Bernard Mandeville

 

Poëzie

 

Bernard Mandeville was eerst dichter. Pas na zijn 38ste ging hij proza schrijven. Zijn gedicht The Grumbling Hive, or Knaves turn’d honest (De Morrende Korf óf Eerlijk geworden Schurken) is terecht beroemd, maar de andere gedichten zijn ook beslist de moeite waard.

 

Een korte beschouwing.

 

Een korte beschouwing over Bernard Mandeville als dichter.

 

Inleiding.

Afgezien van de publicaties die verband houden met zijn universitaire studies, begon Bernard Mandeville, de arts, want hij is steeds in de eerste plaats arts, in literair opzicht als dichter. Hij is een verhalende dichter. Zijn dichtwerk is nog steeds aantrekkelijk. Pas als 38-jarige stapte hij over naar het proza, de literaire vorm die toen veel minder in aanzien stond dan de dichtkunst. Voordat we aandacht aan zijn publicaties als dichter besteden, staan we stil bij zijn opleiding.

 

1. Bernard Mandevilles opleiding als dichter.

In de Nederlanden van de 17e eeuw werd de dichtkunst als de hoogste literaire kunstvorm werd beschouwd. (Vgl. Te Winkel, Gesch. der  Ned. Letterkunde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, 1924). Wat dat betreft viel de taalgevoelige Bernard Mandeville met zijn neus in de boter. Een interessante leraar aan het Erasmiaans gymnasium in Rotterdam was niemand minder dan de praeceptor Pieter Rabus (1660-1702). Maar anders dan deze “vrome libertijn” is Bernard Mandeville niet stichtelijk en niet kleinburgerlijk.

Pieter Rabus, die met zijn vriend David van Hoogstraten (1658-1724) de Rijmoeffeningen, bestaande in verscheide stijl en stoffe van vaerzen (1678) had geschreven, moet een kundige en gedreven inspirator zijn geweest.  De jonge Bernard Mandeville wordt deelgenoot van “hun liefde voor de poëzie, waarvan ze opmerken: hoeverre (overtreft) zij niet zelden de stellingen van de twistende Godgeleerde, en lessen der Filosofen” en “hun liefde voor de Klassieken: bewerkingen van Aesopus, Ovidius en Horatius treft men in groten getale aan.”

Verder moet Bernard Mandeville genoten hebben van Pieter Rabus’ Griekse, Latijnse en Neêrduitse Vermakelijkheden der Taalkunst, bestaande in verscheidene Aanmerkingen over gewijde en ongewijde stoffe’ (1688), dat o.m. vertalingen van twee fabels van Phaedrus bevat, en van de nieuwe impuls die Pieter Rabus in Nederland aan het burleske genre gaf door het werk van Petrus Joannes Beronicus, De weergaloze dichter P.J. Beronicius, (1691) te bezorgen.

2. Dichtwerken.

Het eerste dichtwerk is voorzover bekend een pamflet in het Nederlands, getiteld Schijnheylig atheïst (1690). Dit is tijdens het zgn. Costerman-oproer in Rotterdam aangeplakt. Met dit gedicht vertoont een ander gedicht uit dezelfde periode Schijnheyl’ge Nievelt zoveel overeenkomsten dat het ook van Bernard Mandeville zou kunnen zijn.

 

Zijn eerste gedicht in Engeland is in 1703 een gelegenheidsgedicht in het Latijn gewijd aan de arts Joannes Groenevelt.

 

In hetzelfde jaar publiceert hij de bundel Some Fables after the Easie and Familiar Method of Monsieur de la Fontaine (Enige Fabels, volgens de gemakkelijke en bekende methode van monsieur de La Fontaine) met 29 fabels, waarvan 2 van Bernard Mandeville zelf, namelijk De Karper en De Nachtegaal en de Uil. De overige zijn qua thema ontleend aan Aesopus. Met zijn fabels volgt hij, zoals ook uit de volledige titel blijkt, Jean de La Fontaine (1621-1695) na. Anders dan de La Fontaine heeft de geëngageerde Bernard Mandeville zijn fabels van een “moraal” voorzien en past hij op de fabels het achtlettergrepige regelschema toe, dat specifiek is voor de zgn. burleske gedichten.

 

Ook in 1703 verschijnt The Pamphleteers, waarover in het volgende punt meer.

 

De vlakke titel van zijn bundel Some Fables van 1703 verandert Bernard Mandeville in 1704 in Aesop dressed (Aesopus in ‘t pak), wanneer hij deze bundel met nog eens 10 fabels tot 39 fabels heeft aangevuld. Deze nieuwe titel lijkt een woordspeling op Aeneas in het zondagspak, de titel die de arts  Willem Godschalk van Focquenbroch (ca.1630-1675), de eerste Nederlandse burleske dichter op voorbeeld van Scarron, aan zijn vertaling / bewerking van Paul Scarrons Virgile Travesti gaf. De verwijzing naar de La Fontaine is uit de titel verdwenen, maar staat wel in het Voorwoord van Aesopus in ‘t pak.

 

Ook in 1704 komt zijn Typhon uit. Ook hier is de invloed van de populaire oudere collega-arts Van Focquenbroch aanwezig, aan wie hij in zijn voorwoord refereert. Van Focquenbroch had al Typhon of de Reuzenstrijd geschreven, in navolging van de Typhon van Paul Scarron (1610-1660).

 

Ondertussen heeft hij ook gewerkt aan een reactie op een stuk van Anthony Hill (1702). Dit gedicht heet The Planter’s Charity (De menslievendheid van de planter) (1704) en is een van de eerste gedichten (112 regels) die geheel aan de slavernij zijn gewijd.

 

Aansluitend publiceert Bernard Mandeville op 2 april 1705 The Grumbling Hive or Knaves turn’d Honest (De Morrende Korf of Eerlijk geworden Schurken), een gedicht van maar liefst 433 regels, waarover hieronder meer.

In 1712 houdt hij opruiming wat zijn gedichten betreft. Het resultaat is een interessant bundeltje gemengde gedichten getiteld Wishes to a Godson, met onder andere vervolgstukken op Typhon. Een gedicht in het Latijn hierin lijkt geïnspireerd te zijn door het toneelstuk Hopman Ulrich van Joan van Paffenrode (1618-1773). Hoewel er in zijn proza nog her en der gedichten voorkomen, kan De Morrende Korf feitelijk toch als zijn slotakkoord als dichter worden beschouwd.

Over de periode tussen 1705 en 1709, het jaar waarin zijn eerste prozawerk verschenen is, was tot dusver alleen vertaalwerk bekend. Maar op 9 november 2004 is een handschrift ontdekt met twee tot dusver onbekende gedichten in het Nederlands van Bernard Mandeville, die hij in 1708 blijkt te hebben geschreven. Aan deze gedichten wordt op de pagina Thijs I & II nader aandacht besteed. Deze “Thijs-gedichten” uit 1708 geven overigens geen aanleiding tot een andere zienswijze wat De Morrende Korf betreft.

 

3. Aanloop naar De Morrende Korf.

Een aanleiding voor De Morrende Korf lijkt het optreden van de zogenaamde ‘Societies for the Reformation of Manners’ te zijn. Dit waren comités van intolerante puriteinen die zich ten doel stelden allerlei overtreders van de officiële christelijke moraal te vervolgen.

Zij kregen een deel van de boete die bij veroordeling werd opgelegd. (Deze genootschappen zijn lang actief geweest. In 1724 richtte Bernard Mandeville zich nog tegen deze lieden in zijn Modest Defence of Publick Stews (Een bescheiden verdediging van openbare bordelen, in De wereld gaat aan deugd ten onder, 2006).

 

Bernard Mandeville had deze zedenveldwachters in Typhon (1704) ook al op de korrel genomen:

 

Rond het midden van juli, op een dag,

Die toevallig een zondag was,

Hoe beter de dag, hoe beter de daad,

Want het was een tijd, waarin we lezen

Dat nauwelijks een op de twintig mensen goed is,

Een tijd, die verpest door vrede en overvloed,

Geen hervormers had, onder de banieren

Van heilige de dorst overwinnende manieren;

Die kampioenen van de nuchterheid,

Die er voor waken de wereld droog te houden;

Waarvan de tamboers een dag van de zeven leren,

Dat de taptoe de mars van de hemel is.

Ik zeg, het was in die verdorven tijd,

Toen het lessen van dorst geen misdaad werd gevonden.

 

Wie tegen drooglegging is hoeft zelf geen drinker te zijn. Bernard Mandeville was in alle opzichten een gematigd mens, ook in zijn politieke mening.

 

Daaraan had hij in The Pamphleteers (1703) al uiting gegeven. Hij zegt erin dat de door hem (en vele andere Nederlandse schrijvers) gewaardeerde koning-stadhouder Willem III (1689-1702) veel tijd besteedde aan het streven om een morrende natie te kalmeren die nooit rustig was.’ Hij verzet zich tegen de verschillende krachten die na de dood van deze eerste constitutionele Engelse vorst de klok probeerden terug te draaien. Zijn oproep aan koningin Anna, de schoonzuster en opvolger van Willem III, is veelzeggend:

 

‘Gun al uw ministers integriteit,

Achting voor deugd zonder vleierij;

Uw raden prudentie, waarheid en geheimhouding,

Uw troepen moed en trouw;

Hun respectieve leiders op zee en ter land,

Eer om te durven en wijsheid om te bevelen.

 

Uw geestelijken kennis en nederigheid,

Mogen zij vrij van wellust en hebzucht zijn;

Hun ijver en leer zuiver, en wat zij onderwijzen,

Even vreedzaam als het evangelie dat zij prediken.

Mogen rechters onpartijdig zijn en de wetten

Nooit verwrongen voor het belang van de rijke man.

 

Beteugel de breidel van de Gallische tirannie,

Die streeft naar universele monarchie;

Dat het geteisterde Europa eens rustig moge zijn,

En door uw hand met vrede en overvloed gezegend,

Moge rijkdom en macht als dauw over Albion vallen,

Haar glorie nog vergroten; om alles samen te vatten,

Moge in uw dagen het hemelse geschenk worden gezonden,

Dat we nog nooit smaakten, CONTENT te zijn.

 

4. Morren.

Morren is het brommende geluid van een bijenvolk, van actieve bijen. Het is het geluid van bedrijvigheid, ook als het de bedrijvigheid van een menselijke samenleving betreft.  In een heel andere betekenis kunnen mensen die niet content zijn, ook morren. Terwijl de welvaart toeneemt, ziet Bernard Mandeville, specialist in psychosomatische ziekten, hele volksstammen die morren. Naarmate mensen het beter hebben, gaan ze niet minder maar meer klagen. Maar geen enkel schepsel, ook de mens niet, wordt als klager geboren. Zij worden kunstmatig tot malcontenten gemaakt. De oorzaak zijn de betweters, d.w.z. de moralisten en filosofen die ‘de mensen altijd leren wat ze zouden moeten zijn, en zich er bijna nooit druk over maken hun te vertellen wat ze werkelijk zijn.’ Het gevolg hiervan: geen of vertekende zelfkennis en dus altijd klagen, want de menselijke werkelijkheid klopt nooit met hun of enig ander ideaalbeeld. En vaak impliceert hun opvatting nostalgisch dat het vroeger allemaal veel beter was en er zelfs een gouden tijdperk heeft bestaan.

 

Maar wat zou er echt gebeuren als hun ideaalbeeld wel in vervulling zou gaan, als die zedenprekers volledig hun zin zouden krijgen? De directe aanleiding om deze vraag te gaan beantwoorden is een preek van White Kennett, Christian Honesty Recommended, maar bij de wijze waarop de dichter Mandeville deze vraag beantwoordt, maakt hij gebruik van de Franse schrijver Fénelon, wiens opvattingen nauwelijks van die van White verschillen.

 

Fénelon is François de Salignac de la Mothe Fénelon (1651-1715), Frans r.k. geestelijke, schrijver en leermeester van de jonge hertog van Bourgondië, de kleinzoon van Lodewijk XIV. In de christelijke traditie van pastorale, idyllische symboliek over bijen verschijnt in 1699 de fabel Les Abeilles (De Bijen), één van de fabels in proza - en er zijn nog enkele waarin bijen optreden, L’abeille et la mouche (De bij en de vlieg), Les abeilles et les vers en soie (De bijen en de zijderupsen) en Aristée et Virgile (Aristaios en Virgilius), waarvan hieronder aan het eind ook de Franse tekst is opgenomen -, die Fénelon schreef voor de opvoeding van de hertog van Bourgondië. (Overigens droeg Jean de La Fontaine in 1694 zijn derde bundel fabels, nu boek XII, op aan dezelfde hertog, die toen 12 jaar oud was.)

 

Fénelon heeft zijn mens- en maatschappijopvattingen die uit zijn fabels spreken, vooral uitgewerkt in  Les Aventures de Télémaque, ook uit 1699, en Voltaire (1694-1778) legt in en door Le Mondain (1736) eigenlijk al het verband tussen ‘monsieur du Télémaque’ en Mandeville. J. Prinsen (1925) zegt over deze Télémaque: ‘Een volledige cursus voor adellijke opvoeding’...Het is de Conte moral destiné à former la raison et le coeur. Hij zit vol antieke motieven, uit de Odyssee en Eneis vooral. Hij is de eerste bepaald pedagogische roman en aangezien deze pedagogie voor aanstaande vorsten bestemd was, tevens een politieke en philosophische roman.’ Interessant is ook de beschouwing van Huizinga in zijn Herfsttij der Middeleeuwen (p. 72), die Fénelon rangschikt onder de ‘verheerlijkers van het laatmiddeleeuwse ridderideaal’.

 

Hier volgt nu eerst de tekst van Fénelons fabel.

 

Les Abeilles

« Un jeune prince, au retour des zéphyrs, lorsque toute la nature se ranime, se promenait dans un jardin délicieux; il entendit un grand bruit et aperçut une ruche d’Abeilles. Il approcha de ce spectacle, qui était nouveau pour lui; il vit avec étonnement l’ordre, le soin et le travail de cette petite république. Les cellules commençaient à se former et à prendre une figure régulière. Une partie des Abeilles les remplissaient de leur doux nectar: les autres apportaient des fleurs qu’elles avaient choisies entre toutes les richesses du printemps. L’oisiveté et paresse étaient bannies de ce petit État: tout y était en mouvement, mais sans confusion et sans trouble. Les plus considérables d’entre les Abeilles conduisaient les autres, qui obéissaient sans murmure et sans jalousie contre celles qui étaient au-dessus d’elles. Pendant que la jeune prince admirait cet objet qu’il ne connaissait pas encore, une Abeille, que toutes les autres reconnaissaient pour leur reine, s’approcha de lui et lui dit: ’La vue de nos ouvrages et de notre conduite vous réjouit; mais elle doit encore plus vous instruire. Nous ne souffrons point chez nous le désordre ni la licence; on n’est considérable parmi nous que par son travail et par les talents qui peuvent être utiles à notre république. Le mérite est la seule voie qui élève aux premières places. Nous ne nous occupons nuit et jour qu’à des choses dont les hommes retirent toute l’utilité. Puissiez-vous être un jour comme nous, et mettre dans le genre humain l’ordre que vous admirez chez nous! Vous travaillerez par là  à son bonheur et au vôtre; vous remplirez la tâche que le destin vous a imposée: car vous ne serez au-dessus des autres que pour les protéger, que pour écarter les maux qui les menacent, que pour leur procurer tous les biens qu’ils ont droit d’attendre d’un gouvernement vigilant et paternel. »

 

Vertaald in het Nederlands, daarna een Engelse vertaling.

 

De Bijen

Bij de terugkeer van de milde westenwinden, wanneer de hele natuur opleeft, wandelde een jonge prins in een heerlijke tuin. Hij hoorde een hevig lawaai en ontdekte een Bijenkorf. Hij ging dichter naar het schouwspel toe, dat nieuw voor hem was. Hij zag met verbazing de orde, de zorg en het werk van deze kleine republiek. De cellen begonnen zich te vormen en een regelmatige figuur aan te nemen. Een deel van de Bijen vulde ze met hun zoete nectar: de andere brachten bloemen mee die zij uit alle overvloedigheden van de lente hadden gekozen. Ledigheid en luiheid waren uit deze kleine Staat verbannen : alles was er in beweging, maar zonder verwarring en zonder onrust. De aanzienlijkste onder de Bijen leidden de andere, die gehoorzaamden, zonder morren en zonder afgunst jegens degene die boven hen stonden. Terwijl de jonge prins dit object bewonderde, dat hij nog niet kende, kwam een Bij, die alle andere als hun koningin erkenden, naar hem toe en zei tegen hem: ‘De aanblik van onze werken en van ons gedrag verblijdt u, maar deze moet meer nog een les voor u zijn. Bij ons lijden wij niet aan wanorde noch aan losbandigheid; onder ons is men slechts aanzienlijk door zijn werk en door de begaafdheden die nuttig kunnen zijn voor onze republiek. Verdienste is de enige weg die tot de hoogste posten bevordert. Wij houden ons dag en nacht slechts bezig met dingen waaruit de mensen het algemene nut halen. Moge u op een dag kunnen zijn zoals wij en bij de mensheid de orde brengen die u bij ons bewondert! Daardoor zult u aan haar geluk en dat van u werken; u vervult de taak die het lot u heeft opgelegd: want u zult niet anders boven anderen staan dan om hen te beschermen, om de kwaden die hen bedreigen te verwijderen, om hen alle weldaden te verschaffen die zij met recht verwachten van een waakzame en vaderlijke regering.

 

The Bees.

One day, when gentle zephyrs fanned the air and all nature was revitalized, a young prince was strolling in a delightful garden.  On hearing a loud noise, he then saw a bee hive—an experience new to him—and approached it. He was astonished by the order, the care and the labor that he perceived in this little republic. He saw the cells forming and taking shape as regular [geometric] figures. One group of bees was employed to fill those cells with their sweet nectar. Others brought in what they had collected from the blooms of the spring season. Idleness and laziness were banished from this small republic. There was activity everywhere, without confusion and distraction. The most prominent of the bees supervised the others, who obeyed them without a murmur of complaint and without being jealous of their taskmasters. While the prince was admiring this new scene, a bee acknowledged by all of her subjects as the Queen Bee came forward and said to him:  “The sight of our works and our conduct are pleasing to you, but there is more for you to learn from it. We do not at all permit disorder or licentious behaviour in our society. The only way to earn our esteem in our midst is through one’s work , exercising one’s talents to benefit our republic. Merit, in this nation, is the sole path to higher offices. Night and day our only object is to find ways to be useful to society. If you wish some day to become like us, you must impose upon your citizens that strict order that you admire in our society of bees. You would then be working for their happiness and your own. You would fulfil the task that Destiny has assigned to you because you would never be in a superior position to others except to protect them, to remove the evils that threaten them, and to secure for them all of the advantages that they may rightfully expect of a vigilant and fatherly government.’ (Translated by Irwin Primer, 2007)

 

Voor het ideaal of de utopie van een harmonieuze, christelijk-vrome bijenkorf moeten we teruggaan naar Der Byen Boeck van de Nederlander Thomas van Cantimpré (ca 1200-ca 1272). [Zie hiervoor de dissertatie van C.M. Stutvoet-Joanknecht bij www.dbnl.org.]

 

(Terzijde drie opmerkingen, namelijk a) Mandeville kende ongetwijfeld de Biëncorf der H. Roomsche kercke van Marnix van St. Aldegonde, b)  Mandeville had de vergelijking tussen bijen en mensen al eerder heeft gebruikt, te weten in zijn Filosofische dissertatie van 1689 en c)  Mandeville, wonend in of vlakbij de Hoogstraat in Rotterdam, kende vanaf zijn jongste jaren al de bijenkorf als commercieel symbool.)

 

Het is op de voorschrijvende, prescriptieve Fénelon dat de beschrijvende, descriptieve wetenschapper Mandeville kritisch reageert: Fénelon’s fabel is een verdichtsel. Mandeville’s gedicht  De morrende Korf of Eerlijk geworden schurken kan zo bezien een contrafabel worden genoemd. Dit gedicht voorziet hij later van commentaar en uitleg in The Fable of the Bees, Private Vices, Publick Benefits.

 

Fénelon, die een exponent is van een lange traditie van feodale plattelanderigheid in de Europese cultuur, gaat romantisch en utopisch voorbij aan de natuurlijke werkelijkheid van de mens. Mensen zijn, ten opzichte van een christelijk of ridderlijk ideaalbeeld, altijd in meerdere of mindere mate “schurken”. Worden zij echt eerlijk, d.w.z. vroom en ontbloot van elke hartstocht en behoefte aan gemak en gerief, dan stort de hele economie in elkaar, doordat dan praktisch alle menselijke behoeften verdwenen moeten zijn. Vernietiging van welvaart, welzijn en beschaving is in feite de consequentie van elk vroom gepreek. Vroomheid impliceert barheid. De mensen steken echter van nature niet zodanig in elkaar dat ze zo’n manier van leven kunnen en willen volhouden. Met andere woorden, het ideaal van de vrome bijenkorf, gaat niet uit van de  mensen zoals ze zijn. Het is daarom slechts een fabel, in de betekenis van verzinsel of sprookje. Klagen is het gevolg van een eigen verzinsel. Daarom zegt Bernard Mandeville:

 

‘Hou toch op met klagen. Alleen dwazen trachten

Van een grote korf een eerlijke korf te maken.

 

Om de gerieflijkheden van de wereld te genieten,

Beroemd te zijn in oorlogsvoering en toch te leven in welbehagen

Zonder grote ondeugden, is een ijdele

Utopie, gezeteld in de hersenen’.

 

5. De morrende korf in Nederland.

In Nederland is The Grumbling Hive niet onopgemerkt gebleven.

In 1881 is dit gedicht door H.P.G. Quack in proza bewerkt als De brommende bijenkorf, of hoe de boozen in braven verkeeren.

In 1930 verscheen het als De morrende bijenkorf of bekeerde schavuiten in een prozabewerking van N. Westendorp Boerma.

Tenslotte kwam in 1985 een herdichting uit, De Mopperkorf of schurken tot inkeer gekomen, van de hand van J. Eijkelboom.

 

Lees hier

in een nieuwe vertaling:

 

De morrende korf Óf eerlijk geworden schurken.

 

 

Zie ook:

 

Bernard Mandevilles fabel van de bijen 

‘De morrende korf of Eerlijk geworden schurken’

Ontstaan, titel, vorm en plot

 

____________________________________________________________________

De drie andere fabels van Fénelon waarin bijen voorkomen.

 

Fénelon: L’Abeille et la mouche.

Un jour une abeille aperçut une mouche auprès de sa ruche. ‘Que viens-tu faire ici ? lui dit-elle d’un ton furieux. Vraiment, c’est bien à toi, vil animal, à te mêler avec les reines de l’air !’ -Tu as raison, répondit froidement la mouche ; on a toujours tort de s’approcher d’une nation aussi fougueuse que la vôtre. - Rien n’est plus sage que nous, dit l’abeille ; nous seules avons des lois et une république bien policée ; nous ne broutons que des fleurs odoriférantes ; nous ne faisons que du miel délicieux qui égale le nectar. Ôte-toi de ma présence, vilaine mouche importune, qui ne fais que bourdonner et chercher ta vie sur des ordures. - Nous vivons comme nous pouvons, répondit la mouche ; la pauvreté n’est pas une vice, mais la colère en est un grand. Vous faites du miel qui est doux, mais votre cœur est toujours amer ; vous êtes sages dans vos lois, mais emportées dans votre conduite ; votre colère, qui pique vos ennemis, vous donne la mort, et votre folle cruauté vous fait plus de mal qu’à personne.’

Il vaut mieux avoir des qualités moins éclatantes avec plus de modération.

 

 

Fénelon: Les abeilles et les vers à soie.

Un jour les abeilles montèrent jusque dans l’Olympe, au pied du trône de Jupiter, pour le prier d’avoir égard au soin qu’elles avaient pris de son enfance, quand elles le nourrirent de leur miel sur le mont Ida. Jupiter voulut leur accorder les premiers honneurs entre tous les petits animaux ; mais Minerve, qui réside aux arts, lui représenta qu’il y avait une autre espèce qui disputait aux abeilles la gloire des inventions utiles. Jupiter voulut en savoir le nom. ‘Ce sont les vers a soie, ‘ répondit-elle. Aussitôt le père des dieux ordonna à Mercure de faire venir sur les ailes des douze zéphyrs des députés de ce petit peuple, afin qu’on put entendre les raisons des deux parties. L’abeille, ambassadrice de sa nation, représenta la douceur du miel, qui est le nectar des hommes, son utilité, l’artifice avec lequel il est composé ; puis elle vanta la sagesse des lois qui policent la république volante des abeilles. ‘Nulle autre espèce d’animaux, disait l’orateur, n’a cette gloire, et c’est une récompense d’avoir nourri dans un antre le père des dieux. De plus, nous avons en partage la valeur guerrière, quand notre roi anime nos troupes dans les combats. Comment est-ce que ces vers, insectes vils et méprisables, oseraient nous disputer le premier rang ? Ils ne savent que ramper, pendant nous prenons un noble essor, et que de nos ailes dorées nous montons jusque vers les astres.’ Le harangueur des vers à soie répondit : ’ Nous ne sommes que de petits vers, et nous n’avons ni ce grand courage pour la guerre, ni ces sages lois ; mais chacun de nous montre les merveilles de la nature, et se consume dans un travail utile. Sans lois, nous vivons en paix, et on ne voit jamais de guerres civiles chez nous, pendant les abeilles s’entre-tuent à chaque changement de roi. Nous avons la vertu de Protée pour changer de forme : tantôt nous sommes des petits vers composés de onze petits anneaux, entrelacées avec la variété des plus vives couleurs qu’on admire dans les fleurs d’un parterre. Ensuite nous filons de quoi vêtir les hommes les plus magnifiques jusque sur le trône, et de quoi orner les temples des dieux. cette parure si belle et si durable vaut bien du miel qui se corrompt bientôt. Enfin, nous nous transformons en fève, mais en fève qui sent, qui se meut et qui montre toujours la vie. Après ces prodiges, nous devenons tout à coup des papillons avec l’éclat des plus riches couleurs. C’est alors que nous ne cédons plus aux abeilles, pour nous élever d’un vol hardi jusque vers l’Olympe. Jugez maintenant, ô père des dieux. » Jupiter, embarrassé pour la décision, déclara enfin que les abeilles tiendraient le premier rang, a cause des droits qu’elles avaient acquis depuis les anciens temps. ‘Quel moyen, dit-il, de les dégrader ? je leur ai trop d’obligation ; mais je crois que les hommes doivent plus aux vers à soie.’

 

Fénelon: Aristée et Virgile

Virgile, étant descendu aux enfers, entra dans ces campagnes fortunées où les héros et les hommes inspirés des dieux passent une vie bienheureuse sur les gazons toujours émaillés de fleurs et entrecoupes de mille ruisseaux. D’abord le berger Aristée qui était là au nombre des demi-dieux, s’avança vers lui, ayant appris son nom. ‘Que j’ai de joie, lui dit-il, de voir un si grand poète ! Vos vers coulent plus doucement que la rosée sur l’herbe tendre ; ils ont une harmonie si douce, qu’ils attendrissent le cœur, et qu’ils tirent les larmes des yeux ; vous en avez fait pour moi et pour mes abeilles, dont Homère même pourra être jaloux. Je vous dois, autant qu’au soleil et a Cyrène, la gloire dont je jouis. Il n’y a pas encore longtemps que je les récitai, ces vers si tendres et si gracieux, à Linus, à Hésiode et à Homère. Après les avoir entendus, ils allers tous trois boire de l’eau du fleuve Léthé, pour les oublier, tant ils étaient affligés de repasser dans leur mémoire des vers si dignes d’eux, qu’ils n’avaient pas faits. Vous savez que la nation des poètes est jalouse. Venez donc parmi eux prendre votre place. -Elle sera bien mauvaise, cette place, répondit Virgile, puisqu’ils sont si jaloux. J’aurai de mauvaises heures à passer dans leur compagnie ; je vois bien que vos abeilles n’étaient pas plus faciles à irriter que ce chœur des poètes. -Il est vrai, reprit Aristée ; ils bourdonnent comme les abeilles ;comme elles, ils ont un aiguillon perçant, pour piquer tout ce qui enflamme leur colère. -J’aurai encore, dit Virgile, un autre grand homme a ménager ici ; c’est le divin Orphée. Comment vivez-vous ensemble ? - Assez mal, répondit Aristée. Il est encore jaloux de sa femme, comme les trois autres de la gloire des vers ; mais pour vous, il vous recevra bien, car vous l’avez traité honorablement, et vous avez parlé beaucoup plus sagement qu’Ovide de sa querelle avec les femmes de Thrace, qui le massacrèrent. Mais ne tardons pas davantage ; entrons ce petit bois sacré, arrosé de tant de fontaines plus claires que le cristal ;vous verrez que toute la troupe sacrée se lèvera pour vous faire honneur. N’entendez-vous pas déjà la lyre d’Orphée ? Écoutez Linus qui chante le combat des dieux contre les géants, Homère se prépare à chanter Achille, qui venge la mort de Patrocle par celle d’Hector. Mais Hésiode est celui que vous avez le plus à craindre ; car, de l’humeur dont il est,il sera bien fâché que vous ayez osé traiter avec tant d’élégance toutes choses rustiques qui ont été son partage.’ A peine Aristée eut achevé ces mots, qu’ils arrivèrent dans cet ombrage frais où règne un éternel enthousiasme qui possède ces hommes divins. Tout se levèrent ; on fit asseoir Virgile, on le pria de chanter ses vers. Ils les chanta d’abord avec modestie, et puis avec transport. Les plus jaloux sentirent malgré eux une douceur qui ravissait. La lyre d’Orphée, qui avait enchante les rochers et les bois, échappa de ses mains, et des larmes amères coulèrent de ses yeux. Homère oublia, pour un moment, la magnificence rapide de l’Iliade et la variété de l’Odyssée. Linus crut ces beaux vers avaient été faits par son père Apollon ; il était immobile, saisi, et suspendu par un si doux chant. Hésiode, tout ému, ne pouvait résister à ce charme. Enfin, revenant un peu à lui, il prononça ces paroles pleines de jalousie et d’indignation : ‘O Virgile, tu as fait des vers plus durables que l’airain et que de bronze. Mais je te prédis qu’un jour on verra un enfant qui les traduira en sa langue, et qui partagera avec toi la gloire d’avoir chanté les abeilles.’