen de ketters, maar ook dezelfde die de heidenen tegen de vroege kerk gebruikten, en ik geef een voorbeeld waar een verdediger van het heidense geloof, na een wrede vervolging, de christenen en hun godsdienst met evenveel meewarigheid en verachting behandelde als de meest hooghartige rigorist van de orthodoxen de onnozelste dweper kon doen. Ik laat de onbeduidendheid zien van het maar half vervolgen; ik duid de barbaarsheid aan waarmee het evangelie in Amerika en Oost-Indië is verspreid en de orthodoxie die op andere plaatsen in stand wordt gehouden. Deze laat ik alle zien als argumenten tegen vervolging en wijs op een remedie om de kwaden te voorkomen waarvoor men beducht is wegens een excessieve tolerantie. Ik spreek over burgeroorlogen door godsdienstige ruzies, verdoezel onze eigen tegenspoed, en op grond van voorbeelden van calamiteiten die anderen hebben ondergaan, tracht ik de lezer af te houden van de eerste aanzetten die tot dergelijke fatale tijden zouden kunnen leiden.
In het tiende hoofdstuk beweer ik dat voor het dienaarschap van het evangelie meer pre-eminentie verplicht is dan voor andere beroepen; dat ik in de voorgaande hoofdstukken niets tegen de geestelijkheid heb gezegd om ze voor de leken hatelijk te maken en dat degenen die het meest uitblinken in andere beroepen zich aan grove tekortkomingen schuldig maken, die voor hun functie even destructief zijn als die waarvan ik de geestelijkheid heb beschuldigd; dat alle dingen een verkeerde zijde hebben en dat we moeten onderscheiden tussen de bedoeling van een beroep en waartoe deze geperverteerd kan worden. Ik bewijs dat de mensen in alle beroepen zoveel mogelijk voor hun eigen doeleinden van hun zaak profiteren; dat ons van onze kindertijd af geleerd wordt aan onszelf te denken en voor onszelf te zorgen; dat als mensen in één beroep meer inbreuken maken dan in een ander, dit door niets anders komt dan dat zij meer gelegenheid daartoe hebben, en dat mensen van alle beroepen dit over anderen zouden willen laten heersen, als zij dit zouden kunnen. Ik bewijs dat mensen in alle werkzaamheden over hun origineel opscheppen, als dit hun voordelig uitkomt, ook al zijn ze enorm verloederd en handelen ze op grond van heel andere principes. Ik bewijs uitvoerig dat na de tijd van de apostelen, zodra de bediening van het evangelie een beroep werd waarvoor mensen werden opgeleid om de kost te verdienen, de geestelijkheid niet minder schuldig aan tekortkomingen en ondeugden is geweest of meer waarde of echte goedheid bezat dan de leken. Daaruit concludeer ik, dat de geestelijkheid niet onafhankelijker van de regering mag zijn dan de leken, of enig voorrecht of macht zou mogen genieten om anderen ongestraft te benadelen, meer dan aan mensen in andere beroepen wordt toegestaan. En ik tracht te weerleggen wat algemeen tegen deze bewering wordt aangevoerd. Ik houd eraan vast dat deze stelregel om de geestelijken binnen de juiste perken te houden niet afdoet aan de eerbied die aan hun stand is verschuldigd of het genot van wereldse geneugten net zoals de leken genieten, en geef een voorbeeld van een goede harmonie en prijzenswaardig gedrag tussen geestelijkheid en lekendom. Ik spreek over het prediken en de verscheidene manieren waarop dit destructief voor de vrede van de samenleving wordt gedaan. Ik geef waarschuwingen om de onheilen te voorkomen, die erdoor kunnen worden veroorzaakt. Ik leg de onoprechtheid bloot van verscheidene aanspraken en uitvluchten, die vaak door opruiende predikers worden gemaakt. Ik geeft een voorbeeld van een godvruchtig man en een van de grootste hervormers, die meegesleept door ijver of hartstocht, een preek hield die naar opruiing tendeerde. Ik toon aan dat onenigheid zaaien voor een dominee een gruwelijker misdaad is dan voor enig ander, en neem de bezwaren weg die tegen het bestraffen van hen worden gemaakt. Ik sluit af door te benadrukken, dat de twee punten die ik voornamelijk heb bepleit niet met elkaar in strijd zijn en licht mijn opvattingen betreffende ons gedrag tegenover de geestelijkheid toe, in een vergelijking waardoor geen redelijk mens zich beledigd zal voelen.
In het elfde hoofdstuk spreek ik over de regering in het algemeen en onze constitutie in het bijzonder. Ik beweer dat geen regering kan blijven bestaan waaraan geen passieve gehoorzaamheid wordt betuigd, en onderzoek de oorzaak van onze ruzies betreffende die leer. Ik onderzoek de opperste macht en de hele soevereiniteit van de natie, en bewijs dat onze onbeperkte gehoorzaamheid alleen maar verschuldigd is aan bevelen gegeven door de drie staten [koning, parlement, volk] gezamenlijk. Ik toon aan dat de macht om wetten te maken een macht moet omvatten om ze ertegen te beschermen dat ze straffeloos worden overtreden; dat een groot deel van de soevereiniteit feitelijk bij het volk blijft, en dat de hoge prerogatieven van de koning niet afdoen aan de vrijheden van het volk. Ik bewijs dat men gemakkelijk kan weten wanneer de koning zijn overeenkomst met zijn volk breekt en geef redenen waarom een overeenkomst die tussen hen is bekrachtigd, voor de een niet minder bindend is dan voor de ander. Ik stip de troonopvolging aan en het goddelijke recht van koningen en laat de absurditeit zien van de bewering, dat God ons gehoorzaamheid oplegt aan de monarchie alleen, met uitsluiting van alle andere vormen van regering. Ik geef twee bezwaren aan, het ene tegen dat aandeel soevereiniteit dat aan het volk behoort, het andere tegen de geldigheid van die wetten die een wijziging in de troonopvolging hebben aangebracht. Om deze op te lossen, besteed ik aandacht aan latere en vroegere tijden wat de situatie van de macht tussen de drie staten betreft, wat me de argumenten verschaft om de bezwaren te beantwoorden. Ik bewijs dat de vijanden van de huidige staatsinrichting bij hun klachten zichzelf tegenspreken, en spreek over eden en het zweren met stilzwijgende achterhouding. Ik onderzoek de legitimiteit van de troonpretendent en bewijs dat deze uiteindelijk twijfelachtig is. Ik zet het tijdsgewricht uiteen waarin hij werd geboren en eindig met het karakter van koning Willem III aan wie we de opvolging in het illustere huis van Hannover te danken hebben.
In het laatste hoofdstuk som ik de inheemse zegeningen op van Groot-Brittannië, vooral van het zuidelijke gedeelte ervan, en beschouw onze wetten en vrijheden als de beste. Ik onderzoek de oorzaken van onze ontevredenheid en vergelijk ons gemopper en onze onbehaaglijkheid met de klachten van degenen die aan zwaarmoedigheid lijden. Ik roep op tot wijsheid en definieer deze. Ik spreek over rechtbanken en de personen waaruit deze algemeen worden samengesteld. Ik verwerp onze partijdigheid met betrekking tot de ministeries en staatslieden. Ik raad de mensen aan de ene kant af te veel op hun eerlijkheid te vertrouwen en aan de andere kant hun daden verkeerd uit te leggen. Ik toon aan dat veel klachten van ons onredelijk zijn en dat bij sommige echte grieven het kwaad veel geringer is dan onze beduchtheden erover; dat het middel waarnaar onze ontevredenen verlangen om ze te herstellen onuitvoerbaar is zonder de halve natie te ruďneren en dat de poging zelf om dit te bereiken met grotere rampen gepaard moet gaan dan ons onder de huidige staatsinrichting kunnen overkomen. Ik stip het wetsontwerp over de adelstand aan, de oorlog met Spanje en het behouden van Gibraltar.[In de 2e druk niet veranderd ten opzichte van de 1e druk van 1720] Ik zet uiteen wat vereist is met betrekking tot godsdienstige zaken om vrede en geluk aan een natie te verschaffen. Ik duid verscheidene groepen mensen aan waarvan het gemopper geen aandacht verdient en besluit dat het onze eigen schuld is als we niet gelukkig zijn.
Degenen die ervaring met boeken hebben, zullen snel ontdekken dat ik flink gebruik heb gemaakt van monsieur Bayle, zonder hem te noemen. Ik erken dat hij de geleerde is waarover ik op bladzijde 102 spreek. Ook de citaten die ik van die auteur heb geleend zonder hem te noemen, zijn talrijk. In het bijzonder worden in het vijfde hoofdstuk vele argumenten van hem overgeschreven. Aangezien hij meer moeite heeft gedaan en meer naarstigheid heeft gebruikt dan enige andere auteur in deze laatste tijd, om te laten zien wat waarschijnlijk gezegd zou kunnen worden ten gunste van vele onrechtzinnige meningen, heb ik, bij het weergeven van de moeilijkheden die aan beide zijden van de controversen liggen, zoveel rekening gehouden met mijn eigen gemak, wat betreft het gebruiken van vele van de redeneringen zoals ik ze bij hem aantref, zonder mijzelf het hoofd erover te breken om de soliditeit ervan te onderzoeken. En daarom wens ik, aangezien ik geen eer opeis voor die welke goed zijn, dat de lezer de andere niet beschouwt als zijnde van mij, of dat ik ze adopteer of mijzelf ervoor verantwoordelijk stel; ook al zijn ze op dezelfde manier opgeschreven alsof ze mijn eigen waren geweest, denk ik dat vele ervan verkeerd zijn. Maar het is voor mijn opzet genoeg dat zo’n groot man ze ten minste waarschijnlijk achtte, en ik dacht dat ze beter te lezen zouden zijn op de manier zoals ze er nu staan, dan als ik ze alleen maar als zijn meningen had aangegeven, wat vele onderbrekingen zou hebben veroorzaakt in het betoog. Had ik dit gedaan uit ijdelheid om mezelf te complimenteren of de eer van die belangrijke man te negeren, dan zou ik verstandig genoeg zijn geweest om er nu niet over gerept te hebben. De redenen die ik ervoor had om te doen zoals ik gedaan heb, zijn meer dan een. In de eerste plaats is Bayles lexicon niet gewoon, behalve bij mensen die grote bibliotheken hebben, en het aanhalen ervan zou voor het grootste deel van mijn lezers weinig hebben betekend. Wat de waarheid van de feiten betreft, wat het allerbelangrijkste is, zijn de auteurs en de bewijzen dezelfde als in het lexicon, waar de lezer, als ik ernaar had verwezen, door de daar aangehaalde auteurs op te zoeken er zelf niet beter achter had kunnen komen dan hij nu, zonder verdere moeite, kan doen door te kijken naar wat voor hem ligt. Bovendien stelde ik me voor dat het onplezierig zou zijn, zoal niet walgelijk, om dezelfde naam zo vaak in de voetnoten herhaald te zien, vooral voor degenen die niet op de hoogte zijn van de uitgebreidheid van dat werk.
Ik zal geen verdere verantwoording afleggen voor enig deel van het werk. Ik kan er vele fouten aan ontdekken, meer dan ik weet hoe deze te herstellen zijn. Was het gelijk aan de bedoeling, dan zouden er maar enkele boeken in de wereld bestaan die beter zijn. Daar het onmogelijk is dat ik enig ander doel zou kunnen hebben gehad dan het algemene welzijn, hoor ik, dunkt me, de openhartige lezer zeggen, Wat jammer is het, dat een man met zo’n goede bedoeling niet beter gekwalificeerd is! Dit zal me nooit mishagen en ik benijd niet de mensen met meer intelligentie en grotere genialiteit, hun ongewone capaciteiten, zolang zij zich inspannen hun tegenstanders met laster te beladen, de kwalijke daden en slechtere bedoelingen van hun eigen partij te verbergen en geen kunstgreep achterwege te laten om met een goede zwier onoprecht te zijn.
Wat ik zou rechtvaardigen is niet de kracht van mijn begrip, maar de oprechtheid van mijn wil. Had belang of ijdele roem mijn inspanningen beďnvloed, dan had ik mijn moeite beter aan iets anders kunnen besteden dan aan het heen en weer rennen tussen twee vijanden die iedereen haten die ernaar streeft ze te scheiden.
Ik ken heel goed het gebruikelijke lot van gematigdheid. Zij verschaft je geen vrienden en brengt ook je vijanden niet tot bedaren, en zet een mens als een doelwit voor de twee facties neer die zichzelf in het tegenovergestelde uiterste plaatsen. Maar ik heb nog ergers te vrezen, gelet op de koene waarheden die ik heb gesproken; en velen zullen zich over mijn roekeloosheid verbazen en vragen: Wie is het? Heeft hij een groot vermogen? Welke beroep of bezigheid heeft hij? Is hij ooit van plan te gedijen of echt te leven? Is hij bestand tegen pistolen en stelt hij zich voor dat er geen dolken en ook geen vergif in de wereld bestaan? Ik ben niet onbekend met de risico’s die ik loop, maar wat mijn beduchtheden vermindert is dat ik altijd alleen maar te lijden kan hebben door de onterechte wrok van degenen van wie een groot deel van hun plicht erin bestaat anderen te leren geen wrok te hebben.
In elk geval heb ik een goede daad verricht. Want wanneer iemand het belang en de wereldlijke gelukzaligheid van de natie waarin hij leeft, probeert te bevorderen, zonder nadeel voor enig ander of van het pad van de deugd af te wijken wegen tracht te bedenken om onze verdeeldheden en de ongelukkige bressen tussen partijen te helen, zonder een ander te schaden, door remedies die zowel gemakkelijk als plezierig zijn, die niet alleen niets kosten, maar bovendien een duidelijke veiligheid voor ieders bezit zullen betekenen en allerlei genoegen zal vergroten die een goed mens kan wensen bij het genot ervan.
Wanneer iemand ter verdediging van waarheid en vrijheid schrijft, zonder God te beledigen, de geringste schade aan de overheid of slechte manieren tegenover superieuren; wanneer hij het opneemt voor en maant tot ware godsvruchtigheid, met eenvoudigheid en oprechtheid, zonder fictie of dweperij, zonder laster of het verkeerd voorstellen van zelfs de ergsten, of de minste schijn van vleierij tegenover enige sterveling; wanneer hij, door de sterkte van de soevereine vorsten te versterken, ernaar streeft onenigheid en vijandigheden uit de samenleving te bannen en vrede en eenheid aan alle kerkelijke gemeenschappen aanbeveelt, en ook mensenliefde aan heel de mensheid; wanneer iemand zich van dit alles bewust is, kan hij, zonder enige schade aan zijn eerbaarheid, zijn werk een goede daad noemen, ook al zou dit verder daarnaast geen andere goede eigenschap hebben. Dit is een gedachte waarover hij kan nadenken; hij kan aarzelen, hij kan piekeren en per slot van rekening het zuivere genoegen hebben, zonder zijn werk te vleien of romantische noties eropna te houden, om zich te verbeelden en zichzelf te verzekeren, dat zolang hij bezig is met het nastreven van zulke doeleinden en om zo’n zaak sterft, zijn tijd niet beter besteed kan worden, noch zijn leven op een betere wijze verloren kan gaan.
VRIJE gedachten
over
godsdienst, kerk en volksgeluk
Voorwoord