Bernard Mandeville

 

Vrije gedachten

 over godsdienst, kerk en

volksgeluk

 

Vertaald en toegelicht door Arne C. Jansen

Met een inleiding door prof. dr. Meerten B. ter Borg

 

Vrije gedachten over godsdienst, kerk en volksgeluk (zit in de productielijn, maar niet verwacht voor 2012), vertaling van de tweede editie (1729) van Free Thoughts on Religion, the Church and National Happiness, is deel V van het Verzameld werk van Bernard Mandeville. isbn 978 90 477 0358 7.

 

Met  Free Thoughts on Religion, the Church and National Happiness, dat in 1720 uitkwam, vestigde Bernard Mandeville (1670-1733) nationaal en internationaal zijn naam. Het boek werd herdrukt in 1721 en 1723. De Nederlander Justus van Effen (1684-1735) vertaalde het in het Frans. Deze vertaling, Pensées libres sur la Religion, l’Eglise et la Bonheur de la Nation, in 1722 uitgegeven in Den Haag, werd herdrukt in 1723, 1729 en 1738. Deze uitgave kwam in 1732 op de Index librorum prohibitorum van de rooms-katholieke kerk terecht. Een goede en getrouwe Nederlandse vertaling, waarvan de vertaler onbekend is, verscheen in 1723 onder de titel Onpartydige Gedachten over de Godsdienst, Kerk, en des Volks Geluk. In 1726 werd van Van Effens Franse vertaling in het Duits uitgegeven als Freymüthig-unpartheyische Gedancken von der Religion, Kirche und Glückseligkeit der Engeländischen Nation unter der gegenwärtigen Regierung, zu anderer christlichen Völcker nützlichem Gebrauch, Warnung und Vorsicht, aus der Engeländischen in die Frantzösische Sprache nun aber teutsch übersetzt. Een Italiaanse vertaling verscheen in 1985.

 

Een lees- en leerboek voor lichtgelovigen

Talloos zijn de leerboeken over leiderschap. Maar zijn er ook boeken voor degenen die geleid worden? Vrije gedachten over godsdienst, kerk en volksgeluk is Mandevilles lees- en leerboek voor lichtgelovigen. Hoezeer de christelijke Mandeville bekwame bestuurders waardeert, van leiders houdt hij niet. Bestuurders middelen tussen mensen, in ieders belang. Leiders gebruiken mensen, voor hun eigen belang. Hoed je vooral voor godsdienstige en politieke leiders, grotere en kleinere. Hun macht is gelijk aan onze onmachtigheid als lichtgelovigen, waarmee we onszelf ernstig te kort doen. Hoe kunnen we onszelf weren tegen leiders? Elkaar waarschuwen voor de scheurmakers, voor de altijd rechtzinniger scherpslijpers?

In de hele geschiedenis, ook in de roerige periode waarin Mandeville leeft, ligt het lesmateriaal voor het oprapen. En de lezer kan zelf bedenken hoe weinig dit verschilt van wat we nu zelf beleven. De weergaloze mensenkenner Mandeville grossiert in boeiende voorbeelden, analyseert ze en gaat terug naar de persoonsgebonden oorsprong van alle conflicten. Hij stelt de lezer in staat zijn lichtgelovigheid weg te schrapen om ruimte te scheppen voor zijn eigen denken, vrijelijk en onafhankelijk; om aangepraat geklaag te onderscheiden van echte klachten die wel behandeling vereisen; om te doen wat elke leider ontbloot en je ongeluksgevoel wegneemt: jezelf besturen.

 

Ervaringsdeskundige

Bernard Mandeville (Rotterdam 1670 - Londen 1733) was arts, psychiater en schrijver. Wat maatschappelijke onrust betreft was hij al jong een ervaringsdeskundige, door zijn betrokkenheid bij het zogenaamde Costerman-oproer in 1690 en de verbanning van zijn vader, die stadgeneesheer was, in 1693 uit Rotterdam, op instigatie van de calvinistische theoloog en dominee Pierre Jurieu. En daardoor kwam hij in Engeland terecht.  ‘Er is geen feit zo afschuwelijk of de herinnering eraan kan nuttig zijn voor het nageslacht en de grootste ongelukken die een vader overkomen, kunnen voor zijn zoon leerzaam blijken te zijn.’ Zelfonderzoek is Mandeville ingebakken.

 

Historische context

Mandeville schrijft Free Thoughts on Religion, the Church and National Happiness in de context van de verwarrende en roerige politieke, godsdienstige en sociaal-economische periode van 1714 tot 1720 in Londen, het Verenigd Koninkrijk en Europa. In het Europa van de keizers, koningen en pausen en hun vazallen, waarin de Republiek van de Zeven Provinciën een grote uitzondering is, wordt niets achterwege gelaten om de eigen machtsposities ten koste van elkaar uit te breiden en te verdedigen. Het is het toneel van de Spaanse Successie-oorlog, de oorlog van de Quadruple Alliantie en de strijd om de Amerikaanse koloniën. In het Verenigd Koninkrijk zijn het, na het huis Stuart, de eerste ‘Hannoverse’ jaren. Als opvolger van de koningin Anna had de 54-jarige Georg Ludwig, de keurvorst van Hannover, daar in 1714 de troon bestegen, als koning George I. Hij bleef Hannover erbij doen, of omgekeerd. Anna was de laatste Stuart die de scepter zwaaide, maar niet de laatste Stuart. Dat was haar halfbroer, James Francis Edward Stuart, de ‘Pretender’, die in Frankrijk verbleef. Hij is katholiek en volgens zijn aanhangers, de Jacobieten, de rechtmatige troonopvolger. Maar in Engeland is wettelijk bepaald dat koning protestants moet zijn. Met de dynastieke wisseling, gesteund door de Whigs en veel Tories, loopt samen dat de algemene verkiezingen van 1715 door de Whigs zijn gewonnen. De keurvorst van Hannover is een fel tegenstander van de vrede van Utrecht (1713), die een einde maakte aan de Spaanse Successie-oorlog. Tegen de zin van de Whigs was deze vrede gesloten door de Tory-regering van koningin Anna. De Whigs en de keurvorst-koning vinden de bepalingen van deze vrede te gunstig voor Frankrijk en te ongunstig voor Engeland en zijn bondgenoten. De Tories verliezen niet alleen de verkiezingen. Hun leiders Bolingbroke, Oxford en Ormonde worden aangeklaagd wegens hoogverraad. Bolingbroke en Ormonde vluchten naar Frankrijk. In Londen is de situatie gespannen rond de stedelijke democratie. De oorspronkelijk oligarchische City-Tories, die afwijken van de nog weer onderling verschillende Country-Tories en Court-Tories, hebben de populaire, meer democratische rol overgenomen van de City-Whigs, voor wie ook weer geldt dat ze afwijken van de Country-Whigs respectievelijk Court-Whigs. De landelijke Whig-regering stuitte met haar stevige optreden om rust en orde te handhaven, gepaard met inperkingen van burgerlijke vrijheden, op sterk stedelijk verzet. Voeg bij de oorlogsmoeheid, sociaal-economische instabiliteit en verschuivingen, een inval van de Pretendent in Schotland en opnieuw een buitenlandse oorlog, de langdurige conflicten tussen protestanten en katholieken, tussen de Anglicaanse staatskerk en alle protestantse groeperingen die daarvan afwijken, de Dissenters, en binnen de Anglicaanse kerk tussen de High Church en de Low Church, dan is het beeld zelfs volgens de historici van nu nog niet duidelijk. Men vreest een burgeroorlog. Het is met het oog op dit verontrustende en bedreigende gekrakeel dat de wetenschapspionier en psychiater Mandeville, die tot geen partij behoort, dit boek publiceert. Zijn therapeutische les in het laatste hoofdstuk is dat beter en zelfstandig nadenken, in zijn termen ‘vrijelijk denken’, veel ellende kan voorkomen en genezen.

 

Cultuurwetenschappelijke context

Dit boek past evenals Mandevilles andere werk in de bredere strijd tegen het premoderne of gotische in samenlevingen. Het hoofdthema ervan is het verleggen van de macht over de gewetens- en karaktervorming van individuen. Mandeville is, aldus Benjamin Nelson (1911-1977) in zijn artikel Conscience and the Making of Early Modern Cultures: "The Protestant Ethic" Beyond Max Weber (1969), een van de opmerkelijkste polemisten wat betreft het omvormen van de traditionele ideeën over geweten en karakter. Nelson: ‘We will center our attention here on the sixteenth and seventeenth centuries, the era of the Protestant and Catholic Reformation and Counter-Reformation, the “Scientific Revolution”, and the emergence of new nations and polities. Whether or not we name them here, the persons of our drama include Luther, Galileo, Pascal, Cromwell, Locke and many contemporaries including American colonists, and, as our last points of reference, Bernard de Mandeville and Pierre Bayle, two of the foremost polemicists in the remaking of traditional concepts of conscience and character.’ Het doel is individuen te emanciperen uit hun ondergeschiktheid aan allerlei premoderne collectiviteiten en hen zelfstandige personen en burgers te laten worden en zijn. Dat een individu zijn eigen geweten (her)vormt en volgt en zijn eigen karakter ontwikkelt, is fataal voor premoderne zeggenschapsstructuren en de opvattingen die deze rechtvaardigen, dat wil zeggen voor elk familiaal, tribaal, feodaal, theocratisch of anderszins ideologisch collectivisme. Persoonlijke gewetensvrijheid, voor Mandeville een uitgangspunt, was en is geen vanzelfsprekendheid. Maar hoe belangrijk gewetensvrijheid ook is, wat als een geweten of een karakter misvormd wordt? Doordat elke persoon in een bepaalde sociale context wordt opgevoed, bestaat er voor Mandeville een nog wezenlijker probleem: Wie of wat heeft de vorming van iemands geweten en karakter in zijn of haar macht? Over de politieke en persoonlijke machtsstrijd tegen het premoderne zegt Benjamin Nelson: ‘De nieuwe orde ontwikkelde een nieuwe integratie van leven, zowel persoonlijk als politiek, door een herschikking van bestaande grenzen.(...) Uiteindelijk werden de oude kaarten opnieuw getekend, die de nieuwe coördinaten voor alle brandpunten van bestaan en geloof vastlegden: godsdienst-wereld, heilig-profaan, burgerlijk-kerkelijk, vrijheid-wet, privaat-publiek.’ Het zijn deze brandpunten waarover Mandeville in dit boek zijn licht laat schijnen. Grenzen mogen tussen het premoderne en het moderne verlegd worden, in Mandevilles optiek zijn we tegelijk gotisch en modern, zoals hij aangeeft in Mensen spreken niet om begrepen te worden (2007). Over deze gelijktijdigheid zie ook Nelson, Scholastic Rationales of Conscience’, Early Modern Crises of Credibility, and the Scientific-Technocultural Revolutions of the 17th and 20th Centuries (1968).

 

Fragmenten uit Vrije gedachten over godsdienst, kerk en volksgeluk (2012).

 

Wij hebben lang voor Franciscus een eigen monnik gehad, die van dezelfde krachtige remedies gebruik maakte en zich vaak in koud water of sneeuw wierp om de vlammen van de begerigheid te doven, maar wat de overwinning betreft met een meer succes. Want Franciscus durfde op het hoogtepunt van zijn vurige verlangens niet dicht bij vrouwen te komen. Aldhelm, een Engelse broeder die in de achtste eeuw leefde en om zijn geleerdheid en godvruchtigheid tot bisschop werd benoemd, kreeg zo’n volmaakte meesterschap over het vlees dat de mooiste vrouw geen indruk op hem maakte. En niet terugdeinzend voor de gevaarlijkste verzoekingen, ging hij naar bed met een jong meisje en zei naast haar liggend het hele psalmboek op, terwijl zijn gemoedsbewegingen alleen naar de hemel gericht waren.

       Deze onoverwinnelijke standvastigheid van St. Aldhelm is meer gezien als een voorbeeld om te bewonderen dan om na te volgen. En ik geloof niet dat velen die zich aan zulke proeven van deugd hebben gewaagd, daaruit als overwinnaars zijn gekomen, ofschoon er sinds de tijd van deze heilige verscheidene proefnemingen zijn gedaan.’

 

‘Ons misnoegen en morren zijn publiekelijk bekend en heel Europa hoort ons mopperen te midden van zoveel gemak en een grotere overvloed dan geen ander rijk, staat of koninkrijk nu bezit. Zou enige staatsdokter ons fraaie aangezicht aanschouwen en, na onze slappe, geesteloze pols te hebben gevoeld, de echte oorzaken van al onze grieven onderzoeken, dan moet hij onfeilbaar de natie hypo verklaren. Geen vrouw is op het hoogtepunt van haar opstijgingen grilliger in haar klachten dan sommigen van ons, en droefgeestige gekken hebben niet meer gruwelijke angsten voor dingen in de zwartste aanvallen van de hypochondrie dan onze staatszwaarmoedigen ons dagelijks in de oren zoemen. Bij stoornissen waarin de verbeelding hoofdzakelijk wordt aangetast, kunnen mensen, zonder welke andere medicijnen ook, zichzelf vaak tot gezondheid redeneren.’

 

‘Wie gelukkig wil zijn, moet trachten wijs te zijn, en aangezien dit bestaat in een uitgestrekte kennis van de echte waarde van dingen en een vermogen om bij alle gebeurlijkheden datgene te kiezen wat voor een gezonde en onpartijdige rede het meest verkieslijk schijnt, zo is het dat door alle belemmeringen van vooroordeel en kluisters van menselijk gezag af te schudden, door vrijelijk te denken, dat mensen alleen maar tot wijsheid kunnen komen. Er is geen betere manier om ongegronde jaloezie en panische angsten te genezen dan door te durven onderzoeken en dingen vrijmoedig onder ogen te zien.’

 

‘Uit wat is gezegd, is het duidelijk dat enerzijds het grootste deel van onze klachten beuzelachtig en onredelijk is, dat we anderzijds voor bezwaren die reëler zijn, remedies met een grote effectiviteit hebben, als we hiervan gebruik zouden maken, en dat het derhalve onze eigen schuld is, als we, in het genot van zoveel natuurlijke zegeningen, niet zo veel geluk genieten als waarvoor onze staat als stervelingen ontvankelijk is.’

 

Zie ook: het Voorwoord.

Verzameld Werk, deel V

 

 

 

 

Vrije gedachten over

Godsdienst, kerk en

Volksgeluk

 

 

 

LEMNiscaat