De Maagd Ontmaskerd,
of vrouwelijke dialogen
tussen een oudere ongetrouwde dame en haar nicht,
over verscheidene vermakelijke verhandelingen
betreffende liefde, huwelijk, biografieën en zeden enz. van deze tijd.
(1709)
Het voorwoord.
Gelukkig is de man die geen andere kennis van boekverkopers heeft dan die je oploopt door in hun winkels het nieuws te lezen en misschien af en toe een boek van hen te kopen. Maar hij die zo ongelukkig is met hen zaken te moeten doen over vertalen, drukken of het publiceren van iets, maakt een ellendige tijd door, en behoort met het geduld van Job begiftigd te zijn.
Enkele dagen nadat ik van deze tekst afstand had gedaan, vroeg mijn boekverkoper mij wanneer ik me met het voorwoord zou bezighouden. Het voorwoord! zei ik, wat bedoel je? Bedoel! zei hij, ik bedoel het voorwoord, het voorwoord voor de lezer. Ik zei hem dat wat hij gekocht had wat mij betreft alles was wat ik de lezer te vertellen had. En dat hij, als hij voor zichzelf daaraan iets wilde toevoegen, de vrijheid had te doen wat hem geschikt leek. Ik laat het aan een onpartijdige beoordelaar over of dit niet fair was tussen twee mannen.
Maar toch scheen de boekverkoper, verre van bevredigd door zo’n redelijk antwoord, erg boos te zijn en drong luid op een voorwoord aan, waarbij hij mij steeds weer zei dat hij nooit eerder van een auteur had gehoord die een voorwoord weigerde; dat het een dwaasheid was hierover te redetwisten; dat hij het boek daarzonder niet zou kunnen verkopen en kortom, dat hij een voorwoord moest hebben. Niet van zins zijnde geïntimideerd en uit mijn werk in een afspraak gebazeld te worden, werd ik op mijn beurt boos en zei hem ronduit dat hij van mij er geen zou krijgen. Het boek was van hem, als hij het niet zou verkopen, zou hij, als hij wilde, er de kachels mee kunnen volstoppen.
Tenslotte trok hij, toen hij zag dat ik zo vastbesloten was en wist dat er geen wet van het parlement was die mensen verplichtte om tegen hun zin voorwoorden te maken, een meer voorkomend gezicht en kwam hij met overtuigingskracht, waardoor ik, omdat die meer invloed op mij hebben dan zijn tamelijk ruwe taal, handelbaarder begon te worden. We gingen naar de taveerne, waar ik, terwijl we over voorwoorden spraken, in een zeer goed humeur raakte en omdat het aan voorwoorden niet mocht ontbreken, hem er twee beloofde, in plaats van één.
De volgende dag, toen ik erover nadacht wat voor een belachelijke belofte ik had gedaan en toch wilde doen wat ik beloofd had, dacht ik over deze uitweg om u te laten weten wat er tussen ons was voorgevallen, en als een wiel in een wiel voor het voorwoord te plaatsen.
Is het mogelijk, zegt de vernuftige criticus, dat een man met iets van hersens zo’n zotskap zou zijn om in het allereerste begin van een boek zulke onzin op te schrijven en,zoals mensen oordelen wanneer zij onwetend zijn van het doel van iemand.
de gek zonder benul of besef uit te hangen. Ik heb een dodelijke antipathie tegen voorwoorden. Hiervan had ik zin mijn lezer op de hoogte te stellen, wat ik, als dit voorondersteld wordt, in aanwezigheid van elke criticus zal verdedigen, namelijk dat ik niets anders heb gezegd dan wat erg ter zake is, d.w.z. te mijner zake, omdat ik vind dat de beste manier waarop een mens de tegenzin van zijn geest tegen een taak kan tonen, is, door bij de uitvoering ervan onbeschaamd te zijn.
Maar waarom, zegt iemand anders, zou je voorwoorden haten? De reden is duidelijk, omdat ik eerlijk ben en er nooit een zag (die van de heiligen uitgezonderd), die niet vol huichelarij en veinzerij zat. Vertellen mensen je ooit in hun voorwoord dat zij voor winst of voor glorie schrijven? En toch is het hoogst zeker, dat zij dit voor of het een of het ander doen, maar in plaats daarvan zullen zij met een overvloed van brutaliteit verklaren dat zij geen ander oogmerk hebben dan het welzijn van de lezer, wat gewoonlijk een afschuwelijke leugen is.
De een zou je willen doen geloven dat hij beter onderlegd en bewuster is dan hij in zijn eigen geweten zelf weet dat hij is. Een ander wijst op enkele van de beste dingen in het boek en bekent dat zij fouten zijn, terwijl hij in diepe stilte aan die dingen voorbij gaat waarvan hij weet dat ze dit werkelijk zijn. Ik was eens bij een schrijver die met dezelfde zaak bezig was als ik nu ben. Hij had een reden voor twee of drie Latijnse woorden, maar geen ervan goed kennend, rende hij naar zijn woordenboek om te zien wat het geslacht ervan was. Ik neem het hem niet kwalijk, dat hij profiteert van het werk van iemand anders, maar denk je niet dat hij, als hij dit in zijn voorwoord had gezet, van te voren opgehangen zou zijn?
Daarom geloof me, beste lezer, geen integer mens kan van een soort schrijven houden waarin mensen tot nu toe het niet passend hebben gevonden om de echte gevoelens van hun gemoed uit te spreken. Als ik mijn gang had kunnen gaan, zou dit het eerste zijn geweest, en ik zal je zeggen hoe.
Sinds deze dialogen zijn geschreven heb ik een heleboel fouten in de opzet, taal en vele andere dingen gevonden waarvan ik van plan was een catalogus te maken en u dit voorin te laten zien, met dezelfde openheid als de drukker die van hem er achterin heeft toegegeven. Maar, zegt de wereldsgezinde boekverkoper, wat bedoel je? Heb je de bedoeling het boek af te kraken? Welke sterveling die vooraf zoveel fouten ziet en zoveel errata achteraf, zal zo’n dwaas zijn om geld te betalen voor het middengedeelte dat ze bevat? Zo ziet u, welwillende lezer, dat mijn handen gebonden zijn.
Het volgende dat ik bedacht, was alles weg te halen wat tussen u en mij misverstanden zou kunnen scheppen, want hoewel ik u heel graag mijn fouten had laten zien, voel ik er even weinig voor dat u die dingen als fouten zou opvatten, die het in werkelijkheid niet zijn. Maar nu heb ik mijn kans voorbijgepraat om het te doen zoals ik moest doen. Maar sta me toe, omdat het voorwoord, denk ik, nog niet lang genoeg is om de boekverkoper te behagen, u enkele waarschuwingen te geven, die ik zo beknopt mogelijk zal uitvoeren.
Wanneer u in de eerste dialoog iets ruws en misschien erg onaangenaams voor de dames tegenkomt, schort uw oordeel op totdat u bij de tweede komt, want daar zult u merken dat wat Lucinda eerder tegen haar nicht heeft gezegd, slechts een sofistische manier van argumenteren was om een jonge, mooie dame haar waan over zichzelf te ontnemen, in de hoop haar nonchalant te maken ten aanzien van haar eigen charmes.
Sommige mensen slaan ergens een boek open en gooien het opzij nadat ze er enkele regels van hebben gelezen. Daarom zou ik wensen dat u, als u op de verdorven sofisterij van Dorante zou stuiten, een beetje verder gaat om te zien hoe zijn noties worden verafschuwd, zowel door de tante als de nicht.
Mijn bedoeling door het geheel heen is jonge dames te laten weten wat er vreselijk aan een huwelijk is, en dit kan alleen gedaan worden door iemand op te voeren die er een vijand van was. Denk daarom niet dat hoewel Lucinda zich helemaal tegen de huwelijkse staat uitspreekt, ik dit ook doe.
Ik verwacht bekritiseerd te worden omdat ik vrouwen over de politiek laat praten, maar let er ten eerste op hoe weinig Antonia over deze zaak zegt en ga daarna karakter van Lucinda na. Erasmus behandelt in zijn Ichthuophagia meer duistere zaken dan ik in enig deel van de dialogen doe, en toch zijn zijn personages naar alle waarschijnlijkheid minder ontwikkeld dan die van mij, want de een is slager en de ander visverkoper.
Maar omdat ik het verhaal van Leonora onvoltooid laat, mag u verwachten dat ik van plan ben door te gaan.
B.M.
De Maagd
Ontmaskerd
voorwoord
Gewijzigde titel , een druk van 1714, zelfde drukker als de eerste uitgave.
Tweede editie
van 1731.