Begin april 2006 is verschenen De wereld gaat aan deugd ten onder. Hieronder staat de inhoud vermeld. Dit boek bevat een representatieve selectie om met Mandeville kennis te maken.

 

Zie verder ook www.lemniscaat.nl.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Filosofie Magazine, april 2006.

Omslag  ‘De mythe van de calculerende burger, alleen de overheid gelooft er nog in’.

 

Omslagartikel van Peter Henk Steenhuis,

Alleen de overheid gelooft nog in de calculerende mens.

Een 6-delige serie over Bernard Mandeville in TROUW.

 

 

Nr.1. 30-03-2006: Hans W. Blom, Alleen vleierij vloert de koppigste der dieren.

Nr.2. 06-04-2006: Rick van der Ploeg, Ondeugd redt de economie.

Nr.3. 13-04-2006: Arne C. Jansen, De mensduivel staat op de kansel.

Nr.4. 20-04-2006: Hans Achterhuis, De korf bloeit niet door deugd.

Nr.5. 27-04-2006: Matthijs van Boxsel, Domheid en beschaving.

Nr.6. 04-05-2006: Frits Bolkestein, Ondeugd kan tot weldaden leiden.

 

                  .

Verzameld Werk, deel I

 

 

 

Bernard Mandeville

 

 

De wereld gaat

aan deugd ten

onder

 

 

 

 

 

LEMNISCAAT

 

VPRO Radio ‘De Avonden’, 10-04-2006.

 Wim Brands in gesprek met Arne C. Jansen over Bernard Mandeville.

 Aflevering 15 van 2006, is nog te beluisteren op

 http://www.vpro.nl/programma/ deavonden/afleveringen/26337669/

 

           Bernard Mandeville

 

           De wereld gaat aan deugd ten onder

 

           INHOUD

 

1. Inleiding – door Arne C. Jansen

 

2.       De fabel van de bijen, of  Particuliere ondeugden, publieke weldaden

 

2.1 Voorwoord

2.2 De morrende korf, of Eerlijk geworden schurken

2.3 Een onderzoek naar de oorsprong van zedelijke deugd

2.4 Een essay over menslievendheid en armenscholen

2.5 Op zoek naar de aard van de samenleving

 

3.       Een bescheiden verdediging van openbare bordelen, of  Een essay over de hoererij zoals zij nu in

deze koninkrijken wordt bedreven

 

3.1 Opdracht

3.2 Voorwoord

3.3 Een bescheiden verdediging, etc.

 

4.       Twee Rotterdamse pamfletten

 

4.1 Schijnheylig Atheist

4.2 Schijnheyl’ge Nievelt

 

5.       Het leven van Bernard Mandeville (1670-1733) – door Arne C. Jansen

 

6.       Bibliografie

6.1 De werken van Bernard Mandeville

6.2 Literatuur over Mandeville in het Nederlands

6.3 Internationale literatuur over Mandeville

 

7.       Noten

8.       Dankwoord

 

ISBN: 90-5637-797-3.

Uitgever: Lemniscaat, Rotterdam.

2006

Bernard Mandeville, enkele actuele thema’s.

 

a) De historie van de mensheid: een historie van ikken.

b) Alle mensen worden omwille van zichzelf met de hartstocht van de zelfvoorkeur geboren.

c) De zelfmoordenaar bedoelt aardig te zijn ten opzichte van zichzelf.

d) De oorzaak van godsdiensttwisten is zelfvoorkeur.

e) Politici die klagen, zijn ongeschikt.

f) Structurele armoede is een kwestie van slecht bestuur, en veel armen zijn een zegen.

g) Het enige dat filantropie helpt, is slecht bestuur.

h) De vriendelijkheid jegens vrouwen verschilt niet van de menslievendheid jegens armen.

  i) Wat Bernard Mandeville NIET schreef en ook NIET bedoelde.

 

a) De historie van de mensheid: een historie van ikken.

    Mandeville biedt geen ideologisch perspectief. Hij is geen theocraat, humanist, rationalist, anarchist, liberalist of neo-liberalist, kapitalist, utilitarist, socialist, communist of fascist. Tijdens de tegenwoordige trend van een deels schijnbare ontideolisering heeft zich iets merkwaardigs voorgedaan. Het is mode geworden van een ik-tijdperk te spreken. Dit is buitengewoon dom, in de zienswijze van Mandeville: ‘We komen dagelijks duizenden tegen om ons ervan te overtuigen dat de mens alles in zichzelf concentreert en noch liefheeft noch haat behalve omwille van zijn eigen belang. Elk individu is een kleine wereld op zichzelf en alle schepselen proberen -- zover als hun verstand en vermogens hun zullen toestaan -- dat Zelf gelukkig te maken. Dit is bij hen allemaal de voortdurende krachtsinspanning en schijnt de hele bedoeling van het leven te zijn. Daaruit volgt dat de mensen bij de keuze van dingen bepaald moeten zijn door de voorstelling die zij van geluk hebben en geen persoon kan een handeling verrichten of eraan beginnen die voor hemzelf op die dan tegenwoordige tijd niet de beste lijkt te zijn.’ Met andere woorden, de hele geschiedenis van de mensheid is één ikken-tijdperk, omdat dit niets anders kan en het nooit anders geweest is. Wat mensen ‘samenleving’ noemen, zijn spontaan groeiende gewoontes die door opvoeding en onderwijs tussen de oren zitten. Zie hiervoor ook de pagina Meesterbrein.

 

b) Alle mensen worden omwille van zichzelf met de hartstocht van de zelfvoorkeur geboren.

      Elk individu is een wereld op zichzelf, maar ieders individuele wereld is tegelijk een vat vol tegenstrijdigheden en ongerijmdheden. En soort zoekt soort.‘Het is niet onwaarschijnlijk dat deze grote voorkeur die schepsels voor het eigen individu hebben, het principe is waarop de liefde voor hun soort is gebouwd. Koeien en schapen, te dom en futloos om enig bewijs van hun voorkeur te leveren, leven in kuddes samen en eten samen, elk met zijn eigen soort, omdat geen andere net zo is zoals zijzelf. (…)Soort zoekt soort, en ik durf te zeggen dat de kerkuil zijn eigen roep beter bevalt dan die van een nachtegaal.’

Alle mensen worden omwille van zichzelf met zelfvoorkeur geboren. De handelingen die deze zelfvoorkeur voortbrengt, kunnen volgens anderen lofwaardig zijn en tot bijval leiden, maar evengoed tot afkeuring en kwade wil van weer anderen. Bij kleine kinderen kan de zelfvoorkeur al worden waargenomen zodra zij zich bewust beginnen te worden en beginnen na te denken, vaak voordat zij kunnen spreken of lopen.

De keuzes van hoe te behagen en hoe te mishagen zijn de inhoud van de beschaving of cultuur. Uitingen en gevoelens van meerderwaardigheid, gelijkwaardigheid, minderwaardigheid en onwaardigheid zijn gevolgen van die ene oorzaak, de zelfvoorkeur, de gunstige mening die iedereen van nature over zichzelf heeft. Hoe en in welke mate de zelfvoorkeur wordt ontkend, verwrongen en toegelaten, wordt aangeleerd. Hoe meer de zelfvoorkeur wordt ontkend en verdraaid door idealen en modes, hoe minder zelfinzicht.

 

c) De zelfmoordenaar bedoelt aardig te zijn ten opzichte van zichzelf.

      Een onderdeel van de cultuur is ook hoe mensen zo ver te krijgen dat ze hun angst voor de dood overwinnen, bijvoorbeeld door noties van eer en lafheid. Gaan we een stap verder dan komen we bij het verschijnsel zelfmoord. Zelfvoorkeur, aldus Mandeville, verklaart ook de zelfmoord. ‘Niets lijkt zo zeker te zijn dan dat wie zichzelf door eigen keuze doodt dit moet doen om iets te vermijden dat hij meer vreest dan de dood die hij kiest. Daarom is er, hoe absurd de redenering van een persoon ook mag zijn, bij elke zelfmoord een zonneklare intentie van aardig-zijn ten opzichte van iemands zelf.’ Hoe absurd de redenering van een persoon zelf ook mag zijn, of het nu om mensen die zichzelf waardeloos zijn gaan vinden of om kamikazes en zelfmoordterroristen gaat, zij bedoelen dus vriendelijk te zijn voor zichzelf.

Als de zelfvoorkeur het mogelijk maakt tot de totale beëindiging van de lichamelijke functies over te gaan, dus tot zelfontbinding, hoeveel eerder zal zij mensen ertoe kunnen brengen een of meer gewone lichamelijke functies te manipuleren of uit te stellen. Dit kan bewust gebeuren, maar ook onbewust. Voorbeelden zijn hongerstakers en celibatairen, mensen met eetstoornissen en allerlei verslaafden.

 

d) De oorzaak van godsdiensttwisten is zelfvoorkeur.

      Het patroon van actie en reactie blijkt in geval van godsdienstgeschillen altijd en overal hetzelfde te zijn, aldus Mandeville. ‘Ik bewijs dat de staatskerken niet erkennen dat de scheurmakers oprecht in hun mening zijn, hoe zij er ook voor boeten; dat degenen die werden vervolgd, zodra hun sekte de overhand heeft en zij ertoe in staat zijn, anderen die met hen van mening verschillen net zo behandelen als zij daarvoor zelf waren behandeld.’

Het echte probleem is dat men elkaars oprechtheid betwist. ‘Vrees en achterdocht kunnen ervoor zorgen dat mensen in devoties vluchten die totaal onlogisch zijn, en een scherp oordeelsvermogen kan gewetensbezwaren hebben die anderen niet kunnen snappen, maar toch handelen beiden oprecht aldus Mandeville.

Bij zijn verklaring wijst hij op de werking van de zelfvoorkeur: ‘Bijna alle mensen zijn zo verknocht aan en zo hardnekkig verzot op hun eigen mening en een leer waarmee zij vanaf hun wieg zijn doordrenkt, dat zij niet kunnen geloven dat iemand die hiervan op de hoogte is, oprecht is, wanneer hijzelf weigert dit te aanvaarden. Dit geldt bij alle godsdiensten, de islam en de belachelijkste van de heidenen niet uitgezonderd.’

Feitelijk valt over godsdienst niet meer te twisten dan over smaak.

 

e) Politici die klagen, zijn ongeschikt.

Juist doordat mensen door hun zelfvoorkeur worden gedreven, is een samenleven alleen mogelijk als dit wordt bestuurd. Goede bestuurders moeten bekwame politici zijn, d.w.z. pragmatisch en rekening houdend met de natuur van de mensen die de samenleving vormen.

Bestuur is minutieus, saai handwerk, zoals al het werk dat moet gebeuren. Bestuurders kunnen stratenmakers niet overtreffen in populariteit. Tijdens hun corvee, ambtshalve dus, hebben zij te maken met klagers, over wie Mandeville zich in zijn algemeenheid heeft uitgesproken. ‘Ik duid verscheidene groepen mensen aan waarvan het gemopper geen aandacht verdient en besluit dat het onze eigen schuld is als we niet gelukkig zijn’.

Niet-gelukkig zijn is een kwestie van gebrekkig zelfinzicht. Klagers kunnen slechts de oplossing bij zichzelf zoeken. Een klager is geen bekwame politicus ten aanzien van zichzelf. Maar wat te denken van ambtshalve politici die zich als klagers manifesteren? Over elkaar, wat niet ongebruikelijk is, maar vooral, al dan niet in koor, over degenen die de samenleving vormen, zoals zij die een kloof tussen ‘de politiek’ en ‘de burger’ ervaren of die normen en waarden willen bijbrengen, als kroegbazen die achter de verkeerde toog staan. Een klagende politicus is even ongeschikt als een trainer die over zijn selectie klaagt.

 

f) Structurele armoede is een kwestie van slecht bestuur, en veel armen zijn een zegen.

    Bij armoede maakt Mandeville een wezenlijk onderscheid tussen structurele armoede in een samenleving en de houding van mensen ten opzichte van armen.

Structurele armoede is een kwestie van geen of slecht bestuur in de betreffende samenleving. Naarmate een samenleving minder egalitair is, dus meer een samenleving van standen en kasten, is er meer armoede. De vermindering van deze structurele armoede is alleen mogelijk door een goed bestuur van de betreffende samenleving, waarbij het uitgangspunt moet zijn dat iedereen werk heeft die kan werken, geheel of gedeeltelijk en voor zover nodig aangepast. Passend werk voor iedereen. De wetgever moet ervoor zorgen dat armen werk krijgen, aldus Mandeville. De reden waarom armen werk moeten hebben, heeft te maken met het beroerde effect dat gedwongen werkloosheid op de zelfvoorkeur van mensen heeft.

De welvaart van een samenleving kan daarbinnen niet gelijk over iedereen verdeeld zijn. In een egalitaire samenleving zonder structurele armoede zijn er ook armen. Maar zij hebben het volgens Mandeville in een egalitaire samenleving verhoudingsgewijs veel beter hebben dan in een standenmaatschappij. Ook overscholing is een groot probleem, als er geen passend werk is. De verwachtingen en behoeften als gevolg van deze overscholing kunnen zij niet bevredigen, doordat ze het geld niet kunnen verdienen dat er voor nodig is. En krik je de scholing van iedereen op dan zijn er geen mensen meer die het noodzakelijke werk willen en kunnen doen dat onaangenaam en zwaar is. Niet-armen vertikken dit. Dan zijn er buitenlanders nodig om dat werk tegen een lager loon op te knappen of dit wordt naar landen verplaatst waar men het goedkoper kan uitvoeren. Daarom, betoogt Mandeville, zijn veel armen een zegen.

 

g) Het enige dat filantropie helpt, is slecht bestuur.

De christelijke kerk heeft de ontwikkeling van de welvaart en voorspoed niet kunnen tegenhouden. Terwijl Mandeville een alleszins brave borst is, kan ook hij bij zichzelf geen enkele christelijke deugd ontdekken. Dat klopt, want beschaafd zijn heeft niets met christelijkheid te maken. Van de vrome idealisten, van fundamentalisten, mogen vreugde en welvaart niet, hoewel zij graag ervan profiteren. Omdat zij koste wat het kost toch ogenschijnlijk gelijk willen hebben, vonden zij armzaligheid uit. Dit is ‘een redeloze stemming van kleingeestige verering van de armen, die ontstaat uit een mengsel van medelijden, dwaasheid en bijgeloof’. De vormgeving van deze verering is zeer gevarieerd. We zien beroepsmatig gespeelde armoede door geestelijken, blijvende en tijdelijke ontzegging van wat natuurlijk, aangenaam en mogelijk is, zoals celibaat, geen tv, vasten, monotone kleding, geen of zeurderige muziek en het afkeuren van consumptief gedrag. Geïndoctrineerd met deze armzaligheid kan de klant nauwelijks een supermarkt uit komen lopen zonder een winkelwagen beladen met schuldgevoel. Daarom is de winkeluitgang een geliefde plek om hinderlijk te bedelen. ‘Dus tallozen geven vanuit hetzelfde motief geld aan bedelaars als waarom zij hun likdoornsnijder betalen: om gemakkelijk te lopen.’

Mandeville legt uit dat ook mensen die zich menslievend en filantropisch gedragen, dit uitsluitend doen om wille van hun eigen zelfvoorkeur. De armen zijn voor hen objecten, die passief en afhankelijk zijn en dit moeten blijven. Hun dankbaarheid moet eeuwig zijn. Het echte effect van liefdadigheid is dat aan arme mensen de mogelijkheid wordt ontnomen op hun eigen manier, en in het bijzonder door arbeid, hun behoefte aan eigenwaarde te genereren. Filantropie is een vorm van onderdrukking. Het enige dat zij helpt, is slecht bestuur. En zij houdt zichzelf zo in stand. Wat de bedrijvers van liefdadigheid doen, is bovendien een projectie van henzelf. Zij menen dat ze beter zijn doordat ze het in materieel opzicht beter hebben. Maar kunnen zij dit beter-zijn beoordelen?

 

h) De vriendelijkheid jegens vrouwen verschilt niet van de menslievendheid jegens armen.

      De positie van de vrouwen komt met die van de armen overeen. ‘In het paradijs stonden man en vrouw op dezelfde voet, maar zie wat ze met ons gedaan hebben.’ Mandeville bekritiseert hier de onderdrukking van de vrouw door het christelijke kerken. Kerken zijn overwegend mannenbolwerken. Ook nu nog onderdrukt praktisch elke godsdienst de vrouwen in meerdere of mindere mate.

Op een algemeen verweer dat vrouwen in Engeland zeer respectvol en aardig wordt behandeld, komt Mandeville met een psychologische antwoord vanuit de zelfvoorkeur. ‘Het is dat respect en die vriendelijkheid die ik haat, wanneer dit alleen maar in uiterlijk vertoon bestaat.’ De vermeende vriendelijkheid jegens vrouwen is in haar oorzaak en gevolg niet anders dan de menslievendheid die aan armen wordt betoond. Het doel van de man respectievelijk rijkere is zichzelf op een voetstuk te plaatsen door de vrouwelijke respectievelijk arme mens te kleineren met de opzet dat ze zichzelf minderwaardig gaan vinden.

Zijn vrouwen volgens Mandeville gelijk aan mannen? Nee, de vrouwen zijn van nature superieur. Dat vrouwen zo weinig aan de kunsten en wetenschappen hebben bijgedragen is een gevolg van de gewoonte en sociale rollen, en niet van aangeboren talent. En wat zij desondanks wel hebben gepresteerd, krijgt in de geschiedschrijving geen aandacht: ‘want jullie mannen zijn zulke kwaadaardige schepselen dat jullie de geschiedschrijving voor jullie zelf hebben gemonopoliseerd en dat als iemand een vrouw meer dan gewoon heeft geprezen, er op wordt gelet  dat een ander haar in dezelfde mate kleineert’.

 

 

i) Wat Bernard Mandeville NIET schreef en ook NIET bedoelde.

        Wie Bernard Mandeville zelf leest zal ontdekken dat er over hem veel onzin is en wordt geschreven. Daargelaten degenen die over Bernard Mandeville schrijven zonder hem gelezen te hebben, of maar half, ligt dit als het om niet-Nederlanders gaat zeker ook aan onbekendheid met of hekel aan de Nederlandse poortersmentaliteit, die eerder is behandeld. De bedoelde onzin heeft de belangrijke Mandeville-onderzoeker F.B. Kaye, die overigens zelf ook met vraagtekens bleef zitten, aanleiding gegeven op te merken, dat het even belangrijk is te zeggen wat Bernard Mandeville niet bedoelde als wat hij wel bedoelde. Zijn opsomming van negatieve beweringen om de lezer allerlei verwarring te besparen, volgt hier.

 

· “Mandeville geloofde niet dat alle ondeugd een publieke weldaad is; hij had de tegengestelde opvatting - dat alle weldaden fundamenteel gebaseerd zijn op daden die (volgens zijn strikte definitie) ondeugdzaam zijn.

· Hij geloofde niet dat je nooit het juiste van het verkeerde zou kunnen onderscheiden.

· Hij geloofde niet dat deugd willekeurig uitgevonden was.

· Hij ontkende niet het bestaan van meevoelende emoties zoals medeleven, maar weigerde enkel ze onzelfzuchtig te noemen.

· Hij ontkende niet het bestaan van wat gewoonlijk deugd wordt genoemd, maar beweerde alleen dat dit geen ware deugd was.

· Hij geloofde niet dat alle buitensporigheid en verspilling goed voor de staat was.

· Hij geloofde niet dat ondeugd aangemoedigd zou moeten worden, maar enkel dat sommige ondeugden door het kundige management van een bekwame politicus in publieke weldaden kunnen worden verkeerd.

· En tenslotte (…) bedoelde hij niet dat het even letterlijk moest worden genomen als een verhandeling over het wiskundig rekenen, maar het ook bedacht voor wat het met succes bereikt, ‘de verstrooiing van de lezer’.

 

Aanvullingen:

 

· Hij beschouwde welvaart niet als een product van ontevreden mensen.

· Hij kent geen menselijke ‘gebreken’, alleen menselijke eigenschappen. Over ‘de eigenschappen van de mens’ zegt hij: 

                 -- goed of slecht, dat zal ik niet bepalen --.

Recensies

 

Enno de Witt, De nuchterheid van Bernard Mandeville. 8WEEKLY, 01-05-2006.

 

Maarten Doorman, Armzalige eerlijkheid. De Volkskrant, 05-05-2006.

 

Rob Hartmans, Gezegende ondeugden. De Groene Amsterdammer, 05-05-2006.

 

Marnix Verplancke, Een prettige wereld vol wellust en kwaad. De Morgen, 17-05-2006.

                     

Arnold Heumakers, Egoïsme is een zegen voor de mens. NRC-Handelsblad, 19-05-2006;

                                                                                                NRC Next, 23-05-2006.

Marc Holthof: Ondeugd is de motor van de economie. De Tijd, 22-05-2006.

 

Een recensie in het Friesch Dagblad, 10-06-2006.

Maarten Schulp: Bernard Mandeville, De wereld gaat aan deugd ten onder. Tijdschrift voor het Economisch Onderwijs, October 2006.

J. Kruidenier: Ondeugd die tot welvaart leidt. Reformatorisch Dagblad, 18-10-2006.

 

Shahram Fazili:  De wereld gaat aan deugd ten onder. Infa, 2007/1.

RVU///Educatieve omroep - Dias, 30-05-2006.

Henk van Middelaar in gesprek met Arne C. Jansen over Bernard Mandeville.

 

Dit gesprek tijdens de Dias-uitzending van 11.00 tot 12.00 uur is nog on-line te beluisteren:

Dias: Bernard Mandeville
RealAudio, uitgezonden op 30 mei 2006

 

Lees verder:

 

Zonder Bernard Mandeville géén Charles Darwin!

 

Friedrich August Hayek: ‘Maar snapt zelfs de moderne lezer helemaal waar Mandeville op doelde? En in hoeverre deed Mandeville dit zelf? Zijn voornaamste thesis komt slechts geleidelijk en indirect te voorschijn, als het ware als een nevenproduct van het verdedigen van zijn initiële paradox dat wat particuliere ondeugden zijn, vaak publieke weldaden zijn.’

 

Dr. Mandeville, een meesterbrein.....