Bolingbroke, alias ‘Horatio’
de vriend van ‘Cleomenes’.
De dialoog is bij Mandeville geen willekeurig literair procédé, maar zijn therapeutische behandelmethode. Hij gebruikt deze in Mensen spreken niet om begrepen te worden (2007) en in De oorsprong van de eer en het nut van christelijkheid bij oorlog (2009). In beide dialoogboeken gaat een zekere Cleomenes in gesprek met Horatio.
De namen zijn gefingeerd, maar de personen erachter niet. Cleomenes heet in het boek een vriend van Mandeville als de schrijver van De fabel van de bijen te zijn, maar is feitelijk dokter Mandeville zelf. Terwijl ze elkaars vrienden worden genoemd, is hun verhouding ongelijkwaardig. Cleomenes behandelt Horatio als een patiënt.
Wie was Horatio? Door Mandevilles informatie over Horatio te combineren met de resultaten van recent onderzoek, kunnen we concluderen dat met Horatio Henry Saint John, burggraaf Bolingbroke (1678-1751) wordt bedoeld.1)
1. De vraag naar de identiteit van Horatio is, voor zover ons bekend, tot dusver niet in de literatuur behandeld. Blijkbaar werd gedacht dat Horatio een fictief personage was, ondanks Mandevilles beschrijving van hem in het voorwoord van Mensen spreken niet om begrepen te worden (2007), en verspreid in de dialogen van zowel dat boek als in het onderhavige boek. Doordat we van een document, dat tot dusver in de Mandeville-literatuur over het hoofd is gezien, konden vaststellen dat Bolingbroke er de auteur van moest zijn, kon een eerste verbinding gelegd worden tussen Mandevilles Horatio en Bolingbrokes opmerkelijke persoonlijkheid en levensloop. De titel van het bedoelde stuk is An Account of the True Author of two Infamous Libels (1727) en het is zowel in het Engels als vertaald te lezen op deze website www.bernard-mandeville.nl. De volgende vraag was waarom de naam Horatio voor Bolingbroke zou zijn gekozen, en in het verlengde daarvan, waarom de naam Cleomenes voor Mandeville zelf. Gebleken is dat Bolingbroke destijds in het ‘Augustan England’ of de ‘Augustan Age’ van Engeland vrij algemeen als ‘Horace’ werd beschouwd, in zijn eigen Tory-kring als teken van bewondering (en in het Whig-kamp satirisch), als de verpersoonlijking van het verzet tegen Robert Walpole, en in lijn met het feitelijk gebruik dat in Bolingbrokes kring van de dichter Horatius werd gemaakt om het Engeland onder Walpole te hekelen. Terwijl Isaac Kramnick Bolingbroke en The Craftsman in feite aan elkaar gelijk stelt (Bolingbroke and his circle (1968), blz. 274, noot 43), concludeert Jacob Fuchs dat ‘Horace’ meer dan een vriend, zelfs ‘an exemplar for the Craftsman’ is (Reading Pope‘s Imitations of Horace (1989), blz. 48-9). Bolingbroke zag zichzelf ook als de Engelse Horatius. Zo wordt Bolingbrokes geschrift The Craftsman extraordinary, being Remarks etc. (1729) in The Craftsman nr 132 van 11 januari 1729 aangekondigd als ‘Horace against Robin’ (Robin is Robert Walpole). Aan de kant van de Whigs komt ‘Horatio’ als aanduiding van Bolingbroke voor in twee dialogen van ‘Publicola’ (pseudoniem van James Pitt), A Dialogue between Philocles and Horatio en A second Dialogue between Philocles and Horatio, die beide verschenen in Walpoles The London Journal nr. 504 van 29 maart 1729 resp. nr. 529 van 20 september 1729. (N.B. Pitts dialogen werden vroeger toegeschreven aan Benjamin Franklin; vgl. A.O. Aldridge, Franklin’s “Shaftesburian” dialogues not Franklin’s: A revision of the Franklin canon, in American Literature, Vol. 21, No. 2 (May, 1949), blz. 151-159). Ook de ‘academical oration’ getiteld The Character and Stile of Horace, and the Advance of Latin Poetry, die de pro-Walpole ‘orator’ en schrijver John Henley (1692-1756) op 21 december 1726 hield, moet toespelingen op Bolingbroke hebben bevat. Afgezien van de bruikbaarheid die het dichtwerk van Horatius blijkbaar voor Bolingbroke c.s. had voor hun oppositie tegen Walpole c.s, is de parallel opmerkelijk tussen Bolingbroke en Horatius wat hun levensloop betreft. Net als Bolingbroke groeide Horatius (65-8 v.Chr.) niet op in een normaal gezinsverband. Hij kreeg wel een goede opleiding en ging van Rome naar Athene om zich in de Griekse cultuur en wijsbegeerte te verdiepen, zoals ook Bolingbroke belangstelling had voor de antieke cultuur en wijsbegeerte en naar het buitenland reisde. Horatius sloot zich in Griekenland bij Marcus Brutus aan, die kort daarvoor Caesar had vermoord, voor de strijd tegen Octavianus en Antonius. Hij werd in diens leger stafofficier en nam deel aan de verloren veldslag bij Philippi (42 v. Chr.). Bolingbroke was op jonge leeftijd al minister van Oorlog van Engeland en de facto premier toen koningin Anna in 1714 overleed. Zijn poging om te voorkomen dat George I van Hannover op de troon kwam, mislukte. In zijn ballingschap was betrokken bij de mislukte Jacobietische invasie in Schotland. Dankzij een amnestie kon Horatius naar Rome terugkeren. Als geletterd man restte hem niets anders dan schrijver te zijn, het niet-begeerde lot dat ook Bolingbroke ten deel viel na zijn amnestie en terugkeer naar Engeland. Terzijde: de persoonsnamen Horace en Horatio, die beide Horatius betekenen, zijn uitwisselbaar. Mandeville moest wel voor Horatio kiezen om Bolingbroke van de dichter Horatius te onderscheiden, die hij in De wereld gaat aan deugd ten onder (2006), blz. 128, ‘my friend Horace’, mijn vriend Horatius, noemt.
Bolingbroke was in de eerste helft van de achttiende eeuw de meest vooraanstaande en opzienbarende Tory-politicus.2)
2. Vgl. H.T. Dickinson, Bolingbroke (1970), Dickinsons biografie van Bolingbroke in de Oxford Dictionary of National Biography op deze website, en Isaac Kramnick, Bolingbroke and his circle (1968). Voor een beschrijving in het Nederlands van Bolingbrokes onevenwichtige persoonlijkheid, zie Paul Hazard, Het Europese denken in de achttiende eeuw, van Montesquieu tot Lessing (1993), vert. Frans de Haan, blz. 356-7.
Gewoonlijk wordt hij in een adem genoemd met de belangrijkste Whig-politicus Robert Walpole (1676-1745), zijn gehate aartsrivaal.
Bolingbroke was ten tijde van het overlijden van koningin Anna in 1714 de leidende minister in de Tory-regering. Zijn mislukte Jacobietische pogingen om te voorkomen dat het huis Hannover op de Engelse troon zou gaan zetelen, in plaats van het bij de Glorious Revolution (1688) verdreven huis Stuart, leidde tot een onderzoek naar hoogverraad, onder leiding van Walpole. Daarop vluchtte Bolingbroke in 1715 naar Frankrijk. De Engelse regering, met Walpole als eerste minister, verleende hem in 1723 amnestie en twee jaar later keerde Bolingbroke terug. Walpole verhinderde echter dat Bolingbroke opnieuw een politieke functie kreeg. De ondergang van Walpole werd toen Bolingbrokes enige doel. Om deze strijd te voeren begon hij in december 1726 met het tijdschrift The Craftsman.
Bolingbroke en zijn kring -- waartoe bekende schrijvers als Jonathan Swift, Alexander Pope en John Gay behoorden -- beschouwden Mandeville als de filosoof van Walpoles New England van na de genoemde Glorious Revolution. Het ‘nieuwe Engeland’ was in de ogen van Bolingbroke en de zijnen verrot en corrupt door het ‘Nederlandse systeem’ van banken, beurzen en financieel krediet.3)
3. De politieke strijd tussen Tories en Whigs kan op hoofdlijnen omschreven worden als een machtsstrijd tussen de aristocratie van het platteland en de stedelingen, tussen landadel en kooplieden of tussen oude en nieuwe rijken. Daaraan was een opvatting gekoppeld, dat de Tories zich met het landsbestuur bezighielden doordat zij over een ‘civic virtue’ beschikten, terwijl de stedelingen dit deden om eigen geldelijk gewin. In termen van ‘oud geld’ versus ‘nieuw geld’ spitste het geschil zich toe op het oude en nieuwe geldstelsel. Het oude stelsel was dat van het standaardgeld, het nieuwe dat van het fiduciaire geld en inherent hieraan geldschepping door allerlei vormen van kredietverlening, termijnhandel en speculatie, en ook de mogelijkheid van staatsschuld. Dit nieuwe stelsel werd ook wel het ‘Nederlandse stelsel’ genoemd. Afgezien van de ontwikkeling ervan in Nederland, zie hiervoor bijvoorbeeld de inleiding van M.F.J. Smith bij Josseph de la Vega (ca. 1650-1692), Confusion des confusiones, Verwarring der verwarringen (1688/1939) (www.dbnl.org), werd het in Engeland geïmplementeerd onder koning-stadhouder Willem III. Dit leidde onder meer tot de oprichting van de Bank of England (1694). De eerste faillissementen van banken vonden er al tegen het einde van de 17e eeuw plaats en kort daarop volgden er meer, met als de grootste aandelenmarkt-crisis die van 1720, de befaamde en ingrijpende South Sea Bubble. De reacties op dergelijke crises zijn steeds tweeërlei geweest: meer of betere regulering en toezicht enerzijds, een reactie die in de lijn van Mandeville ligt (‘distrust is the mother of security’), en anderzijds verschillende politieke en moralistische betogen, waaronder het afschaffen van het zgn. Nederlandse stelsel en de roep om een primitieve ruileconomie. Mandeville heeft zich expliciet over de financiële crisis van 1720 uitgesproken in De wereld gaat aan deugd ten onder (2006), blz. 74-5: ‘Het jaar zeventienhonderdtwintig is even rijk aan zware schurkachtigheid en even opmerkelijk wegens zelfzuchtige misdaden en opzettelijk onheil geweest als om het even welk jaar uit welke willekeurige eeuw dan ook niet begaan door arme onwetende boeven die niet konden lezen of schrijven, maar door het betere slag mensen wat rijkdom en onderwijs betreft, zodat de meesten grote meesters in het rekenen waren en met een goede naam en in pracht leefden.’ Voorts in Mensen spreken niet om begrepen te worden (2007), blz. 332: ‘De hoogste titels en de meest illustere geboorten zijn geen zekerheid tegen inhaligheid. Personen van de hoogste stand die feitelijk genereus en royaal zijn, zijn vaak even begerig naar winst wanneer het hun de moeite waard is, als de meest vrekkige handwerkslieden naar habbekratsen. Het jaar 1720 heeft ons geleerd hoe moeilijk het is die edele geesten te vinden die gewin verachten, wanneer het vooruitzicht bestaat er enorm veel van te krijgen.’
Zie ook het trefwoord ‘geld’ op blz. 343 van laatstgenoemd boek. Wat in de samenleving gebeurt, valt niet te voorspellen. De financiële crisis van 2008 zou Mandeville echter niet verbaasd hebben. Mandeville zegt in Een brief aan Dion, opgenomen in De fabel van de bijen (2008), blz. 256: ‘Dat eerlijkheid de beste gedragslijn is, zelfs wat wereldse zaken betreft, is in het algemeen waar, maar zij brengt de mensen niet zo vaak tot grote rijkdom en macht als schurkerij en ambitie. Gelegenheid is een grote deugniet. Procuratiehouders, geldmakelaars, bankiers en effectenmakelaars alsmede allerlei agenten kunnen in hun beroep ongetwijfeld even eerlijk zijn als mensen met welk ander beroep ook. Maar het is bij alle zaken duidelijk dat hoe groter het vertrouwen is dat in personen gesteld dient te worden en hoe meer hun transacties geheim zijn en zodanig dat zij er slechts verantwoording voor schuldig zijn aan God en hun geweten, zij des te meer speelruimte hebben om zonder ontdekt te worden een schurk te zijn. Zou nu een zakenman wanneer hij een grote kans heeft anderen straffeloos te bezwendelen, een sluwe oplichter, een inhalige vrek of een verdorven huichelaar zijn: kan het dan nog een vraag zijn of het niet waarschijnlijker is dat hij binnen enkele jaren een groot vermogen verdient dan dat een menslievende, godsdienstige man, vanuit eenzelfde startpositie, dat doet in hetzelfde of een ander beroep dat even voordelig is voor eerlijke handelaren, maar wiens voornaamste zorg niet voor deze wereld is.’ Geld had voor Mandeville persoonlijk maar een betrekkelijke waarde. Vgl. De wereld gaat aan deugd ten onder (2006), blz. 255: “Hij zegt erover: ‘Ik waardeer dit op dezelfde manier zoals de meeste mensen hun gezondheid waarderen, waarbij, weet je, zelden wordt stilgestaan behalve wanneer zij gemist wordt.’ En wat het streven naar rijkdom betreft: ‘Ik ben altijd zuinig genoeg geweest om daarvoor geen reden te hebben’.”
Bolingbrokes alternatief werd gevormd door wat hij in 1738 opschreef als het denkbeeld van een ‘patriot-koning’, een aristocratische ideologie in de trant van Fénelon, die Mandeville al in 1705 had afgedaan als een ‘ijdele utopie, gezeteld in de hersenen’.4)
4. Vgl. De morrende korf, of Eerlijk geworden schurken in De fabel van de bijen (2008), blz. 41. Bolingbrokes Idea of a Patriot King is van 1738. Zijn politieke ideologie van aristocratisch bestuur is echter altijd dezelfde geweest en komt overeen met die van Fénelon in zijn prozafabel De bijen (Les abeilles) en Les Aventures de Télémaque (1699). Zie hiervoor De fabel van de bijen (2008), noot 38. Het is niet uitgesloten dat Mandevilles Morrende korf, of Eerlijk geworden schurken (1705) al een reactie op Bolingbroke was. Mandevilles uitwerking hiervan in de eerste versie van The Fable of the Bees, Private Vices, Publick Benefits (1714) verscheen toen Bolingbroke op het toppunt van zijn politieke macht stond.
In de periode december 1726 - mei 1727 haalde Bolingbroke, niet alleen in The Craftsman maar ook nog in een afzonderlijk pamflet, hard uit naar Mandeville. Bolingbroke richtte zijn aanvallen op verschillende punten: op Mandevilles persoonlijke integriteit, op zijn bekwaamheid als arts (waarbij hij hem veelzeggend verweet een empiricus te zijn), op zijn boek De fabel van de bijen, dat hij als verderfelijk beschouwde, op Mandevilles verklaring van enkele specifieke ‘deugden’ zoals eer, vaderlandsliefde en krijgshaftigheid, en op zijn nationaliteit, omdat het financiële systeem volgens Bolingbroke afkomstig was uit het goudvruchtige Nederland -- het land waar God goud was.5)
5. In de literatuur over Mandeville wordt vaak wel genoemd dat hij een Nederlander was, maar wat dit betekent voor een goed begrip van Mandeville wordt niet of nauwelijks onderkend. Mandeville kon mede anders en scherper waarnemen en analyseren doordat hij een buitenstaander en buitenlander was. Zijn opmerkelijke afstandelijkheid, die hem door zijn literaire kwaliteiten vaak de naam geven ironisch, niet serieus of slechts grappig te zijn, is zowel door zijn (Nederlandse c.q Leidse) wetenschappelijke en beroepsmatige instelling als door zijn culturele referentiekader en bagage als Nederlander bepaald. Dit wordt ook over het hoofd gezien door Susan Gallagher in haar boek The rule of the rich?, Adam Smith‘s argument against political power (1998), een overigens aantrekkelijke en interessante verhandeling, waarin zij Mandeville en Bolingbroke als antipoden beschrijft. Zij maakt aannemelijk dat de Schotten David Hume en Adam Smith dezelfde politiek-morele overtuiging en doelstelling als Bolingbroke hadden, maar dat zij ten dienste daarvan andere politieke theorieën dan Bolingbrokes ‘patriot-king’ ontwikkelden.
Hoe Mandeville dit alles onderging, blijkt mede uit de schuilnaam die hij koos, Cleomenes. Bolingbroke had in The Craftsman van 27 maart 1727 positief over de Spartaanse koning Cleomenes gesproken.6)
6. Vgl. Ian Higgins, Swift and Sparta: The Nostalgia of ‘Gulliver's Travels’, in The Modern Language Review, Vol. 78, No. 3 (1983), blz. 515, noot 7.
En Mandeville was er zeker van dat Bolingbroke, van jongs af zeer verknocht aan de schrijver en dichter John Dryden (1631-1700), dit pseudoniem meteen in verband zou brengen met Drydens toneelstuk Cleomenes (1692) over deze koning, waarvan de eerste regels luiden:
Dejected! no, it shall never be said,
That Fate had power upon a Spartan soul:
My mind on its own Centre stands unmov’d,
And Stable as the Fabrick of the World,
Propt on it self: still I am Cleomenes.
Verslagen! nee, nooit zal worden gezegd,
Dat noodlot de macht had over een Spartaanse ziel,
Mijn gemoed staat onbewogen in zijn eigen middelpunt,
En stevig als het maaksel van de wereld,
Geschraagd op zichzelf: nog steeds ben ik Cleomenes.
Bolingbrokes kritiek inspireerde Mandeville. Al zijn werken en herzieningen van vroeger werk na 1726 zijn er naar onze mening door geëntameerd, met uitzondering van zijn laatste werk, Een brief aan Dion, opgenomen in De fabel van de bijen (2008).7)
7. Dit betreft in de eerste plaats The Fable of the Bees, Part II (1729), dat in 2008 in vertaling verscheen als Mensen spreken niet om begrepen te worden; voorts de herziene uitgave uit 1729 van Free Thoughts on Religion, the Church and National Happiness (eerste editie 1720); vervolgens de herziene uitgave uit 1730 van A Treatise of the Hypochondriack and Hysterick Passions (1711); en ten slotte An Enquiry into the Origin of Honour and the Usefulness of Christianity in War uit 1732. Daarnaast kwamen er in 1728, 1729 en 1732 herdrukken van De fabel van de bijen uit die tenminste gedeeltelijk toe te schrijven zijn aan Bolingbrokes ‘reclame’. In Een brief aan Dion, zie De fabel van de bijen (2008), blz. 236, verwijst Mandeville nog wel even kort naar The Craftsman. Daaruit blijkt overigens ook dat niet elke schrijver in Walpoles London Journal zich kon vinden in Mandevilles werk, zoals Francis Hutcheson, Three Letters to the London Journal (juni 1729), en James Pitt, aanhanger van Shaftesbury. Zie ook Simon Targett, Government and Ideology during the Age of Whig Supremacy: The Political Argument of Sir Robert Walpole's Newspaper Propagandists Author(s), in The Historical Journal, Vol. 37, No. 2 (1994), blz. 289-317.
De eerste en omvangrijkste reactie op deze kritiek is Mensen spreken niet om begrepen te worden (2007). Daarin onderzoekt Mandeville de oorsprong van de beleefdheid, c.q. de goede manieren of zeden. Net als de oorsprong van de deugd, die hij eerder had onderzocht in De wereld gaat aan deugd ten onder (2006) en De fabel van de bijen (2008), ligt de oorsprong van de beleefdheid in onszelf, in onze zelfvoorkeur.
Zedelijke deugd en beleefdheid zijn resultanten in en van onnoemelijke menselijke interacties. Ze zijn, alle liefhebbers van de betere beginselen ten spijt, niemands eigendom en geen privilege van enige elite. Aan degenen die hunkeren naar een moralistische of cryptotheocratische macht, naar een ‘patriot-koning’ als ‘de gemeenschappelijke vader van zijn volk’ (zoals Bolingbroke en zijn kring), geeft Mandeville in overweging: ‘Als deugd, godsdienst en toekomstig geluk door de mensen in het algemeen met dezelfde zorg gezocht zouden worden als zinnelijk genoegen, beleefdheid en wereldse glorie, dan zou het zeker het beste zijn dat niemand behalve mensen met een goede levenswijze en erkende bekwaamheid op welke plaats dan ook in het bestuur zouden zitten. Maar te verwachten dat dit in een groot, overvloedig en bloeiend koninkrijk ooit zou gebeuren of hierop blijven hopen, geeft blijk van een grote onwetendheid in menselijke zaken.’ 8)
8. Vgl. Mensen spreken niet om begrepen te worden (2007), blz. 316.
De directe aanleiding van De oorsprong van de eer en het nut van christelijkheid bij oorlog (van 1732) kan worden gevonden in Bolingbrokes kritiek in The Craftsman van 27 maart 1727 en 5 mei 1727. Hierin schrijft Bolingbroke dat de politieke deugden bloot staan aan verachtelijke commentaren; dat daardoor het warmste patriottisme en de oprechtste zorg voor het publieke welzijn vaak worden toegeschreven aan persoonlijke gepikeerdheid, teleurstelling en eerzucht; maar dat we allen gretig zijn in het nastreven van ereblijken, titels, onderscheidingen wegens voortreffelijkheid en dat hoe onbeduidend zulke versieringen, ordetekenen of titels ook mogen lijken, ze toch, indien terecht verleend, zeer nuttig, gevoeglijk en noodzakelijk zijn voor de aanmoediging van patriottisme, dapperheid en allerlei verdienste.’ 9)
9. ‘Zoals de gruwzaamste bedoelingen vaak onder de schoonste voorwendselen worden verborgen om ontdekking te voorkomen en de gemeenschap om de tuin te leiden, zijn de beste neigingen en waardigste daden onderhevig aan kwaadaardige uitleggingen en valse voorstellingen. Ik ben enkele moderne filosofen tegengekomen die beweren dat moed oorspronkelijk voortkomt uit vrees, dat nederigheid gewoonlijk op trots wordt gebaseerd en milddadigheid jegens anderen uit eigenliefde wordt afgeleid; maar de politieke deugden staan meer bloot aan verachtelijke commentaren, waarvoor de kwaadaardigheid van tegenpartijen altijd klaar staat om die eraan te hechten; waardoor het gebeurt dat het warmste patriottisme en de oprechtste zorg voor het publieke welzijn vaak in het meest tegengestelde licht worden uiteengezet en toegeschreven aan persoonlijke gepikeerdheid, teleurstelling en eerzucht.’ En voorts: ‘Doordat het gemoed van de mens van nature vatbaar is voor trots, ijdelheid en eerzucht, maakt dit ons allen gretig in het nastreven van ereblijken, titels, onderscheidingen wegens voortreffelijkheid, of in kleding of in beroep. Om deze reden wordt er een monosyllabe [bijvoorbeeld 'sir'] geplaatst voor iemands voornaam, een medaille gehangen om zijn nek of een stuk gekleurd lint om zijn schouders van grote waarde geacht, en door sommige mensen zelfs verkozen boven rijkdom en macht; en hoe onbeduidend zulke versieringen, ordetekenen of titels ook mogen lijken in de ogen van een norse cynicus of een afgetrokken filosoof, zij zijn toch wanneer zij terecht worden verleend zeker zeer nuttig, gevoeglijk en noodzakelijk voor de aanmoediging van patriottisme, dapperheid en allerlei verdienste.’
Hieruit concludeert Mandeville dat Horatio meent dat hij krijgshaftige moed en de eer zelf belachelijk zouden hebben gemaakt in De fabel van de bijen.10)
10. Meer in het bijzonder in Een onderzoek naar de oorsprong van de zedelijke deugd, opgenomen in De wereld gaat aan deugd ten onder (2006). Vgl. ook het Voorwoord van Mandeville in De Oorsprong van de eer en het nut van christelijkheid bij oorlog (2010).
Tot besluit.
De dialogen in De oorsprong van de eer en het nut van christelijkheid bij oorlog (2010) sluiten naadloos aan op die in Mensen spreken niet om begrepen te worden (2007). Maar het voorwoord heeft een enigszins apart karakter, doordat Mandeville hierin ook op andere critici reageert. Opnieuw verklarend dat er zonder zelfverloochening geen sprake kan zijn van persoonlijke deugd, positioneert hij zichzelf hierin ten opzichte van kerkelijke critici, in het bijzonder William Law, en filosofische critici die aanhangers van Shaftesbury zijn, zoals Francis Hutcheson.
*
Paul Hazard over Bolingbroke,
in Het Europese denken in de achttiende eeuw van Montesquieu tot Lessing, vert. Frans de Haan,1993, blz. 356-7.
“In zijn jeugd een libertijn, een cynicus, die niet de moeite nam zijn ondeugden te verbergen, waarvan hij alleen maar zei dat hij hoopte dat ze door zijn deugden zouden worden goedgemaakt. Een man met successen in de liefde, een vrouwenvriend die, zelfs toen hij een geregeld leven was gaan leiden, aan vrouwen gehecht bleef en zich graag als grote verleider gedroeg.
Een Engelse lord, die wist wat hij aan zijn stand verplicht was: een weelderig leven leiden, veel uitgeven en veel weggeven, kastelen, uitnodigingen, ontvangsten, vrienden, een clientèle; een gemakkelijkheid in de omgang, die lichtelijk hautaine manieren niet uitsloot, net genoeg om distantie te bewaren.
Een politicus van groot formaat, die lange tijd macht had uitgeoefend, en die, na de macht verloren te hebben, een misschien nog voordeliger positie was gaan innemen, die van oppositieleider. Hij wist uitstekend hoe men vaardig een partij leidt en kende ook precies de prijs van het geweten van de mensen; en daaruit, en uit zijn natuurlijke instelling, kwam de nauwelijks waarneembare minachting voor de mensen voort, die in het algemeen net zo waren als degenen die hij had gecommandeerd of omgekocht.
Een ontwikkelde geest, vooral aan de oppervlakte; een vlug en briljant verstand; een geheugen dat hem is staat stelde dat wat hij had gelezen op het juiste moment te gebruiken: en hij had veel gelezen.
Een uitstekend spreker, een fantastisch causeur, naar het schijnt: we zouden hem graag beluisterd hebben, want zijn boeken zijn enigszins teleurstellend; al tijdens zijn leven had men de indruk dat ze bij eerste lezing aantrekkelijk waren, bij tweede lezing al wat minder; hij liet zijn geschriften eerder ronddwarrelen dan dat hij ze publiceerde; hij produceerde eerder brieven, essays en brochures dan lijvige boeken.
Een kosmopoliet die van twee lange perioden van ballingschap gebruik had gemaakt om Frankrijk tot zijn tweede vaderland te maken, en die zich in het Frans even goed uitte als in zijn moedertaal.
Een filosoof, maar een die zijn leer beter bij de bevoorrechten dan bij de massa vond passen en haar in de praktijk niet altijd toepaste. Hij liet zijn gedachten zo ver gaan als ze maar wilden, zonder te vergeten dat een Tory, ziel van de conservatieve partij, toch iets moet behouden. - Dat was burggraaf Saint-John, die bij de gratie van koningin Anna lord Bolingbroke was geworden. Weinig namen waren vermaarder dan de zijne.
Een dichter. In zijn kinderjaren had hij alleen in het gezelschap van de Engelse, Franse, Italiaanse, Latijnse en Griekse dichters verkeerd; tijdens zijn puberteit schreef hij slechts in versvorm; toen hij een jongeman was, gingen zijn gedichten bewonderend van hand tot hand; een wonderkind, dat op zijn drieëntwintigste te boek stond als de eerste onder de schrijvers van zijn tijd. De goden hadden hem niet met een diepzinnige denkkracht begiftigd, noch met een grote verbeeldingskracht: maar ze hadden hem gevoel voor ritme en harmonie meegegeven.
Een hypergevoelig mens; iemand die rust noch duur had; een zacht windje zag hij een storm, een storm die alleen tegen hem opstak; liefkozingen ervoer hij als krabben; achter complimenten ging een of andere kwaadaardige bedoeling schuil; zijn leven, dat geen opzienbarende gebeurtenissen kende en, op het eerste gezicht, geslaagd was, was één voortdurende kwelling.
Hij was altijd gekwetst, kwetste anderen in ruil daarvoor; en hij wachtte zelfs niet af, maar deelde de eerste klap uit: waarna hij klaagde over het onrecht dat hem was aangedaan. Ziekelijk en misvormd; als papistenzoon en zelf ook papist, was hij niet op aristocratische scholen opgevoed; lofprijzingen, successen en rijkdom hadden de eerste herinnering aan zijn verlegenheid en eenzaamheid niet kunnen uitwissen.
Terwijl hij door hooggeplaatsten werd onthaald en gefêteerd, hoewel hij gewoon de zoon van een lakenkoopman was, liet hij de letterkundigen boeten voor zijn gemelijke humeur. Zij waren de misdadigers die met hun afgunst steeds weer de triomfen die hij behaalde, vergiftigen: hij bedacht van alles en nog wat om hen tot in hun ziek te treffen, zoals hij zich verbeeldde dat ze hem wilden kwetsen; zijn vijanden noemde hij degenen die het waren, het hadden kunnen zijn, het eens hadden kunnen worden of niets tegen hem zeiden: ze zeiden niets tegen hem, dus treiterden ze hem met hun stilzwijgen.
Al vroeg had Pope, volgens Monsieur de Silhouette, een van zijn Franse vertalers, ‘de grootste dichter van Engeland en een van de schoonste genieën die soit zijn verschenen‘, Bolingbroke leren kennen; de kennismaking was hernieuwd en de relatie versterkt toen Bolingbroke zich na zijn terugkeer uit Franrkijk te Dawley in Midddlesex had gevestigd. Popes woonplaats, Twickenham, lag daar niet ver vandaan. Ze waren dan ook als buren met elkaar omgegaan. Het enige wat de dichter ontbrak was de bestudering van de filosofie; het was een bijzondere en bijna onvergeeflijke uitzondering; wie niet in versvorm had gefilosofeerd, voldeed niet helmaal aan zijn plicht. Bolingbroke gaf het hem te verstaan en werd zijn leermeester, in antwoord op Pope‘s beklemmende oproep:
Come then, my friend! My Genius! Come along!
O master of the poet, and of the song!
Kom, mijn vriend! Mijn Genius! Talm niet te lang!
O meester van de dichter, en van de zang!
De lord en de schrijver wandelden in het uitgestrekte, door kaarsrechte lanen doorsneden park; een Bolingbroke die met het stijgen der jaren dikker wordt, wiens gezicht door de vermoeiende activiteiten en genoegens getekend is en later door de kanker zal worden verwoest. Pope, kouwelijk, tenger, ziek, volgt devoot de les.”
*
Meer over Mandeville en Bolingbroke op de volgende pagina’s:
An Account of the True Author of two Infamous Libels (1727)
Lord Bolingbroke,
- Henry St John -
alias
‘Horatio’
Henry Saint John,
burggraaf Bolingbroke (1678-1751)