De psychiater Bernard Mandeville over eer, twist en christelijkheid

Arne C. Jansen

 

Individu, samenleving en staatskunst

‘Ik heb niets met Whigs of Tories te maken’, zegt Bernard Mandeville (1670-1733) bij monde van Cleomenes in De oorsprong van de eer en het nut van christelijkheid bij oorlog (1732). Horatio, de gesprekspartner van Cleomenes in dit boek en Tory in optima forma, wil hem in de hoek van de Whigs duwen. Mandeville is daarvan niet gediend. Hij is een onpartijdige dokter, die al helemaal niets moet hebben van partijen die elkaar uitsluiten.

Mandeville wenst niemands zeer aan te raken, behalve om het te genezen. Genezen, liever nog voorkomen, zit in zijn genen, opvoeding en opleiding, en is zijn dagelijkse werk als psychosomatisch arts. Zijn specialisme is het genezen van het zeer dat wordt veroorzaakt door een troebele kijk op jezelf en de wereld om je heen. Omdat zelfsturing en bestuur in (niet: van) een samenleving het nodige met elkaar te maken hebben, houdt Mandeville zich als arts en onderzoeker met beide bezig. Volgens hem is iemands individuele geestelijke en lichamelijke gezondheid het hoogste goed en is bekwaam bestuur het overheersende ethische belang in een samenleving.

De mens- en samenlevingsbeelden die tot dan toe als vanzelfsprekend gelden, komen uit de kokers van theologen en moralisten. Mandeville gaat als eerste aan de slag om de werkelijkheid van de mens en diens samenleving natuurwetenschappelijk en psychologisch te onderzoeken en te verklaren. Hij volgt consequent de invalshoek van zijn specialisatie als psychiater, op welk gebied hij als pionier geldt, en als wetenschapper in het algemeen. Hij beschrijft hoe menselijke samenlevingen en culturen spontaan en onvoorspelbaar veranderen doordat individuele mensen van vlees en bloed onophoudelijk op elkaar reageren en anticiperen. Daarbij laat hij zien hoe verwonderlijk het is dat mensen überhaupt kunnen samenleven, omdat de mens sociaal heel ongeschikt is. Dat ze toch kunnen samenleven, komt doordat de mens een hartstochtelijke sluwerd is met een bewonderenswaardig groot leer- en camoufleervermogen: hij is van nature niet sociaal, maar sociabel.

Van ons samenleven begrijpen we minder naarmate we minder begrijpen van onszelf. Hoewel het tegendeel ons niet zelden wordt voorgehouden, bestaat er geen oorzakelijk verband tussen wat ieder afzonderlijk individu bedoelt en wat er in een samenleving gebeurt. Want wat is een samenleving? Geen concreet ding dat op zichzelf bestaat en een eigen leven leidt, maar een onvoorstelbare wirwar van wisselwerkingen tussen individuen. Een kakofonie, volgens Mandeville, een kakofonie van allemaal afzonderlijke en opmerkelijke stukjes natuur die ieder voor zich worden gedreven door de eigen self-liking oftewel ‘zelfvoorkeur’ -- een begrip waarop we nog nader terugkomen.

Al die verschillende zelfvoorkeuren veroorzaken enerzijds dat geen maatschappij vreedzaam kan functioneren zonder goed bestuur en anderzijds dat besturen ondankbaar werk is. Bestuur en politiek zijn voor de meeste mensen ondoorgrondelijk en hun verwachtingen zijn op de keper beschouwd ongegrond. De stem des volks is geen toonbeeld van oordeelkunde. Opmerkelijk is, aldus Mandeville, het verschijnsel dat hoe meer reden er is om tevreden en gelukkig te zijn, hoe meer de natie wordt belegerd door state hypochondriacks, ‘staatszwaarmoedigen’, dat wil zeggen klagers die altijd chagrijnig, wispelturig, vol kritiek en wantrouwig zijn ten aanzien van de bestuurders en het politieke bestel.

Het is voor een maatschappij als groeperingsvorm noodzakelijk dat er mensen zijn die bestuurder willen zijn. Hun persoonlijke eigenschappen doen er weinig toe; de plussen en minnen vallen tegen elkaar weg. Bestuurders zijn net als alle andere mensen niet in staat om hun interacties te overzien en de gevolgen ervan in de samenleving te voorzien. ‘Partijen die rechtstreeks tegenover elkaar staan, helpen elkaar, als het ware uit wrok’, signaleert Mandeville in zijn befaamde gedicht De morrende korf, of Eerlijk geworden schurken. Voor de functie van premier volstaan gewone capaciteiten. ‘De verstandigste, deugdzaamste en minst egoïstische ministers zijn de beste, maar ondertussen moeten er wel ministers zijn.’

Mandeville noemt het ‘staatskunst’ om in deze kakofonie voldoende harmonie te brengen en houden. Hierbij schuilt de wijsheid niet in personen, maar in de wetgeving en staatsinstellingen die als gevolg van alle politieke bedrijvigheid in de loop van de tijd stukje bij beetje gegroeid zijn. ‘Van alle mogelijke middelen om naties blijvend te verzekeren van hun organisatie en alles waaraan zij verder waarde hechten, is er geen betere methode dan het beschermen en verankeren van hun constitutie met wijze wetten en het bedenken van zodanige vormen van bestuur dat het algemeen welzijn geen grote schade kan ondervinden door het gebrek aan kennis of rechtschapenheid van ministers, als één van hen minder bekwaam of eerlijk zou blijken te zijn dan zij zouden wensen.’

 

Schijnheiligheid, hypocrisie en beschaving

Wie serieus probeert Mandevilles psychosomatische inzichten toe te passen op het eigen zelfbeeld en wereldbeeld, zal ervaren dat dit hem of haar loswrikt van de vele vanzelfsprekendheden en vooroordelen waarmee we door opvoeding en sentimentaliteit geprogrammeerd zijn -- vanzelfsprekendheden en vooroordelen die ons ongevraagd en niet zelden ziekmakend belasten met zowel dwaze lichtgelovigheid als onzinnige angst en wrok.

Mandeville staat met beide voeten op de grond. Hij houdt altijd de blik gericht op de levende, individuele mens als begin- en eindpunt en enig mogelijke verklaringsgrond. Hij ideologiseert en generaliseert niet. Zo vindt hij het misleidend van zijn personage Horatio om de oprechtheid van geestelijken meer te wantrouwen dan die van andere beroepsgroepen: er zijn immers ook geestelijken die wél ‘binnenwaarts christelijk’ zijn.

De bijbel is het geopenbaarde woord Gods waarin Mandeville gelooft. Maar niet alles wat in de bijbel staat is christelijk, met name het Oude Testament niet. Christelijk is voor Mandeville de leer van Christus in het Nieuwe Testament, die van zelfverloochening en vrede. ‘Het bestaan van een godheid kan niet duidelijker worden gemaakt aan onze rede dan dat haar essentie onbekend is en ondoorgrondelijk is voor ons verstand.’

Hoe kijkt Mandeville naar kerken? Kerken als instituties worden niet in de bijbel genoemd. Ze verschillen niet van andere organisaties die mensen op touw zetten. Kerkgebouwen, godsdienstige rituelen, symbolen en mascottes zijn er voor mensen die niet abstract kunnen denken en anders helemaal zouden vergeten dat ze geloven; want afgezien van zeldzame atheïsten gelooft iedereen altijd wel ergens in. Als Mandeville de kerk ‘een heilige speelgoedwinkel’ noemt, illustreert dit zijn mening dat het met elk geloof fout gaat zodra iemand zijn brood ermee gaat verdienen.

De geestelijken in het christendom zijn de opvolgers van de heidense priesters die, toen ze merkten dat de leer van Christus spontaan veld won, bewust van kleur verschoten om hun broodwinning en maatschappelijke positie te behouden. Die priesters voelden er niets voor om hun voorrechten en geriefelijkheden prijs te geven: voor wat hun in het Nieuwe Testament werd ontzegd en verboden, zochten ze hun toevlucht in het Oude Testament.

Van de middelen die kerken niet schromen te gebruiken ter wille van hun macht en rijkdom, behandelt Mandeville vooral de coalitie die ze aangaan met politieke en militaire leiders, hun streven naar ‘nationale’ gelding, het feit dat ze de zedelijke deugd usurperen en slim inspelen op wat de massa plezierig en gemakkelijk vindt. Mensen zijn lichtgelovig, en geloven is gemakkelijk. De grootste onbenul kan persoonlijk godsvertrouwen hebben en elke onverlaat kan godsdienstigheden bedrijven. Door moeilijk te doen over wat gemakkelijk is en gemakkelijk over wat moeilijk is, bevorderen kerken vooral de schijnheiligheid. Maar Mandeville benadrukt dat wat moeilijk is uitgerekend het enige is dat er werkelijk toe doet, namelijk het als persoon leven met inachtneming van de leer van Christus door zelfverloochening te betrachten.

Schijnheiligheid is voor Mandeville niet hetzelfde als huichelarij. Wanneer hij beweert dat mensen niet kunnen samenleven zonder huichelarij, dan doelt hij niet op degenen die hij, ter onderscheiding van de modieuze huichelaars, de kwaadaardige huichelaars noemt. Kwaadaardige huichelaars zijn gewoonweg bedriegers en oplichters. Modieuze huichelarij geldt echter als beschaving. Onze opvoeding is er in hoge mate op gericht om van ons modieuze huichelaars te maken, omdat we elkaar anders om de haverklap bruut in de haren vliegen. Modieuze huichelaars ‘zijn tamelijk weldadig voor de samenleving en kunnen slechts beledigend voor zichzelf zijn’.

Hoe verfijnder de beschaving, hoe hypocrieter we zijn. We doen mee met de buren ‘zonder enig godsdienstig motief of plichtsbesef [...] op grond van geen ander beginsel dan een afkeer van uitzonderlijkheid en een wens om met de mode mee te doen’. De ook volgens Mandeville essentiële sociale smeermiddelen van goede manieren, beleefdheid of fatsoen vallen bij hem onder dezelfde noemer van hypocrisie. Is dat terecht? Mandeville: ‘Om uiterlijk vertoon te maken van wat innerlijk niet wordt gevoeld en voor te wenden wat niet echt is, is zeker huichelarij, of het nu goed doet of schade toebrengt.’

 

Zelfvoorkeur

Oorlogen worden door kerkmensen verdedigd. Mandeville: ‘Als plundering of bloedvergieten door een preek moet worden gerechtvaardigd of aangemoedigd, als mannen door een pathetisch betoog moeten worden gemaand tot strijd, plundering van een stad of verwoesting van een land, dan wordt de tekst altijd uit het Oude Testament gehaald.’ Dat ‘tot strijd manen’ lukt doordat bijna iedereen wel ergens in gelooft, dat wil zeggen een al dan niet bewust besef heeft van de noodzakelijkheid van een onbekende en onzichtbare eerste oorzaak, hoe die verder ook wordt aangeduid. Geestdrijverij is in een menigte even besmettelijk als gapen. Geestelijken kunnen soldaten met dubbele ijver laten vechten door ze te laten geloven dat ze Gods werk doen, aldus Mandeville.

Wat we bij Mandeville lezen over het structurele probleem van de relatie tussen kerk en geweld, wijkt in de kern niet af van wat bisschop Ernst daarover zegt in ‘Leent godsdienst zich voor vrede of voor oorlog?’, een essay in de bundel Godsdienst en geweld (1998). De geschiedenis en de actualiteit laten geen andere conclusie toe dan dat godsdienst zich uitstekend leent voor oorlog en geweld. Terwijl de beste christenen geen soldaten zijn, zijn de beste soldaten wel steeds ‘christenen’, aldus Mandeville.

Christendom en christelijkheid zijn twee totaal verschillende dingen. Het nut van christendom bij oorlog is dat het soldaten aanmoedigt. Het nut van christelijkheid bij oorlog -- zoals het in de titel van het boek staat -- is dat christelijkheid soldaten ontmoedigt. In Mandevilles optiek behoren kerken zich verre te houden van elk streven naar wereldlijke macht en rijkdom. Geestelijken zouden ook wettelijk geen andere positie mogen innemen dan bijvoorbeeld schoolonderwijzers.

 

Oorlog had in de tijd van Mandeville de status van een gentleman’s game, een collectief duel. Het waren heren soldaten die naar het veld van eer vertrokken. Deze eer was ontstaan en ontwikkeld doordat ‘moralisten en politici’ hadden uitgevonden dat ze mensen bang voor zichzelf konden maken. ‘Zodra ontdekt werd dat vele ondeugdzame, ruziemakende en onverschrokken mensen die God noch de duivel vreesden, toch vaak werden ingetoomd en duidelijk tegengehouden door de vrees voor schande, en ook dat deze vrees voor schande door een kundige opvoeding buitengewoon zou kunnen worden vergroot en zelfs sterker gemaakt dan de vrees voor de dood, hadden zij [moralisten en politici] de ontdekking gedaan van een echte band die vele edele doelen in de samenleving zou dienen.’ Eer is angst voor schande, vrees voor de mening van anderen. De schaamte die we allemaal van nature hebben, wordt bewust opgeklopt om ons ontvankelijk te maken voor eer.

De oorsprong van de eer ligt in onszelf, in onze zelfvoorkeur. Dat geldt ook voor onze zedelijke deugden, want ‘de zedelijke deugden zijn de politieke vrucht die vleierij bij de trots verwekte’. Onze zelfvoorkeur heeft dus een januskop, waarvan het ene gezicht dat van onze trots is en het andere dat van onze schaamte.

Wat bedoelt Mandeville met zijn kernbegrip self-liking, zelfvoorkeur? Beslist niet eigenbelang, zelfzuchtigheid of eigenliefde. Zelfvoorkeur drijft iedereen en kent een externe gerichtheid. Mandeville: ‘Elk schepsel moet een echte voorkeur voor zijn eigen wezen hebben die uitgaat boven die welke het voor een ander wezen heeft.’ Zelfvoorkeur betekent dat ieder van ons zichzelf hoger waardeert dan zijn reële waarde, maar tegelijk nooit zonder twijfel is: ze gaat gepaard met onze bedeesdheid of bezorgdheid dat we onszelf inderdaad overwaarderen. Daarom zijn we permanent op zoek naar bevestiging door anderen en vergelijken we ons eeuwig met anderen om voor onszelf het verschil te maken. Vergelijkende organismen zijn we meteen al in de wieg. Door het bespelen van elkaars zelfvoorkeuren programmeren en polijsten de afzonderlijke individuen elkaar, en zo ontstaan en veranderen steeds onwillekeurig de gezamenlijke gewoonten, gebruiken en uitvindingen die we cultuur noemen.

Wat de eer betreft kende het opromen van onze schaamte aanvankelijk nog een breed ethisch kader: denk aan de hoofse cultuur in de Middeleeuwen waarin eer een centraal besef was. Via de nog relatief genuanceerde gotische eer van de ridders, van wie Don Quichot de laatste imitator was, werd de eer allengs toegespitst op fysieke dapperheid. De gentleman uit Mandevilles tijd, de moderne man van eer, hoefde alleen nog maar lippendienst te bewijzen aan de moeilijkere deugden als nederigheid en kuisheid, als hij maar niet laf was en geen enkele belediging over zijn kant liet gaan. De gentlewoman, zijn vrouwelijke tegenhanger, moest voor alles kuis zijn.

De eercultuur is hachelijk. Het minste kan als eerroof betiteld worden en aanleiding zijn voor doden of duelleren. Feitelijk werd er in de achttiende eeuw weinig geduelleerd. De beeldvorming van duels en dus van wat eervol en eerloos moest worden gevonden, was sociaal gezien het belangrijkst. Deze beschavende erecodes zijn allengs vanuit de beau monde democratisch in den brede doorgesijpeld, althans in ‘westerse’ samenlevingen.

Volgens Mandeville is het beginsel van de eer onverenigbaar met dat van christelijkheid. De eer betekent in essentie dat mensen zichzelf als afgod aanbidden, terwijl christelijkheid juist van hen verlangt dat ze niet aanmatigend zijn. Tegelijk stelt Mandeville vast dat ‘de uitvinding van de eer voor de beschaafde samenleving veel gunstiger is dan die van de deugd’. Wat hij onder deugd verstaat, wordt nog besproken.

[...]

Vreedzaamheid door bestuur en zelfverloochening

Mandeville beoogt met zijn aanpak dat zijn patiënten en lezers zelf hun eigen empirische oriëntatie ontwikkelen, zodat ze in staat zijn om beter met zichzelf bekend te worden. Hij past daarbij de heuristische methode toe. Dit betekent onder meer dat hij zijn inhoudelijke meningen of voorstellen, zoals die in Een bescheiden verdediging van openbare bordelen, aanreikt als katalyserende denkoefeningen. Patiënten met wanen (onder wie hij ook staatszwaarmoedigen als Bolingbroke schaart) begeleidt hij om ‘zichzelf tot gezondheid te redeneren’. Lezers in het algemeen leert hij vrijelijk te denken ‘door de kluisters van vooroordeel en ketenen van menselijke autoriteit af te schudden en zo tot de wijsheid op te klimmen’, wat nodig is om gezond en gelukkig te kunnen worden en blijven. ‘Er is geen betere manier om ongegronde jaloezie en panische angsten te genezen dan door te durven onderzoeken en de dingen vrijmoedig aan te kijken.’

Dit is niet alleen nodig om ontspannen om te gaan met datgene wat ‘onze staatszwaarmoedigen dagelijks in onze oren zoemen’, maar ook om met verwondering het feit onder ogen te zien dat er ‘in alle beschaafde samenlevingen en gemeenschappen een geest aan het werk schijnt te zijn die zich [...] altijd inzet voor en zoekt naar wat nooit verkregen kan worden, zo lang als de wereld bestaat’, namelijk ‘het volkomen gelukkig maken van de mensen op aarde’.

Mandevilles constatering, geen klacht, over de gevolgen hiervan klinkt ons bekend in de oren: ‘Dus maken mensen wetten om elk ongemak waarmee ze te maken krijgen te ondervangen, en doordat de tijd de ontoereikendheid van die wetten voor hen blootlegt, maken zij andere wetten met de bedoeling om de eerdere af te dwingen, te herstellen, uit te leggen of in te trekken, totdat het stelsel van wetten tot zo’n enorme massa uitgroeit dat het een saaie, langdradige studie kost om ze te begrijpen, en de grote aantallen mensen die de uitvoering ervan in de gaten houden en daarvan deel uitmaken, een bijna even grote grief gaan vormen als die welke van onrecht en onderdrukking gevreesd zou kunnen worden.’

Wie zoals Mandeville vreedzaamheid echt van belang vindt, moet naar alle verschillen tussen mensen kijken. Oorlog is voor hem niet alleen geweld tussen naties, maar elke vijandigheid en ruzie tussen mensen. Mandeville: ‘Er is niets zo klein, zo onschuldig of zo onbetekenend waarin individuen van onze soort kunnen verschillen, of zelfvoorkeur kan er een aangrijpingspunt van maken om te ruziën.’ En onze zelfvoorkeur doet wat ze kan. Wie en wat van onszelf verschilt en ons niet bevestigt in onze eigen zelfvoorkeur, willen we van nature het liefst meteen uitsluiten, vernietigen of onderwerpen. Maar deze reactie vanuit ons ‘instinct van heerschappij’ is kinderlijk en primitief, ook als ze wordt georganiseerd in kerken, partijen en bewegingen, dan wel belichaamd in Bolingbrokes vaderlijke koning of de roep om een sterke man.

Als onze psychosomatische zelfvoorkeur ons er zo banaal toe aanzet om de ander te domineren en als zij de ander belet om daadwerkelijk de ander (c.q. het eigen zelf) te zijn, wat is er dan -- afgezien van een bekwaam bestuur dat noodzakelijk is om onze persoonlijke verschillen in belangrijke mate te beveiligen en vreedzaamheid af te dwingen -- nog mogelijk of wenselijk?

Wat mogelijk of wenselijk is, antwoordt Mandeville, en dan uitsluitend op individuele basis, dat is vreedzaamheid door zelfverloochening. Hij redeneert primair vanuit de opvatting dat iemands individuele geestelijke en lichamelijke gezondheid het hoogste goed is. Zelfverloochening betekent hier zelfsturing in de zin van de macht over jezelf uitoefenen om, tegen de werking van je zelfvoorkeur in, van een verschil geen geschil te maken. Want niet gelijkheid maar verschil maakt ieders identiteit uit. Gelijkheid gaat ten koste van persoonlijke identiteit, aan weerszijden, terwijl feitelijke vreedzaamheid deze eigenheid vestigt.

 

Deugdsanering

Zonder zelfverloochening geen deugd, herhaalt Mandeville in het voorwoord van Een onderzoek naar de oorsprong van de eer en het nut van christelijkheid bij oorlog. Deugd is voor hem een individuele, innerlijke aangelegenheid. Een daad is een deugd als deze bewust en rationeel is, tot voordeel strekt van anderen dan wel de eigen hartstochten bedwingt en ingaat tegen de impuls van de eigen natuur. Ziehier het preventieve en curatieve advies van dokter Mandeville ten behoeve van de individuele psychosomatische gezondheid, mede op de lijn van de ‘grote arts van de ziel’, Christus.

Met dit begrip van echte deugd -- waarvan geen schoorsteen kan roken en waaraan de wereld ten onder zou gaan -- saneert Mandeville een flink deel weg van wat gewoonlijk als deugd wordt aangemerkt. Zijn motief is dat de vermeende deugden waarop hij doelt, ons een verkeerd beeld geven van onszelf en onze samenleving en daardoor schadelijk zijn voor onze gezondheid. Hiertoe behoren daden en strevingen die verband houden met medelijden, schuldgevoel, de bevrediging van de natuurlijke impulsen als trots en/of schaamte (zelfvoorkeur), of daden die toevallig goed uitpakken dan wel vallen onder de goede omgangsvormen (zedelijke deugd). Vele hiervan, maar beslist niet alle, zijn volgens Mandevilles maatstaf ondeugden. Maar particuliere ondeugden hoeven maatschappelijk niet slecht te zijn: van nogal wat ondeugden heeft hij in De fabel van de bijen aangetoond dat ze, mits onder bekwaam bestuur, weldadig en onmisbaar zijn voor onze beschaving en welvaart.

Deze herwaardering van deugd en ondeugd viel in slechte aarde bij mensen als de eerdergenoemde Law en Hutcheson. In het voorwoord, dat vermoedelijk is gebaseerd op de verdediging van De fabel van de bijen die hij al had geschreven voordat Bolingbroke hem aanviel en waarvan hij de publicatie had aangehouden, reageert Mandeville op deze critici die redeneren vanuit kerkelijke dan wel filosofische belangen en die een al dan niet uitgesproken sympathie hebben voor een of ander partijdig of ideologisch bestuur.

Nergens in zijn werk steekt Mandeville zijn identiteit onder stoelen of banken, maar dat betekent niet dat iedereen deze identiteit zomaar herkent, laat staan erkent. Zij blijkt misschien wel het duidelijkst uit het voorwoord en de dialogen van Het onderzoek naar de oorsprong van de eer en het nut van christelijkheid bij oorlog. Het is een zelfgestuurde identiteit om gezond en gelukkig te kunnen zijn in een wereld die, zoals we steeds weer kunnen vaststellen, niet beschaafd en welvarend kan zijn zonder een bekwaam bestuur.

 

Verzameld Werk, deel IV

 

 

 

 

 

 

De psychiater

 

Bernard Mandeville

 

over eer, twist en christelijkheid