Een onderzoek naar

de oorsprong van de eer

en

het nut van christelijkheid bij oorlog.

(1732)

Voorwoord

 

Ik acht het vanzelfsprekend dat een christen niet gehouden is te geloven dat iets een goddelijke instelling is dat niet als zodanig verkondigd is in de heilige schrift. Toch is er, ondanks de grote zorgvuldigheid waarmee het is geschreven, grote aanstoot genomen aan een essay in het eerste deel van De fabel van de bijen, getiteld Een onderzoek naar de oorsprong van de zedelijke deugd. Sindsdien wordt het misdadig gevonden te vermoeden dat zelfs de heidense deugd een menselijke uitvinding was. De lezer zal in de volgende dialogen merken dat ik volhard in de mening dat dit wel het geval was. Ik verzoek hem het geduld op te brengen om door te lezen wat ik op dit punt ter verdediging aanvoer; wat alles is waarmee ik hem hier lastig zal vallen.

Het woord zedelijkheid is óf synoniem met deugd, óf betekent dat onderdeel van de filosofie dat deze behandelt en leert hoe de zeden zijn geregeld, en met de woorden zedelijke deugd bedoel ik hetzelfde als wat, geloof ik, ieder ander daarmee wil zeggen. Ik ben er ook geheel van overtuigd dat het veel beter is om onszelf in overeenstemming met de stem van de rede te besturen dan ongeremd of onbeheerst aan de hartstochten toe te geven, en dat deugd dus heilzamer is dan ondeugd, niet alleen voor de vrede en het echte geluk van een samenleving in het algemeen, maar ook voor de wereldse gelukzaligheid van elk individueel lid ervan, los van de overdenking van een hiernamaals. Ik ben er bovendien van overtuigd dat alle wijze mensen altijd deze zelfde mening hebben gehad en zullen hebben. Ik zal nooit iemand tegenspreken die het fijn vindt dit een eeuwige waarheid te noemen.

Nu ik zo veel heb erkend en bekend, vraag ik toestemming om een korte, grammaticale overdenking te wijden aan de geluiden of letters, waarvan we gebruik maken om dit redelijke bestuur van onszelf uit te drukken. Want ook al is de waarheid van hun voortreffelijkheid eeuwig, de woorden zedelijke deugd zelf zijn dit niet, evenmin als de spraak of de mens zelf. Sta me daarom toe na te gaan welke de meest waarschijnlijke manier  is waarop zij in de wereld zijn gekomen.

Het woord moreel komt zonder twijfel van mos en betekent alles wat verband houdt met de zeden. Het woord ethiek is synoniem met moreel en is afgeleid van eqox in het Grieks, dat precies hetzelfde betekent als mos in het Latijn. Het Grieks voor deugd is areth, dat is afgeleid van arhx, god van de oorlog, en betekent eigenlijk krijgsdeugd. Hetzelfde woord in het Latijn komt, als we Cicero geloven, van vir. De echte betekenis van het woord virtus is standvastigheid. Het is nauwelijks voor te stellen dat er bij de eerste vorming van alle samenlevingen geen strijd om de hegemonie is geweest. In het prille begin van de naties moeten sterkte en moed een tijdlang de meest waardevolle eigenschappen zijn geweest. Daarom denk ik dat virtus in zijn eerste, algemeen aanvaarde betekenis heel terecht en juist in het Nederlands zou kunnen worden vertaald als mannelijkheid, dat de oorspronkelijke bedoeling ten volle uitdrukt en net als in het Latijn de etymologie laat zien. Wie van die taal op de hoogte is, zal weten dat het enkele eeuwen duurde voordat de Romeinen het in een andere zin gebruikten. Ja, tot op de dag van vandaag heeft het woord virtus op zichzelf bij al hun geschiedschrijvers dezelfde betekenis, alsof het woord bellica eraan is toegevoegd. Wij hebben reden te denken dat in het begin met virtus alleen dapperheid en onversaagdheid werden bedoeld, gunstig of ongunstig, want anders was het nooit woestheid en dierlijke moed gaan betekenen, zoals Tacitus het woord duidelijk in die zin gebruikt in het vierde boek van zijn geschiedenis. Zelfs wilde beesten, zegt hij, zullen, als je ze blijft opsluiten, hun wreedheid verliezen. Etiam fera animalia, si clausa teneas, virtutis obliviseuntur.

Waarop de grote mannen van Rome zich beroemden, was actieve en passieve moed, krijgshaftige deugd die heel sterk  wordt uitgedrukt in de woorden van Livius: et facere et pati fortia Romanum est. Maar behalve de overweging van het grote nut dat deze deugd voor alle strijders heeft, bevindt er zich in de aard van de zaak zelf een zeer goede reden waarom deze een veel hogere achting moet krijgen dan welke andere ook. De hartstocht waartegen de deugd moet strijden, is de hevigste en koppigste en derhalve de moeilijkste om te overwinnen: de vrees voor de dood. Het geringste conflict daarmee is gestreng werk en een moeilijke taak. Het is met het oog hierop dat Cicero in zijn Offices, bescheidenheid, gerechtigheid en gematigdheid de zachtere en gemakkelijkere deugden noemt. Qui virtutibus his lenioribus erit ornatus, modestia, justitia, temperantia, enzovoort. Gerechtigheid en gematigdheid vereisen belijders die even ernstig als plechtig zijn en ze eisen evenveel striktheid en naleving als elke andere deugd. Waarom dan lenioribus, behalve dan dat zij milder en zachter zijn in de beperking die zij onze geneigdheden opleggen en dat de zelfverloochening die zij vereisen, beter doenlijk en minder kwellend is dan die van de deugd zelf, als deze in haar eigenlijke en echte betekenis wordt opgevat? Om rechtvaardig of gematigd te zijn, moeten we verleidingen het hoofd bieden en moeilijkheden, die lastig zijn, overwinnen. Maar de inspanningen die we gedwongen zijn onszelf op te leggen om waarlijk moedig te zijn, zijn oneindig groter. Te dien einde moeten we de eerste, de sterkste en meest duurzame hartstocht die in ons is geplant, overwinnen. Want hoewel we veel dingen mogen haten en er instinctief een weerzin tegen hebben, is er toch niets zo algemeen vreselijk en zo algemeen ontzettend voor alle schepselen, redelijke en niet redelijke, als de ontbinding van hun wezen.

Na ampele overweging van wat gezegd is, zal men zich gemakkelijk kunnen voorstellen hoe en waarom, weldra nadat standvastigheid met de naam van deugd was vereerd, alle andere vormen van een overwinning op onszelf werden onderscheiden met dezelfde titel. We kunnen hierin ook de reden zien van wat ik altijd zo fervent heb volgehouden, namelijk dat geen gewoonte, geen daad of goede eigenschap, hoe nuttig of weldadig deze op zichzelf ook mag zijn, waarbij er geen tastbare zelfverloochening te zien valt, strikt genomen ooit de naam van deugd kan verdienen. In de loop van de tijd kreeg het woord virtus een nog grotere speelruimte en betekende het waarde, kracht, gezag en allerlei soorten goedheid. Plautus gebruikt het voor bijstand. Virtute deum, met de hulp van de goden. Langzamerhand werd het niet alleen toegepast op dieren, est in juvencis, est in equis patrum, maar ook op onbezielde dingen. Het werd gebruikt om de kracht en bijzondere eigenschappen van allerlei gewassen en mineralen uit te drukken, zoals tot op de dag van vandaag gebeurt: de deugd van magnetiet, de deugd van opium, enzovoort. Het is zeer waarschijnlijk, dat in het Grieks of Latijn nooit aan het woord zedelijk werd gedacht voordat de betekenis van het woord deugd zover buiten zijn grondbetekenis was uitgebreid. En daarna werd het, bij het spreken over de deugden van onze soort, noodzakelijk om dat bijvoeglijke naamwoord toe te voegen, om zo het verband aan te duiden dat zij met onze zeden hadden en om ze te onderscheiden van de eigenschappen en kracht van planten, stenen enzovoort die ook deugden werden genoemd.

Als ik het mis heb, zal ik graag een betere verklaring horen hoe dit bijvoeglijke en zelfstandige naamwoord bij elkaar zijn gekomen. Ondertussen ben ik er heel zeker van dat er in mijn veronderstelling niets gedwongens of geforceerds zit. Dat de woorden in de loop van de tijd van groter belang zijn geworden, ontken ik niet. Aan de woorden kloen en vilein zijn smadelijke betekenissen verbonden die colonus en villanus, waarvan ze ongetwijfeld werden afgeleid, nooit hebben gehad. Zedelijk kan nu, voorzover ik weet, op dezelfde manier en om dezelfde reden deugd betekenen als paniek vrees betekent.

Dat deze interpretatie of mening van mij afbreuk zou doen aan de waardigheid van de zedelijke deugd of een strekking zou hebben om deze in diskrediet te brengen, kan ik niet inzien. Ik heb al toegegeven dat zij naar de mening van wijze mensen altijd de voorkeur verdiende en zal blijven verdienen boven ondeugd. Maar zonder een eigenaardig overdrachtelijke manier van spreken is het niet mogelijk de deugd zelf eeuwig noemen. Er bestaat geen twijfel over dat alle wiskundige waarheden eeuwig zijn, maar toch zijn ze aangeleerd. Sommige ervan zijn erg duister en de kennis ervan wordt nooit verkregen zonder hard te werken en diep na te denken. Euclides had zijn verdienste en het schijnt niet dat de leer van de differentiaalrekening bekend was voordat Sir Isaac Newton die bondige manier van berekenen ontdekte. Het is niet onmogelijk dat er een andere, nu nog onbekende methode zou zijn, een nog beknoptere, die misschien in dit millennium niet ontdekt zal worden.

Alle niet tot een tijd of plaats beperkte beweringen die eenmaal waar zijn, moeten dit altijd zijn, zelfs als het om de dwaaste en verachtelijkste dingen ter wereld gaat. Bijvoorbeeld dat het verkeerd is om schapenvlees onvoldoende te braden voor mensen die ervan houden hun vlees goed doorbakken te eten. De waarheid hiervan, het meest onbeduidende ding dat ik zo snel kan bedenken, is net zo eeuwig als die van de meest verheven deugd. Als je me vraagt waar deze waarheid zich bevond voordat er schapen waren of mensen om ze te bereiden en te eten, antwoord ik: op dezelfde plaats waar kuisheid zich bevond voordat er schepselen waren die een begeerte hadden om hun soort voort te planten. Dit herinnert me aan de onbezonnen ijver van sommige mensen, die zelfs bij de metafysica niet weten hoe ze abstract moeten denken en die het niet kunnen nalaten hun eigen armzaligheid en zwakzinnigheden te vermengen met de ideeën die zij zich over het Opperwezen vormen.

Er is geen deugd met naam en toenaam of zij beteugelt, reguleert of onderdrukt een of andere hartstocht die specifiek is voor de menselijke natuur. Voor een uitspraak dat dat God alle deugden tot in de hoogste mate van volmaaktheid bezit, is daarom evenzeer de verontschuldiging nodig dat het een uitdrukking is die aangepast is aan volkse vermogens, als wanneer er gezegd wordt dat hij handen en voeten heeft en boos is. Want aangezien God geen lichaam heeft en ook iets anders dat lichamelijk is niet tot zijn wezen behoort, is hij helemaal vrij van hartstochten en zwakheden. Hoe gepast is het dan om iets dat uitgevonden is, of althans een sterkte of bekwaamheid betekent om hartstochten en zwakheden te overwinnen en te besturen, aan hem toe te schrijven? De heiligheid van God en al zijn volmaaktheden behoren, evenals de zaligheid waarin hij bestaat, bij zijn aard, en er is geen andere deugd dan die welke verworven is. Het betekent niets om eraan toe te voegen dat God die deugden in de hoogste volmaaktheid bezit. Laten ze, wat de volmaaktheid betreft, zijn wat ze zijn, ze moeten nog steeds deugden zijn waarvan het om de eerdergenoemde redenen schaamteloos is ze aan de godheid toe te schrijven. Onze gedachten over God moeten hem zo waardig zijn als we ze maar enigszins kunnen formuleren. Aangezien zij ten opzichte van zijn grootheid niet evenmatig kunnen zijn, behoren zij op z'n minst ontdaan te zijn van alles wat tot de malle, kruipende mens behoort of kan behoren. Wanneer we toch over een onderwerp durven spreken dat zo onmetelijk ver buiten ons bereik ligt, is het voldoende om te zeggen dat er in de goddelijke aard een volmaakte en volledige goedheid bestaat, die niet alleen de hoogste volmaaktheid die de deugdzaamste mensen kunnen bereiken, oneindig ver overschrijdt, maar ook alles wat stervelingen erover kunnen bedenken.

Ik beveel de voorgaande alinea aan in de aandacht van de pleitbezorgers van de eeuwige en goddelijke oorsprong van de deugd, en ik verzeker hun dat als ik het mis heb, dit niet te danken is aan enige dwarsheid van mijn wil, maar aan gebrek aan verstand.

De mening dat er geen deugd kan zijn zonder zelfverloochening, is voor een samenleving nuttiger dan de tegenovergestelde leer, die de deur wagenwijd openzet voor hypocrisie, zoals ik in extenso heb laten zien. Toch ben ik bereid toe te geven dat mensen zich een gewoonte van deugd eigen kunnen maken, zodat zij deze praktiseren zonder zich van de zelfverloochening bewust te zijn, en zelfs dat zij plezier hebben in daden die voor de ondeugdzame mensen onuitvoerbaar zouden zijn. Maar dan is het duidelijk dat deze gewoonte het resultaat is van list, opvoeding en gebruik, en dat zij nooit daar werd verworven waar de overwinning op de hartstochten niet al tot stand was gebracht. Er is geen deugdzame man van veertig die zich niet het gevecht met sommige begeerten herinnert dat hij voerde voordat hij twintig was. Hoe natuurlijk lijken alle hoofsheden te zijn voor een gentleman! Toch was er een tijd dat hij niet zijn buiging zou hebben gemaakt als hem dit niet was bevolen.

Wie Mensen spreken niet om begrepen te worden heeft gelezen, zal zien dat ik in deze dialogen van dezelfde personen gebruik maak die daarin de gesprekspartners waren en van wie de karakters al in het voorwoord van dat boek zijn geschetst.

 

 

 

 

 Zie ook het artikel

 

De psychiater Bernard Mandeville over eer, twist en christelijkheid

 

 

Een onderzoek naar

 

De Oorsprong van de eer

 

en

 

Het nut van christelijkheid

 

Bij  oorlog

 

 

voorwoord