Matthijs Decker heeft ervoor gezorgd dat de Thijs-gedichten die typisch “Mandevilleaans” zijn en ook vanuit een letterkundig oogpunt interessant, bewaard zijn gebleven.

 

De onderstaande toelichting is voorlopig en bedoeld om zoveel mogelijk van deze gedichten te kunnen genieten. Aansluitend volgt een reactie van prof. A. Hanou, Trouw, 12 april 2005.

Bernard Mandeville, poezie -8/2

 

De Thijs - gedichten Ii

 

 

Bedankt Thijs!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

I. Toelichting Thijs - gedichten.

 

Inleiding.

 

De gedichten Versoek-Schrift (72 regels) en Dankzegginge voor ‘T Genotenen (60 regels) verwijzen naar Engelse situaties, die voor de geadresseerde van de gedichten,Thijs, bekend moeten zijn geweest. Daarom moet Thijs een in Engeland woonachtige Nederlander zijn geweest. Samen kunnen ze daarom als de “Thijs - Gedichten” worden aangeduid.

        Het verband tussen beide gedichten is bijzonder. Op het eerste gezicht lijkt het eerste gedicht een “bedelgedicht” en het tweede als vervolg hierop een bedankje voor ontvangen geld. Maar bij nader inzien is er meer aan de hand: het tweede gedicht geeft aan hoe het eerste gedicht begrepen moet worden. Dit betekent dat het eerste gedicht destijds niet meteen duidelijk is geweest voor de lezer(s) of misverstanden heeft opgeroepen.

        Hier zullen achtereenvolgens een aantal punten aan de orde komen die van belang zijn om de gedichten zo goed mogelijk te kunnen plaatsen en begrijpen. Daarbij moet er wel rekening mee worden gehouden dat nog niet alles onderzocht is. 

 

1. Datering van de gedichten: 1708.

 

De “verkoop van de Oost Indische Compagnie” die in de kop van het eerste gedicht is aangegeven, is een grote aandelenemissie die in 1708 plaats vond. In het tweede gedicht wordt “Annetje, weduwe van George genoemd, aan het eind van St Jacobs Straat”. Hiermee wordt koningin Anne (1665-1714) bedoeld, die in St James’s Palace woonde. Zij was erg klein van stuk. Haar echtgenoot was George, prins van Denemarken. Hij overleed op 28 oktober 1708. Het tweede gedicht is dus na deze datum geschreven, maar waarschijnlijk (dit komt bij punt 7 nog aan de orde) voor 11 december 1708.

 

2. Financiën.

 

Thijs handelt in Indiase c.q. Aziatische artikelen en vermoedelijk ook in aandelen. Hij heeft een winkel of magazijn bij of in de Beurs in Londen. Bernard Mandeville wil dat Thijs dichtbundels van hem gaat verkopen. Gedichten zijn voor Thijs een branchevreemd artikel. Bernard Mandeville bedient zich daarom van een overrompelingstactiek. Hij laat een pakket gedichten bezorgen met een begeleidend “Versoek-schrift” en hoopt daarvoor een (inkoops-)prijs van drie à vier pond te krijgen. Zijn hoofdargument is dat hij op dat moment met “het kwaaie beest”, zijn drang om te schrijven, geen geld verdient, terwijl het leven toch duurder wordt. Wat hem tot dan niet gelukt was, werd een jaar later werkelijkheid voor hem, toen hij medewerker aan een tijdschrift werd.

        Bernard Mandeville volgt, zoals hij zegt, het spoor van koningin Anna. Schrijven is werken en voor wat door dit werken geproduceerd wordt moet de afnemer gewoon geld betalen. De koningin werkt ook, want ze voert de Queen Anne’s War, d.w.z. de Spaanse Successieoorlog (1701-1714) tegen de Franse koning Lodewijk XIV. In verband met de hoge kosten daarvan heeft zij een grote geldlening gevraagd. De “verkoop van de Oost Indische Compagnie” heeft hier alles mee te maken.

        In 1707 eiste de regering van twee al bestaande en gedeeltelijk gefuseerde Oost Indische compagnieën, de zgn. Oude en Nieuwe Compagnie dat zij haar een lening van een miljoen guineas of £ 1.200.000, zonder rente, zou verstrekken. Deze eis leidde ertoe dat deze twee maatschappijen in 1708 volledig fuseerden, waardoor de Engelse Verenigde Oost Indische Compagnie (United East Indian Company) ontstond. Het hele kapitaal van deze EIC werd omgezet in een aandelenkapitaal en het kapitaal werd van 2 miljoen pond tot 3,2 miljoen pond verhoogd. Het extra geld van 1,2 miljoen pond, of 1 miljoen guineas, dat door de verkoop van deze aandelen werd verkregen, kon de Compagnie doorlenen aan de regering die op deze wijze de voortzetting van de oorlog kon financieren. In het tweede gedicht wordt dit bedrag genoemd.

        De genoemde fusie was vooral het werk van Lord Sidney Godolphin (1645-1712), de Lord Treasurer. Van hem wordt gezegd dat hij “zich erg zelden tot het Huis richtte, en als hij dat deed alleen op de kortste wijze.” Hij is waarschijnlijk als minister van financien enerzijds die vrek, mijn huisheer die in het eerste gedicht wordt vermeld en anderzijds de man achter koningin Anne die, zoals het tweede gedicht aangeeft, de beurs van de natie met een korte oratie vrijt.

        Overigens begint Bernard Mandeville zijn navolging van koningin Anne als hoofd van een oorlogvoerende natie al meteen in het eerste gedicht als hij op een wat salonachtige manier zegt: mijn meubeltjes zijn meest verteerd, d.w.z. veel van het wapentuig is verbrand, en de plunje, soldatenuitrusting, zeer ontramponeerd, is ernstig gehavend. Na een opsomming van de weinig florissante inventaris die persoonlijk lijkt te zijn maar algemene trekken heeft, volgt de conclusie: “zo staat het land” ervoor.

        In zo’n land in staat van oorlog wordt een financiële wissel op de burger getrokken. De minister van Financiën eist extra belastingen en de kosten van levensonderhoud stijgen. De werkloosheid neemt toe. Daarom proberen de onderdanen extra-inkomsten te krijgen en voor een dichter zit er dan weinig anders op dan de verkoop van dichtbundels te promoten.

 

3. De plaats van verkoop.

 

De plaats van handeling is de oude Royal Exchange (afbeelding is op het internet te vinden) in de Threadneddle Street in Londen. Op de begane grond van dit gebouw, achter de arcaden die de binnenplaats omgaven waren winkels die gebruikt werden door effectenmakelaars, houders van loterijkantoren en verschillende detailhandelaren. Op de bovenste galerij van de Beurs bevonden zich diverse instellingen en kantoren.

        De verkoop van de aandelen van de Oost Indische Compagnie betekende een megadeal op een drukbezochte beurs. Dit is voor Bernard Mandeville een mooie gelegenheid om zijn gedichten aan de man te laten brengen. De echte handelaren zijn niet gewend voor twee uur naar de Beurs te gaan, vandaar dat Bernard Mandeville aankondigt om half drie langs te komen om poolshoogte te nemen.

        Het gaat hem er in zijn eerste gedicht enerzijds om dat Thijs zijn gedichten wil verkopen, maar anderzijds roept hij Thijs op om eraan bij te dragen dat de genoemde aandelenverkoop goed verloopt. Lukt deze, dan zal het gevolg zijn dat de belastingdruk voor de burger minder zal toenemen.

 

4. Rechtvaardiging.

 

Gelet op het tweede gedicht kan worden aangenomen dat de missie is geslaagd en Bernard Mandeville stuurt Thijs opnieuw een pakket “manke gedigte”, kreupelrijmen waarmee hij zijn beroemde Morrende Korf (The Grumbling Hive or Knaves Turn'd Honest) bedoelt. Dit tweede gedicht is echter vooral een rechtvaardiging van het eerste gedicht. Uitgebreid wordt uiteen gezet hoe het eerste gedicht begrepen moet worden: het is een muntdicht.

        Hierbij vallen twee stellingnames op. In de eerste plaats dat een dichter ook gewoon voor zijn geld werkt en in de tweede plaats dat zakenmensen ook schrijvers zijn. Anders dan vele geleerde en gestudeerde mensen beschouwt Bernard Mandeville zakenmensen ook als litterati, als geletterden, en anders dan vele zakenmensen en geletterden beschouwt hij dichters als gewone neringdoenden.

        “Geld is de boodschap” is voor iedereen een onmiskenbare waarheid. Maar wat het zakendoen betreft zijn er wel twee verschillende opties, namelijk op een ethisch verantwoorde manier of niet. Business is een en ethiek iets anders, maar zij hoeven niet strijdig te zijn. Volgens het gedicht is Thijs een voorbeeld van een ethische zakenman en de dichter zelf ook, omdat hij zich alleen door de “zuivere hengstenbron” laat inspireren.

        Opgemerkt moet worden dat Bernard Mandeville beslist geen geldwolf was. Over geld zegt hij op een andere plaats: “Ik waardeer dit op dezelfde manier zoals de meeste mensen hun gezondheid waarderen, waarbij, weet je, zelden wordt stilgestaan behalve wanneer zij gemist wordt.” En wat het zoeken van rijkdom betreft: “Ik ben altijd zuinig genoeg geweest om daarvoor geen reden te hebben”.

       

5. Sir Matthew Decker.

 

Thijs is hoogstwaarschijnlijk Mattijs Decker, beter bekend als sir Matthew Decker (1679-1749). In 1729, 21 jaar later, noemt Bernard Mandeville hem in The Fable of the Bees, Part II.

        Mattijs Decker werd op 13 december 1679 in Amsterdam geboren. Zijn ouders waren de koopman Dirck Decker (1644 -ca.1708) geboren in Bloemendaal en Catharina

(Cat(t)rijn) Paus, geboren in 1646 in Dordrecht. In 1702 kwam Matthijs met zijn vader naar Londen. Hij was toen ziek en heeft misschien dokter Bernard Mandeville geconsulteerd. In 1703 verkreeg hij de Engelse nationaliteit. Als Matthew Decker vestigde hij zich als textielkoopman en bankier. Rond 1716 trouwde hij Henrietta Watkins (1679-1759). De Deckers woonden in Richmond en kregen vijf kinderen.

        Decker had succes in zaken en werd in 1716 door George I baronet gemaakt. Rond 1729 werd hij een invloedrijke directeur van de Oost Indische Compagnie, was lid van het parlement en high sheriff van Surrey. He was bekend om zijn vroomheid en vrijgevigheid, die zo groot waren dat een of andere edelman ervan overtuigd kon worden te geloven, dat Decker de schrijver van het Mattheus-Evangelie was en hem voor dat uitstekende stuk werk een groot legaat gaf. Decker schreef zelf twee verhandelingen over financieel-economische kwesties.

 

6. Van Matthew Decker naar Leiden.

 

Het handschrift behoort tot het oudste gedeelte van de collectie van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde (MNL), die op haar beurt een onderdeel is van de Bijzondere Collecties van de bibliotheek van de Universiteit van Leiden. Het handschrift is ongedateerd en de bladzijden zijn niet genummerd. Het handschrift lijkt niet op dat wat van Bernard Mandeville bekend is.

        Hoe de MNL het handschrift heeft verkregen is (nog) niet bekend. In de eerste catalogus van de MNL-bibliotheek wordt het handschrift en de andere stukken in de dossier niet genoemd, maar zij kunnen hebben gezeten in wat genoemd wordt “een pakjen met Nederl. Versen”.

        In 1876 kreeg de universiteitsbibliotheek van Leiden de bibliotheek van de MNL in langdurig bruikleen. De conservator van de collectie heeft bevestigd dat het handschrift voor 1876 in de bibliotheek van de MNL moet zijn geweest. In de catalogus van 1887 van de MNL-bibliotheek is het handschrift een onderdeel van de map die toen het nummer LTK 415 kreeg. De samenstellers van deze catalogus hebben de stukken in deze map alle toegeschreven aan een dichter genaamd Everhard Kraeyvanger (Makassar 1692- Delft 1752). Maar alleen een gelegenheidsgedicht Ter voorstellinge van Hendrik Zwaardekroon als gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië (1720) is door Kraeyvanger geschreven. De samenstellers hebben de twee gedichten van Mandeville niet als zodanig onderkend en ze bij Kraeyvanger ondergeschoven.

 

        De eerste verbinding tussen Bernard Mandeville en de familie Kraeyvanger is B. Craijevanger uit Den Haag, vermoedelijk een zoon van de remonstrantse predikant en doctor in de medicijnen Bernardus Craeyvanger, en dan waarschijnlijk een oom van Everhard Kraeyvanger. B. Craijevanger werd op 21 maart 1686, een half jaar voor Bernard Mandeville, als student in Leiden ingeschreven in dezelfde studierichting  als Mandeville. Zij waren dus studiegenoten. Nader onderzoek is nog nodig wat deze Craijevanger betreft.

 

        Everhard Kraeyvanger, geboren in Makassar, kwam als peuter met zijn ouders naar Nederland. Zijn vader, dominee Nicolaas Kraeyvanger, overleed toen Everhard 3 jaar oud was. Zijn moeder was Maria Bopp. Everhard studeerde in Leiden en ging in 1718 terug naar Nederlands-Indië. Hij was daar advocaat-fiscaal (procureur-generaal bij het hoogste rechtscollege van de VOC) geweest tot hij in 1728 als commandant van een retourvloot naar Nederland terugkeerde en zich in Delft vestigde. Hij was financieel bemiddeld. Hij kan via de effectenbeurs of VOC contact hebben gehad met Matthijs Decker (Engelse VOC) in Londen, maar misschien heeft hij Decker eerder ontmoet toen deze in 1718 in Amsterdam was.  

        Kraeyvanger verkeerde als student in literaire kringen en Pieter Langendijk heeft twee stukken aan hem opgedragen, De wiskunstenaars of ’t gevluchte Juffertje (1715) en  Don Quichot op de Bruiloft van Kamacho (1714). Kraeyvanger zelf publiceerde in 1717 een bundel gedichten, Dichtlievende Lente. De bundel werd door hem in 1735 in een uitgebreidere versie uitgegeven, Dichtlievende Lente en Zomer. Na zijn overlijden kwam in 1753 de tweede druk van deze gedichtenbundel uit.

        Opmerkelijk is evenwel de derde druk, van 1762, die door Cornelis van Hoogeveen Jr. te Leiden werd uitgegeven. Deze derde druk geeft aan: waer bijgevoegt zijn V gedichten die in de 2e dr. niet gevonden werden. Aannemelijk is dat de bezorger van de derde druk hierover contact heeft gehad met de weduwe en erfgename van Kraeyvanger, Gijsberta Johanna Blesius. Zij overleed in Delft in 1766, overigens in hetzelfde jaar waarin de MNL werd opgericht in Leiden.

        Over Cornelis van Hoogeveen jr (1741-1792) zie www.dbnl.nl en vooral B. Thobokholt , Het taal- en dichtlievend genootschap ‘Kunst wordt door arbeid verkreegen’ te Leiden, 1766-1800 (1983). Daarvan verdienen de Delftse leden bijzondere aandacht. Enkelen van hen, Van Royen, Canzius Onderdewijngaard (1736-1820) en Gerrit Paape, hadden een nauwe relatie met Nicolaas Kraeyvanger, de zoon van Everhard Kraeyvanger, die leefde van 1724-1796 en raad en burgemeester van Delft en bewindhebber van de VOC Kamer Delft was. Via  het actieve MNL-lid Jacob Hendrik Onderdewijngaard Canzius (1771-1838), zoon van de genoemde Canzius Onderdewijngaard, kan de map Kraeyvanger in de bibliotheek van de MNL zijn terechtgekomen.

 

 

7. Enkele toespelingen in de gedichten.

 

De gedichten bevatten verscheidene toespelingen op de Engelse politiek van die tijd. Sommige ervan zijn door Bernard Mandeville ook in The Virgin Unmask’d (1709) en in zijn bijdragen aan de The Female Tatler (1709-1710) behandeld. Zoals eerder gezegd, de gemeenschappelijke achtergrond is de Spaanse Successie oorlog tegen de ambities van koning Lodewijk XIV van Frankrijk.

        Deze langdurige oorlog verarmde het land. De nationale schuld van Engeland steeg dramatisch, een inflatiespiraal maakte het leven duur en grote aantallen mensen waren werkloos. Deze deplorabele toestand wordt in beide gedichten beschreven, een uiterst sjofele situatie van burgers en militairen onder een oppervlakte van “ een rok die redelijk goed is, maar waar de schede van de degens is afgeknaagd en het veel kost voordat de pot op het vuur staat.”

        Deze algemene situatie betrekt Bernard Mandeville op zichzelf. Maar Engeland moet zich wel als een boze hond gedragen. Deze benaming komt voort uit naar een oude Kerstmis “mumming” van Sint Joris en de Draak, waarin Engeland door de draak wordt uitgedaagd. (The Dragon: Who's he that seeks the Dragon's blood, And calls so angry and so loud? That English dog, will he before me stand?) De draak is Lodewijk XIV. Bernard Mandeville is fel tegen de ambities van Lodewijk, de oorlog is terecht, maar deze langdurige beproeving vreet wel aan hem en maakt hem “dul”.

        Geld is “de zenuw van de oorlog” (Virgin Unmasked, p. 167) en de regering  (“Baas”) heeft geld nodig. Koningin Anne “vraagt guinjes bij het miljoen, die ze nodig heeft omdat ze vent op zijn bek geeft. Deze daad is een verwijzing naar de slag bij Oudenaarde (België) op 11 juli 1708, toen het leger van Lodewijk XIV werd verslagen. Maar niet definitief. De volgende uitdaging werd het beleg van Lille (14 augustus - 11 december, 1708). Dit wapenfeit liep bepaald niet zo goed af dat daarop de plastische uitdrukking van Mandeville toepasselijk zou zijn. In feite was het feit dat het beleg van Lille werd opgeheven “onwelkom nieuws”, zo schreef hij in 1709. Daarom lijkt het aannemelijk dat het tweede gedicht voor 11 december 1708 is geschreven.

Bernard Mandeville had verschillende redenen om te zeggen, dat de Indiaensche prullen Thijs nog best lang zorgen zouden gaan baren. In The Female Tatler (nr. 67) komt hierover, niet van de hand van Bernard Mandeville overigens, een aardige scène voor:

 

Nadat Emilia en ik [Arabella] bij een India House wat van ons eigen geld hadden verkwanseld, zaten we de verscheidenheid van mensen te observeren die zulke plekken vaak bezoeken en zagen hoe verschillend hun voorkeuren bij de schilderijen, waaiers, Chinees porselein en dergelijke modieuze onbenulligheden waren. Lady Praise-All onderzocht de prullaria met een verbazing alsof zij een nieuw zintuig had gekregen - deze koppen waren prachtig, die edelstenen ongeëvenaard en van zulke wonderbaarlijke kruiken had ze nooit gehoord - alles werd verschoven om de nieuwsgierigheid te bevredigen van de lady, die bezwoer dat zij wel een vermogen zou willen besteden voor zulke wonderbaarlijk mooie dingen, een sloot thee dronk en wegbanjerde zonder zes stuivers te besteden. Mevrouw Trifleton kwam met zoveel boodschappen namens de dames van het platteland, dat we dachten dat ze het pakhuis had leeggehaald en ze staarde naar de knappe leerjongen alsof zij verwachtte dat hij bij de koop was inbegrepen. Zij wilde mooiere dingen dan die ooit gemaakt waren en zou, als ze deze had kunnen krijgen, hebben geëist dat ze goedkoper waren dan dat ze waren ingekocht.

 

De vraag voor de toekomst was of de nieuwe, gefuseerde Oost Indische Compagnie voldoende winst zou maken om dividend aan het nu grote aantal aandeelhouders te kunnen uitkeren. Ook zou de regering misschien weer een lening gaan eisen, als de belastingen niet genoeg opbrachten (de mensen waren arm als een luis). En er golden specifieke protectionistische maatregelen ten gunste van de Engelse wolnijverheid en tegen goedkope importen uit India. Maar de verwachtingen van Bernard Mandeville zijn niet uitgekomen. De handel van de Compagnie was vanaf 1708, of tenminste vanaf 1711, zodanig dat, aldus Adam Smith, zij elk jaar een matig dividend kon uitkeren. Het aandeel werd een goudgerande belegging.

 

8. Wending 

 

De Thijs - gedichten lijken de cruciale wending in het schrijverschap van Bernard Mandeville van poëzie naar proza aan te kondigen. Deze wending heeft tot dusver in de literatuur geen bijzonder aandacht gekregen. Twee aspecten vallen hierbij op.

        Blijkbaar was Bernard Mandeville met zijn dichterschap aan het eind van zijn Latijn gekomen en er na 1705 nog niet in geslaagd op een andere manier invulling te geven aan zijn drang om te schrijven, waarbij bedacht moet worden dat die manier ook economisch zinvol voor hem moest zijn. Dit moet hem in de richting van proza hebben getrokken.

        Interessant is daarnaast dat Bernard Mandeville zijn eerste proza, De Maagd Ontmaskerd van 1709 en zijn bijdragen aan The Female Tatler (De Vrouwelijke Tateraar) in de periode van eind 1709 - begin 1710, vanuit een optiek van vrouwen heeft geschreven. Dit nu geldt ook voor de Thijs-gedichten, die immers “op het spoor van Annetje” zijn. Mogelijk hebben deze Thijs-gedichten tot bepaalde reacties geleid die hem geïnspireerd hebben om met die vrouwelijke optiek voorlopig nog maar even door te gaan.

 

© ACJ

II. De Thijs-gedichten en de Nederlandse literatuur

  

   Tekst van het artikel in Trouw van 12 april 2005.

 

Ons boegbeeld van Verlichting

                                           

                                                     Mandeville

 

,,We mogen best trots zijn op die man'', zegt hoogleraar achttiende-eeuwse letterkunde André Hanou [www.web.mac.com/andrehanou] over Mandeville (18de eeuw), van wie onlangs gedichten opdoken.

 

door Peter Henk Steenhuis

 

Engeland is in oorlog. Het land is blut, de belastingen gaan omhoog, de welvaart neemt af, er wordt een heus allochtonendebat gevoerd over de vele Nederlanders die het eiland overstromen. In die tijd schrijft de in Londen woonachtige Nederlandse arts en filosoof Bernard Mandeville (1670-1733) een paar gedichten. Op het eerste gezicht niemendalletjes. Hij klaagt: zijn schoenen zijn aan het einde, over zijn kousen wil hij het ook niet hebben, maar met zijn broek, die oude knecht, is het zo slecht gesteld dat zijn poppegoed haast in de lucht hangt.

        Er is meer aan de hand, want aan het einde van het gedicht blijkt niet Mandeville er zo beroerd aan toe te zijn, maar Engeland als geheel. Voor André Hanou, hoogleraar achttiende-eeuwse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen, maken vooral die verwijzingen naar kledingstukken het gedicht interessant.

        Hanou beschouwt Mandeville als een van de boegbeelden van de Nederlandse verlichting. ,,Onze landgenoot Mandeville verbleef in Engeland en publiceerde in het Engels. Hij is wereldberoemd geworden met zijn 'Fable of the Bees' (1714) waarin hij gedachten formuleerde over het verband tussen welvaart en moraal.

        We mogen best trots zijn op die man -net als op de eveneens in de achttiende eeuw in heel de wereld gelezen Frans Hemsterhuis (1721-1790) over wie we in ons land eveneens weinig vernemen.''

        Hoe komt het dat wereldberoemde Nederlandse schrijvers uit ons geheugen verdwijnen?

        Enigszins ironisch zegt Hanou dat wanneer het om de literatuur van onze verlichting gaat, te vaak de oude encyclopedie van oma uit de kast wordt gehaald. ,,Daarin wordt doorgaans alleen iets gemompeld over Voltaire en goddeloze Fransen, zodat het hedendaagse publieke debat over wat die Verlichting 'bij ons' in die periode wilde en voorstelde meestal heel weinig te maken heeft met de Nederlandse realiteit van toen.''

        Geven deze gedichten daar wel een beeld van?

        Hanou: ,,Op een bepaalde manier wel. Wie de tekst van de nieuwgevonden gedichten uit 1708 leest op de Mandeville-website, zal soms een glimlach niet kunnen onderdrukken. De schrijver is van plan zijn 'manke' gedichten aan een rijke zakenman aan te bieden, om zo een zakcentje te verdienen.

        Deze gelegenheidsgedichten zijn, zoals de schrijver zelf zegt, muntdichten. Waarom heeft hij dat geld nodig? Zijn kleren zijn versleten, je kunt zo ongeveer door zijn broek heen kijken. Hij zegt dat zijn poppegoed -dus: zijn balletjes en penis- te zien is. Help mij uit mijn penibele situatie!''

        Dat klinkt allemaal niet hoog en verheven.

        ,,Nee. Klopt. De toon van deze gedichten is ironisch. Het heeft nauwelijks te maken met het zware, orgelende, van de renaissance. Dit is ordinair werelds. Wie vertrouwd is met onze letteren, herkent stijl en toon van bijvoorbeeld de arts en dichter Willem Godschalk van Focquenbroch (1640-1670).''

        Waarin komen zij overeen?

        ,,Ook Focquenbroch deed aan debunking. In een klaagdicht over de teloorgang van de grootsheid van de piramiden van Egypte, en de tempels van Rome, waar men nog slechts honden ziet pissen, spreekt die schrijver ineens zijn zorg uit over het gat dat hij in zijn fulpen rok bespeurd heeft. Dat is minstens zo belangrijk. Focquenbroch haalt het hoge van de Ouden voortdurend naar beneden.''

        Hun tijd is voorbij.

        ,,Ja. het gaat om het vaak triviale hier en nu. Focquenbroch bestaat het om een bundel op te dragen aan het kakkende huisaapje van een vriendin, en te verklaren dat zijn gedichten, als ze niet bevielen, goed genoeg zijn om als scheurpapier te gebruiken in de publieke toiletten van Amsterdam. Een van Mandeville's gedichten eindigt op precies dezelfde manier: als hij maar een onkostenvergoeding krijgt, mag de ontvanger zijn 'Gat' afvegen 'met dit Papier'.

        ,,Veel interessanter dan het probleem wie welke invloed heeft uitgeoefend, is de constatering dat in het werk van Mandeville een preoccupatie zichtbaar lijkt te worden met de basische metafoor 'kleding', als uitdrukking van de idee dat wij mensen gekleed gaan in schone schijn, en dat er misschien geen inhoud te vinden is achter onze opsmuk.''

        Waarom is die metafoor interessant?

        ,,Als er geen inhoud achter onze opsmuk zit, zou dat ook wel eens kunnen gelden voor de hele maatschappij, het gehele leven. En dan ben je snel bij de vraag; is er wel een basis te vinden voor moraal?''

        Daarmee belanden we in de filosofie.

        ,,Precies. En in de Verlichting. Die maakte zich eindeloos druk over de basis van de moraal. Mandeville zal in zijn 'Fable of the Bees' opteren voor de gedachte dat deugd en publieke moraal het gevolg waren van welbegrepen eigenbelang. Daarmee werd hij beroemd, maar wekte natuurlijk ook de woede van een massa tegenstanders die moraal niet anders konden begrijpen dan als een van God aan de mens meegegeven gen, of als het gevolg van religieuze imperatieven. Dat het hem in deze gedichten helemaal niet om de eigen versleten outfit gaat blijkt overigens pas aan het slot van deze nieuwe teksten. Daarin verklaart hij en passant dat het eigenlijk gaat om de situatie van het land. De koningin heeft, terecht, eindeloos geld nodig om Europa vrij te houden van de imperialistisch denkende Fransen. Maar: het land loopt er schamel bij, de economie bestaat uit gaten, de begroting is pleepapier.''

        ,,De op het eerste oog nogal slordige gelegenheidsgedichten krijgen daar plotseling een brede maatschappelijke dimensie. Het gelegenheidsgedicht wordt voor de goede verstaander welhaast leerdicht. Mandeville is hier waarlijk een tijdgenoot van Jonathan Swift (1667-1745), schrijver van 'Gullivers reizen'. Zijn imaginaire reizen en pamfletten zijn niets anders dan een vorm van begeleiding van de eigentijdse gebeurtenissen en publieke moraal.''

        ,,Deze nieuw ontdekte gelegenheidsgedichten met die wereldse toon, door Mandeville, import-Nederlander in Albion, laten voor het eerst plastisch zien dat de keizer geen kleren aanheeft, en dat de publieke dimensie er naakt bijloopt. Het is een voorbode van zijn latere boodschap: moeten we ons niet druk maken over een nieuwe dressing van de moraal.''

©Trouw

 

 

 

 

 

De Beurs in Londen

 Ons Boegbeeld van Verlichting”, tekst hieronder bij II.