De menslievendheid

 

Van de planter

 

 

Voorwoord

en

krantenartikel

Het Engelse feest (in 2007) van de

afschaffing van de slavernij.

 

Zie ook De fabel van de bijen (2008)

 

De menslievendheid van de planter.

 

Ik heb het vaak te doen met de ellendige toestand van die heidense stakkers die nadat ze in Afrika gevangen zijn genomen haastig over de hele wereld worden vervoerd en verkocht om de Amerikaanse en andere plantages te bewerken. Dat zij zowel wat hun arbeid als voeding betreft net zoals veel stuks vee worden gebruikt moet niet alleen een edelmoedig mens aangrijpen, maar elk menselijk schepsel dat zijn soort hoogacht.

 

Maar dat zij door het licht van het evangelie worden omringd en toch in het duister van de onwetendheid worden gehouden en van ons heilige geloof worden uitgesloten door juist de vurige aanhangers hiervan, schokt (ik hoef niet te zeggen de vrome) alleen de gemeenste christen niet.

 

De enorme weldaad die Europa, maar meer in het bijzonder Engeland, van die eilanden ontvangt en de onmogelijkheid om ze in stand te houden zonder de handen van die ongelukkige wilden deed me altijd denken dat hun zaak uitzichtloos was en hun bekering onuitvoerbaar, omdat ik met het gewone volk geloofde dat de weg naar de christelijkheid ook naar de vrijheid leidde; dat na de doop de eigenaar zijn recht heeft verloren en de slaaf zijn toestand in die van een ingehuurde bediende heeft veranderd.

 

Maar enige tijd geleden werd ik gelukkig uit mijn dwaling gewekt door een ingenieus betoog over dit onderwerp, waarvan de schrijver aantoont dat slaven geoorloofd zijn door het oude en nieuwe testament, de gewoonten van het christendom en de wetten van Engeland.*) Op grond van juist de brief van de heilige Paulus aan Filemon bewijst hij dat slaven na de doop niet ophouden dit te zijn, door een onbetwistbaar voorbeeld van Onesimus die van Philemon wegliep en christen werd gemaakt, maar die na zijn bekering door de apostel zelf toch δούλος [doulos], een slaaf, genoemd, niet misqwtos [misthotos], een huurling.

 

Deze preek waarnaar ik de lezer verwijs, is vol welsprekendheid en geleerdheid en heet Afer Baptizatus, of de gedoopte neger. Aangezien de schrijver ervan door dit te prediken en deze te drukken geen ander oogmerk kon hebben dan het eeuwige welzijn van deze gevangen zielen, behoort zijn arbeid als een vrome daad te worden gewaardeerd en het zuivere effect van christelijke menslievendheid.

 

De volgende regels die door deze verhandeling werden veroorzaakt, worden toevertrouwd aan de beoordeling door het publiek. Als zij ooit mogen bijdragen aan de spirituele voorspoed van een heiden of slechts het geweten van één enkele planter wekken, dan zal ik aannemen dat met geen werk van mij ooit meer voordeel zou kunnen gedaan dan met dit stukje vermaak van vandaag.

 

B.M.

 

*) De schrijver is Anthony Hill. De titel van zijn betoog (55 bladzijden) luidt: Afer baptizatus or The Negro turn’d Christian:  being a short and plain discourse shewing I. The necessity of instructing and baptizing slaves in English plantations; II. The folly of that vulgar opinion that slaves do cease to be slaves when once baptized : delivered (most of it) in a sermon preach'd at Stratford-le-Bow in Middlesex, March the 15th, 1701/2

 

**) Het gedicht van Bernard Mandeville na dit voorwoord telt 112 regels.

 

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

 

 

Bernard Mandeville en het Engelse feest van de afschaffing van de slavernij

(Verschenen in Trouw, 13-04-2006, onder de titel De mensduivel staat op de kansel.)

 

In 2007 viert Groot-Brittannië dat het tweehonderd jaar geleden besloot de slavernij af te schaffen. De Anglicaanse kerk wil dan haar belangrijke rol bij de afschaffing van de daken schreeuwen. Maar nu heeft de kerk moeten erkennen dat ze medeplichtig was aan de slavenhandel.(Trouw 9/2/2006) De kerk bezat plantages en honderden slaven waren eigendom van individuele geestelijken. Eén van hen was George Berkeley (1685-1753), de beroemde filosoof.

        De kerk zwijgt nog over haar eigenlijke, theologische misdaad. Zij sloopte begin achttiende eeuw de toen heersende opvatting dat een christen geen slaaf kon zijn. Slaven werden dan ook niet gedoopt omdat ze daardoor vrij zouden worden. De sloper van deze opvatting was Anthony Hill, die op 15 maart 1702 in zijn preek ‘Afer baptizatus or The Negro turn’d Christian’, ‘Afer Baptizatus, of De gedoopte neger’, korte metten maakte met ‘de dwaasheid van die algemene mening dat slaven ophouden slaven te zijn als ze eenmaal gedoopt zijn’. Hill gebruikte hiervoor de brief van Paulus aan Filémon over Onesimus. 

        De in Londen woonachtige Nederlandse arts en schrijver Bernard Mandeville (1670-1733) reageerde in 1704 op Hills werk met zijn gedicht ‘The Planter’s charity’, ‘De menslievendheid van de planter’. Dit gedicht verscheen ver voor de kerkelijk opgehitste commotie in 1723 over Mandevilles ‘The fable of the bees’, ‘De fabel van de bijen’, waarbij deze gewetensvolle man werd gedemoniseerd als ‘Man-devil’, ‘mensduivel’.

        Mandevilles gedicht, 112 regels met een voorwoord, is een van de eerste gedichten, zo niet het eerste, in het Engels tegen de slavernij. Ook Mandeville meende dat de bekering van de slaven onuitvoerbaar was, ‘omdat ik met het gewone volk geloofde dat de weg naar de christelijkheid ook naar de vrijheid leidde’. In het gedicht richt Mandeville zich tot de planter:

 

‘Jij die de gevangen Afrikaan onderdrukt,

De zwarten misbruikt en mensen barbaars behandelt

Als beesten, ondanks zijn voorname kenmerk,

Die alleen hem van het wilde beest kan onderscheiden,

De rede, de rechtmatige aanspraak op mens-zijn;

Alsof je dacht dat het beeld Gods beperkt werd,

Tot de Europese blanke! Waarom zou je slaaf

Voorbij het graf jouw onrechtschapenheid moeten voelen?’

       

‘Maar negers hebben geen ziel!’, verweert de planter zich in het gedicht. Mandeville:

 

‘Deze domme opvatting (…) laat zien dat jullie (…)

Ernaar streven jullie dwaling te vergoelijken.

Ja, negers hebben een ziel, bloos maar bij die gedachte.(…)

Een menselijke ziel die (…),

Niet zo zwart en smerig is als die van jullie zelf.’

       

Dan komt de planter met zijn echte probleem voor de draad:

 

‘(…)De zwarte schurk

Weet dat een christen geen slaaf kan zijn.

Hij wil zijn vrijheid. Moet ik kapot gaan

En die arbeid verliezen waarvan ik leef?’

       

Maar de planter beseft wel waar de oplossing vandaan moet komen:

 

‘God kan ongetwijfeld worden gediend tegen een lagere prijs,

Dan ten koste van het verlies van recht en vermogen.’

       

Zijn beroep op de schriftgeleerden faalt niet:

 

‘Je zult geen verlies lijden,(…)

Slaven, hoewel tot christenen gemaakt,

zullen dat steeds blijven.

Consulteer voor een stevig bewijs de geleerde Hill.’

       

Mandeville beweert ten slotte in het gedicht dat het motief van de planter om menslievend te worden, dat wil zeggen zijn slaven te laten dopen, de economische en psychologische winst is die dit hem oplevert. Een kwaadaardige conclusie?

        Luister naar George Berkeley. Vanaf de kansel in het Amerikaanse Newport voltooide hij in 1729 de klerikale salto van ‘geen slaaf als christen’ naar een ‘betere slaaf als christen’ aldus: “Het zou een voordeel zijn voor hun (slavenhouders) zaak om slaven te hebben die ‘in alle dingen van het vlees hun meesters gehoorzamen, niet met ogendienst als mensenbehagers, maar in de eenvoud van het hart, als Godvrezend’; ‘dat de vrijheid van het evangelie verenigbaar is met wereldlijke slavernij en dat hun slaven alleen maar betere slaven worden door christen te zijn’.

        Als een pyromaan die zijn eigen brand hielp blussen om de verzekeringsuitkering op te strijken, werkte de kerk mee aan de afschaffing van de slavernij. Kerk en geestelijken werden in 1807 schadeloos gesteld; niet de slaven. Volgend jaar zal de kerk ook haar excuus aan de nazaten van haar slaven roemen en zich erover verheugen dat ze de theologische misdaad kon blijven verhullen die nog rampzaliger was dan haar slavenhouderij. De christelijke Mandeville zei het al: geestelijken zijn het probleem, niet het godsdienstige van de mens. De werkelijke mensduivels staan achter katheders.

(ACJ)