Bernard Mandeville:

dokter, wetenschapspionier en poorter

 

De literair begaafde dokter Bernard Mandeville, briljante mensenkenner en uitvinder van de gesprekstherapie, pionier van de psychiatrie en van de menswetenschappen in het algemeen, is een invloedrijke erflater van onze beschaving op wereldniveau.

 

Mandeville maakte deel uit van de zgn. ‘wetenschappelijke revolutie van de 17e eeuw’, was daarin grondig gevormd en opgeleid, met name in Leiden, en onderhield in Londen contacten met de kring van de Royal Society. Zijn studiegebieden waren het vraagstuk van individu en samenleving en het vraagstuk van psychosomatische klachten bij individuen.

 

Waartoe zijn inspanning?  Waartoe bijna al zijn geschriften? Zijn motief en oogmerk is de individuele gezondheid: het bevorderen van de geestelijke en lichamelijke gezondheid van individuen in de breedste zin van het woord, preventief en curatief. Op dat gebied is het zijn specialisatie om individuen met stemmingstoornissen te helpen genezen of hun lijden te verminderen. Behoud van een goede en gave gezondheid en genezen van ziekten, daar gaat het hem om. Mandeville is in al zijn vezels ingebed in de aloude traditie van de geneeskundigen en hun Hippocratische eed. 

 

Mandevilles  ‘zedenwet’ is niet formeel, maar materieel. Dat wil zeggen, niet formeel zoals de formulering ‘Handel zo dat de maxime van je wil altijd tegelijk als principe van algemene wetgeving kan gelden’ van Immanuel Kant (1724-1804) - die overigens  in zijn Kritik der praktischen Vernunft (1788) aan Mandevilles zienswijze veel minder recht doet dan hij vermoedelijk zelf dacht. Mandevilles ethiek kent een algemene, materiële toetssteen: de individuele gezondheid, want gezondheid - geestelijk en lichamelijk - is de hoogste waarde, op aarde. Wetgeving / bestuur is goed, vindt hij, als ze / het direct of indirect bijdraagt aan de gezondheid van individuen, schade daaraan voorkomt, en ziekten voorkomt of geneest.

 

Vaak wordt aangegeven dat de ontwikkeling van de sociale wetenschappen en de psychiatrie pas in de 19e eeuw begon. Dit is onjuist. Mandeville pionierde een eeuw eerder. Wat hij door zijn wetenschappelijke benadering en inzichten naar voren bracht, was zo ‘waar’ mogelijk, maar ‘waarheid’ bevalt vaak niet, toen en nu, als het gaat om vraagstukken van individu en samenleving. Zoals Mandeville de mens ziet, niet als ‘goed’ of ‘slecht’, maar naar zijn natuur, en net als alle andere levende wezens gedreven door wat Mandeville ‘zelfvoorkeur’ (vgl. Mensen spreken niet om begrepen te worden (2007) heeft genoemd, is onovertroffen fundamenteel. Zijn beschrijving hoe mensen juist zowel ondanks als dankzij hun zelfvoorkeur kunnen samenleven en hoe hun samenleven onvoorspelbaar evolueert, is nog steeds uniek.

 

Destijds had bijna niemand oog voor de wetenschappelijkheid van Mandeville. Sindsdien is er minder verbeterd dan men graag, gezien de vlucht die het wetenschapsbedrijf heeft genomen, zou willen aannemen. ‘De wetenschap’ is Mandeville nog niet voorbij.

Wat, om een voorbeeld te geven, de bioloog en etholoog Frans de Waal aantoont ten aanzien van het gedrag van dieren, vergeleken met dat van mensen, is door Mandeville al gezien en verklaard. Zie ook het artikel van Nicolaas Westendorp Boerma op deze website.

 

Dat hij ‘een gezonde geest in een gezond lichaam’ als de hoogste waarde in het leven beschouwt, blijkt al uit Mandevilles vroegste stuk, de Schooloratie van 1685.

 

Wetenschap is persoonsgebonden en de persoon van Mandeville bracht inzichten met zich die hem nog uitzonderlijker maakten en maken: hij was een Nederlander. Mandeville is Nederlands in hart en ziel. Hij geeft uitdrukking aan de typisch Nederlandse mentaliteit die “des poorters” is. Deze is voor poorters zelf vanzelfsprekend en daardoor onbewust. Maar niet-poorters hebben er vaak moeite mee. Een poging tot verduidelijking.

 

 

Bernard Mandeville, een poorter

 

1. Inleiding: Bernard Mandeville en Nederland.

Het werk van dokter Bernard Mandeville over individu en samenleving blijft modern’ doordat het primair het werk is van een gedreven, pionierende wetenschapper op het terreinen van individu en samenleving en van psychosomatische gezondheidszorg. Daarnaast is Mandeville een ‘poorter’.

 

Daardoor is hij lastig te begrijpen, vooral in het buitenland. Aan de ene kant is Bernard Mandeville een gezellige wereldse gentleman, opgewekt serieus en serieus opgewekt, christelijk in woord en optreden, maar aan de andere kant is hij anticonfessioneel, antidogmatisch en antiklerikaal; sterker nog, hij lijkt er zelfs behagen in te scheppen allerlei onaangename menselijkheden breed uit te meten en te analyseren.

 

Maar, zeggen zij dan, zo iemand kan toch geen christen zijn, al beweert hij van wel? En hoe kan hij deugdzaam en eerzaam leven, en ook nog volhouden dat dit zijn hoogste streven is, terwijl hij aangeeft dat een natie niet bloeiend kan zijn zonder de ondeugden van mensen? Bovendien heeft ethiek volgens hem niets met godsdienst te maken. En hij zegt niet hoe het dan wel moet zijn. Is hij niet gewoon een satiricus, een cynicus of een dwaas, omdat zijn toon opgewekt is en hij ter vermaak schrijft? Meent hij eigenlijk wel wat hij zegt?

 

Bernard Mandeville is ongetwijfeld volkomen oprecht én zichzelf. Het is echter van groot belang in te zien wat de hoofdoorzaken ervan zijn dat hem allerlei zaken werden verweten.

 

In de eerste plaats heeft hij te kampen met het feit dat hij een wetenschapper is, maar niet zo maar een. Hij is wetenschapper in een tijd waarin het wetenschappelijke denken nog geen grote vlucht had genomen en hij houdt zich als een wetenschappelijke pionier bezig met vraagstukken van mens en maatschappij. Dat is nieuw en onbekend.

 

In de tweede plaats is hij een Nederlander. Voor buitenlanders is een Nederlander niet nieuw, maar wel vaak vreemd.

 

Tussen Mandeville en een heleboel andere Nederlanders bestaat namelijk een grote mate van overeenstemming, want hij is authentiek ‘mainstream Nederlands’. Wie moeite met hem heeft, moet dus ook problemen hebben met de kwintessens van de Nederlandse samenleving. De bedoelde overeenstemming wordt hier nader toegelicht, in grove lijnen en impressionistisch.

 

2. Het uitzonderingsgeval Nederland.

Bernard Mandeville is een exponent van de Nederlandse beschaving die, in vergelijking met de landen om ons heen, een uitzonderingsgeval in tal van opzichten is, volgens de historicus Johan Huizinga. De oorzaak daarvan zijn de poorters, de bevolking van en om de poorten. Het begrip poorter is in onbruik geraakt, maar omdat er geen equivalent voor teruggekomen is, zal het in deze toelichting een hoofdrol vervullen.

      ‘Poort is de oude Nederlandse naam voor stad, en is een verbastering van portus, het Latijnse woord voor haven. De Nederlandse steden zijn havensteden: poorten. Zij zijn ontstaan aan en gegroeid door het fijnmazige net van grote en kleine waterwegen in en om de Nederlanden. Het bestaan van de poorters - vissers, schippers, kooplui, boeren - hangt van hun verkeer af, met elkaar, dichtbij, en met anderen, verder weg en heel ver weg.

      De poorters zijn zelfstandigen, in mentaal en economisch opzicht. Ze zijn elkaars gelijken, met in de vroege middeleeuwen al een kosmopolitische inslag. Zij bepalen een samenleving waarin een feodaliteit door adel of kerk nooit een noemenswaardige invloed heeft gekregen. Hierdoor hebben de poorters zich ook geen hoofse of slaafse manieren eigen hoeven maken. Hun omgangsvormen zijn er dan ook naar, zonder veel omhaal, direct.

     

      Poorters zijn géén burgers!

 

      Burgers zijn bewoners van burchten, letterlijk en figuurlijk. Feodale verhoudingen domineren hun denken en doen. Als hun machthebbers - vorsten, grootgrondbezitters, kerkelijke autoriteiten - van kleur verschieten, bijvoorbeeld van autocratisch tot min of meer democratisch, blijft hun mentaliteit burgerlijk, of kleinburgerlijk. Burgers zijn in hun omgangsvormen bangig, voorzichtig, indirect. Zij vinden de verkeerslustige poorters, zelfs degenen onder hen die het diplomatiekst zijn, dan ook vrijpostig, lomp en materialistisch.

     

De samenlevingen van de poorters in de Nederlanden blijken vergelijkenderwijs een heel bijzondere culturele voedingsbodem te zijn.

 

De poortersmentaliteit in de Nederlanden, te omschrijven als de gezindheid en het gedrag van praktisch-vrome en pragmatische mensen, die in de woorden van de historicus Pieter Geyl redelijk, gemoedelijk en verdraagzaam gestemd zijn, brengt mensen voort als een Geert Groote (1340-1384), Thomas van Kempen (1380-1471), Wessel Gansvoort (1420-1489) en Desiderius Erasmus (1466-1536). Op hun beurt voeden en versterken deze intellectuelen en vertegenwoordigers van de Moderne Devotie en Bijbels Humanisme weer de poorterscultuur.

      Erasmus zou hiervan vermoedelijk de laatste grote vertegenwoordiger zijn geweest als het anders was afgelopen met de woelige periode van de 16e en begin 17e eeuw. De protestantse reformatie en de katholieke contrareformatie leidden toen tot felle en wrede godsdiensttwisten. Bovendien voerden de Nederlanden de strijd om de onafhankelijkheid tegen de katholiek-centralistische Spaanse koning Philips II.

      Dat de poortersmentaliteit niet alleen standhield maar zich nog verder uitkristalliseerde, is vooral te danken geweest aan het politieke en geestelijke centrum van die tijd. Hiervan werd Willem van Oranje (1533-1584) het symbool. Om de twisten in te dammen en de sociale vrede te bevorderen relativeerde dit centrum het belang van de godsdienst in het algemeen. Hun uitgangspunt was de vrijheid van het geweten van elk individu. Absolute gewetensvrijheid is de voorwaarde voor verdraagzaamheid en vooronderstelt ook onafhankelijkheid. Dit werd bij de Unie van Utrecht (1579), die tot 1795 als grondwet van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zou gelden, formeel vastgelegd.

 

3. Dirk Volckertszoon Coornhert, de eerste poorter-denker.

De spraakmakende denker en polemist van dit Nederlandse midden was Dirk Volckertszoon Coornhert (1522-1590). Dirk Coornhert, selfmade geleerde, etser, notaris, secretaris van de stad Haarlem, dichter (mogelijk van het Wilhelmus) en literator, oogde bars, maar hij was gemoedelijk en opgewekt van aard. Hij is de eerste poorter-denker die geen geestelijke was. “De man die wij voor de oudste Nederlandse wijsgeer houden”, aldus J.P.N. Land, De wijsbegeerte in de Nederlanden (1899), blz. 51.

Coornherts werk en inzet zijn van onschatbare waarde geweest voor de Nederlandse culturele ontwikkeling. Zijn bekende motto Weet of rust en adagia als vrolijke zorgeloosheid en met losser herten bezitten ontwikkelde hij door en in de frontlijn tegenover geharnaste godsdienstige tegenstanders, met name de calvinisten.

        Door zijn geschriften en polemieken heeft Dirk Coornhert de mentaliteit van een Geert Groote en Erasmus voor de Nederlandse cultuur na de 16e eeuw niet alleen gered maar ook verder ontwikkeld. Nadat Erasmus eerder al met Maarten Luther (1483-1546) had afgerekend, nam Dirk Coornhert Johannes Calvijn (1509-1564) voor zijn rekening.

        In zijn boek Synodus van der Conscientien vrijheydt uit 1582 formuleerde Dirk Coornhert de theologische grondslag voor de gewetensvrijheid. Hij maakte erin duidelijk, dat mensen niet kunnen uitmaken welke kerk de ware is, omdat zij partij zijn. Religieuze vrijheid is de enige mogelijkheid.

      Om te weerleggen dat godsdienst de voorwaarde zou zijn om zedelijk goed te kunnen leven, schreef hij een ethica in de landstaal. Hij maakte erin duidelijk wat nodig is om goed met elkaar te kunnen samenleven, namelijk beschaafd, wel-levend, met elkaar omgaan. De opvatting die tot uitdrukking komt in de titel van het beroemde boek van Coornhert uit 1586, Zedekunst, dat is wel-levenskunste, vermids waarheyds kennisse vanden mensche, vande zonden ende vande dueghden, was de mensen van het centrum op het lijf geschreven.

      De volgende passage uit deel I, hoofdstuk XIII, van de Zedekunst, in het 16e eeuwse Nederlands van Coornhert dat met enige moeite nog goed te begrijpen is, geeft goed aan om wat voor geestesgesteldheid het bij hen gaat. Want alle die alzo het quade ontwordt, die wordt ghoed niet in een verbeeldelycke wane, maar in ondervintlycke waarheyd. Dit gheeft een oprechte en stadighe blydschappe ende is niet anders dan weldoen en vrolyck wezen, het alderbeste goed alder mensen. Wie dit kan, inder daat, niet inder praat alleenlyck, die heeft ghewisselyck wel levenskunst.

     

Dirk Coornhert geeft uitdrukking aan de onafhankelijke levens– en wereldbeschouwing van mensen die onder alle omstandigheden nuchter en praktisch van eigen ervaring (ondervintlyck) blijven uitgaan, ondogmatisch en ontspannen zijn, en op welvaart in verdraagzaamheid zijn gericht.

      Met andere woorden, zij gaan uit van absolute gewetensvrijheid op godsdienstig, wetenschappelijk en politiek gebied. Dit wordt ook wel uitgedrukt in termen die al in de inleiding ten aanzien van Bernard Mandeville zijn gebruikt, namelijk dat zij anticonfessioneel, antidogmatisch en antiklerikaal zijn. Deze mensen van het Nederlandse midden, die mede door de toegenomen ontwikkeling in alle lagen van de bevolking voorkomen, worden nu ook wel Coornhertisten genoemd.

     

Dirk Coornhert werd de vader van de remonstranten. De remonstranten vormden de meerderheid binnen de Nederlandse Hervormde kerk. Zij waren op dezelfde milde, rekkelijke manier protestant als zij daarvoor katholiek waren geweest. De geestelijke voorlieden van deze remonstranten (eerder ook wel Arminianen genoemd, naar Jacobus Arminius (1560-1609), die door Dirk Coornhert te bestuderen Coornhertist was geworden) werden weliswaar door hun calvinistische bestrijders, een militante minderheid, tijdens de Dordtse synode van 1618/1619 uit de Hervormde kerk gezet, maar daarmee was het met de poortersmentaliteit in Nederland, en zelfs in de Hervormde kerk, beslist niet gedaan.

      De theocratische opzet van de calvinistische leiders leed schipbreuk, het duurde niet lang of ook hun gelederen werden rekkelijker, terwijl de uitgesproken remonstranten zich apart mochten gaan organiseren. De Nederlandse samenleving, met grote groepen van andere gezindten zoals katholieken, doopsgezinden en nog vele andere, was en bleef pluriform en absorbeerde steeds weer nieuwkomers van buiten het gebied. Geen groepering kreeg ooit de overhand, wat de poortersmentaliteit alleen maar versterkte.

 

4. Bernard Mandeville, een opvolger van Coornhert.

Een eeuw na Dirk Coornhert zijn de tijden aanzienlijk veranderd. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden beleeft economisch en cultureel haar Gouden Eeuw. Stadhouder Willem III (1650-1702) is in 1689 de eerste constitutionele koning van Engeland geworden. Na een rondreis door Europa belandt ook Bernard Mandeville in Londen, aanvankelijk om de taal te leren. Maar je kunt pas goed reizen, als je eerst je eigen land kent, vindt hij.

      En hij is bepaald niet de enige Nederlander in Londen. Er woedt een heus immigrantendebat, gericht tegen Nederlandse en Vlaamse nieuwkomers. Behalve de geschiedenis van zijn eigen rekkelijke familie behoorde in ieder geval ook het verzamelde werk van Dirk Coornhert, in drie delen uitgegeven in 1633, tot zijn geestelijke bagage (met mogellijk een voorliefde voor Coornherts Aertzenij der zielen). Thuis en op school heeft hij Coornhert leren kennen, spelenderwijs bij zijn opvoeding en bij zijn lessen literatuur, geschiedenis en godsdienst. Dirk Coornhert schreef bewust alleen in de volkstaal, het Nederlands. Daardoor was zijn invloed hier groot, terwijl men hem over de grens niet kende, en kent. En om dezelfde reden kon Bernard Mandeville hem later niet als bron vermelden. Maar dit doet aan zijn schatplichtigheid jegens Dirk Coornhert niets af.

 

Bernard Mandeville is net als Coornhert een eminente poorter-denker. Hij is bovendien een “Erasmiaan” in de zin dat hij door het intellectuele klimaat van het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam is gevormd. Uiteraard bezocht hij, net als de vele andere remonstrantsgezinden, niet het vage en kortstondige instituut van de zgn. Illustere School in Rotterdam, waarbij o.a. Bayle en Jurieu betrokken waren. Mandevilles opleiding (natuurlijke filosofie [= natuurkunde] en medicijnen) aan de universiteit van Leiden, generatiegenoot van Herman Boerhaave (1668-1738), is wetenschappelijk. Van filosofen en moralisten, om van theologen maar niet te spreken, moet hij niets hebben als ze niet empiristisch zijn. Want in feite gaat het bij het denken altijd om de basiskeuze tussen idealisme óf empirisme.

 

Weetgierig als een schilder neemt hij waar, in Rotterdam, Leiden, Amsterdam - waarnaar hij in zijn werk herhaaldelijk verwijst -, Rome en Londen. De werkwoorden die in zijn geschriften de richting aangeven, hebben allemaal met zien te maken. Hij kijkt vooral hoe mensen feitelijk leven en hoe ze denken en zeggen te leven, zowel vroeger als nu. Zijn focus wordt bepaald door zijn persoonlijke en professionele hoofdthema, namelijk het individuele welzijn dat stoelt op zelfkennis (Een van de belangrijkste redenen waarom zo weinig mensen zichzelf begrijpen, is, dat de meeste schrijvers de mensen altijd leren wat ze zouden moeten zijn, en zich er bijna nooit druk over maken hun te vertellen wat ze werkelijk zijn.), het belang van vreedzame transacties tussen individuen, en eveneens tussen naties, waardoor mensen in elkaars behoeften kunnen voorzien, en waarvoor absolute gewetensvrijheid een voorwaarde is.

 

Het is daarom van belang iets over zijn wereld- en mensbeeld en over zijn visie op individu en samenleving te zeggen. Bernard Mandeville kijkt als een ecoloog die kringlopen waarneemt. Elk afzonderlijk schepsel ontstaat, leeft en vergaat. Schepselen leven van de natuur en van elkaar. De mens is maar een van de schepselen in de kosmos. Als soort blijft de mens altijd dezelfde, zoals vossen vossen blijven. De arts Bernard Mandeville is ervan overtuigd dat de mensen het mysterie van het levende menselijke lichaam, of ruimer, van het leven, nooit zullen kunnen oplossen. Wat de individuele mens betreft meent hij dat de mens (afgezien van huid, vlees, beenderen enz. die duidelijk zijn voor het oog) een samenstel is van verschillende hartstochten, die hem allemaal, naar gelang ze worden geprikkeld en op de voorgrond treden, om de beurt beheersen, of hij wil of niet. Deze zienswijze heeft zeker met zijn Coornhertse en remonstrantse bedding te maken. Dirk Coornhert besteedde in zijn ethiek veel aandacht aan de hartstochten en de remonstrantse predikanten waren de enigen die ook in de kennis der natuur (kosmografie, plant- en dierkunde) werden opgeleid, zoals door Erasmus was bepleit.

 

Mensen zijn geen mieren of bijen die van nature zijn geprogrammeerd om samen te leven. Mensen kúnnen samenleven, maar moeten dat niet: zij zijn niet sociaal van nature. De mens is wel het enige schepsel dat door zijn rede de mogelijkheid heeft sociabel te worden, aldus Bernard Mandeville. De onbeheerst natuurlijke, wilde mensen kunnen zich geleidelijk aan tot beheerste mensen ontwikkelen en een samenleving vormen, als zij er een belang bij hebben. En elke pasgeboren mens is in feite wild en kan alleen door opvoeding een sociabele volwassene worden.

 

Mensen kunnen sociabel zijn geworden, maar ook dan blijft - zoals voor elk schepsel geldt - voor elke afzonderlijke mens gelden, dat hij uitsluitend vanuit en ter wille van zijn eigen individuele belang, zijn eigen behoeftebevrediging, leeft en voor zover nodig met anderen verkeert. Hun motor is en blijft hun zelfvoorkeur (self-liking) die de voornaamste hartstocht is, concludeert Bernard Mandeville.

 

Anders gezegd, van jungle egoïsten kunnen zij hoogstens wellevende egoïsten worden, met de blydschappe van dien. Door zelfkennis te ontwikkelen, wat voor iedereen het allernodigste en zeldzaamste is, kan een mens leren zichzelf in ondervintlycke waarheyd met de eigen rede te besturen, zijn wildheid te beteugelen (het quade ontworden), maar dit moet dan wel gebeuren zonder zijn natuurlijkheid te loochenen. De reikwijdte van de blydschappe is groot. Haar dochters zijn volgens Coornhert vreugde, vrolijkheid, gemoedsrust en tevredenheid. Deze dochters zijn bij Bernard Mandeville struise dames.

 

In de visie van Bernard Mandeville ontwikkelt een samenleving van mensen zich langzaam, in de loop der tijd, door menselijke interacties en wederkerigheid. Geen samenleving van mensen is zonder bestuur mogelijk. Wetten en regering zijn voor de staatkundige lichamen van beschaafde samenlevingen, wat de levensgeesten en het leven zelf voor de natuurlijke lichamen van de levende wezens zijn.  Nodig is politiek management dat rekening houdt met de natuur van de mens en tot verstandige regelgeving besluit, en onafhankelijke rechtspraak, omdat mensen door hun leven te leiden ook met elkaar botsen. Deze regelgeving is de resultante van langdurige en onophoudelijke reacties van mensen op elkaar en essentieel voor beleefde omgang met elkaar, voor enigerlei beschaving. Geldende regels moeten worden gehandhaafd. Maar de politiek is nooit klaar en elke politicus niet meer dan een voorlopige regelaar. 

 

Voor een gezond wantrouwen is zijns inziens alle reden. Dat eerlijkheid de beste gedragslijn is, zelfs wat wereldlijke aangelegenheden betreft, is in het algemeen waar, maar zij brengt de mensen niet zo vaak tot grote rijkdom en macht als schurkerij en ambitie. En gelegenheid is een grote deugniet. Procuratiehouders, geldmakelaars, bankiers en effectenmakelaars alsmede allerlei agenten kunnen in hun beroep ongetwijfeld even eerlijk zijn als mensen met elk ander beroep. Maar het is bij alle zaken duidelijk, dat des te groter het vertrouwen is dat in personen dient te worden gesteld, en des te meer hun transacties geheim zijn en zodanig, dat zij er alleen maar aan God en hun geweten verantwoording voor verschuldigd zijn, zij des te meer speelruimte hebben om zonder ontdekt te worden een schurk te zijn.

 

Terugkomend op het verschil tussen poorters en burgers kan het nuttig zijn te zien hoe verschillend zij tegenover hun bestuurders.

Poorters gaan uit van arbeidsverdeling. De bestuurders zijn functionarissen, en duidelijker nog, hun functionarissen. Zij verwachten van hen dat ze gewoon goed hun werk doen.

Burgers zijn hiërarchisch ingesteld en verwachten van hun bestuurders primair dat ze de bovengeschikte machthebber zijn. Bestuurders van poorters worden door hen niet geaccepteerd als ze de machthebber spelen, of potsierlijk als ze de gezagsdrager uithangen.

 

Elke samenleving, dat wil dus zeggen de sociabiliteit van mensen, is kwetsbaar en kan ook weer vernietigd worden. De ontwikkeling van de sociale porseleinkast vergt eeuwen, die van de persoonlijke porseleinkast een heel stuk van je leven, maar beide kunnen praktisch van de ene op de andere dag aan diggelen worden geslagen. Bijvoorbeeld door oorlogen. De meer of minder beschaafde, en daardoor economisch welvarende, samenleving verdwijnt dan. De individuele mensen gaan zich dan weer als in de oudste tijden gedragen, primitief, ongeciviliseerd, en het welvaartsniveau zakt tot het nulpunt. Daarna is het materiële herstelbaar, de sociabiliteit niet, want die is niet maakbaar maar maakt zichzelf.

 

5. Bernard Mandeville, wetenschapper.

Nadat eerder al Dirk Coornhert de theologie en ethiek en de andere poorter-denker Hugo de Groot (1583-1645) het recht hadden geformuleerd vanuit een poorterse optiek, manifesteert Bernard Mandeville zich als de ‘mens- en maatschappij wetenschapper’ onder de poorter-denkers.

 

Belangrijk is wat hij ter berde brengt en over dat ‘wat’ is en wordt veel gesproken. Maar essentiëler is het ‘hoe’ ervan, dat wil zeggen hoe hij daartoe kon komen. Wat hij doet is het volgende. Hij past als eerste de vooraanstaande ‘Hollandse’ wetenschappelijkheid, waarin hij met name in Leiden in zijn studies natuurkunde en geneeskunde was opgeleid, toe op het gebied van individu en samenleving. Met zijn wetenschappelijke benadering en doordenking kan hij mondiaal als de pionier van de maatschappij- en cultuurwetenschappen en van de psychiatrie worden beschouwd.  (Vgl. eventueel ook H.P.G. Quack’s rede Bouw en samenstel der maatschappij in De Gids, 1875, Hayeks Dr Mandeville, een meesterbrein, en de zienswijze van Abram de Swaan in de Academische Boekengids, mei 2004.)

 

Wetenschap is een, geloof iets anders. Mandeville is een oorspronkelijke, basale christen. Hij is net zoals bijvoorbeeld Dirk Coornhert en Hugo de Groot op een strikt persoonlijke wijze christen. Het godsbegrip van Coornhert is empiristisch getint: dat God noch heden is, noch verleden, noch toekomst, maar een eenvoudig tegenwoordig aanschouwen van alle dingen en van alle daden. Deze omschrijving van de God van Nederland verwijst naar dezelfde onbegrensde onderzoekende geesteshouding die, om een voorbeeld te noemen, aan de unieke prestaties van de Nederlandse wetenschappelijke onderzoekers en de wereldberoemde Nederlandse schilderkunst van de 17e en 18e eeuw ten grondslag ligt.

 

Bernard Mandeville accepteert alleen de bijbel. De schepping is het grote wonder en blijft het grote raadsel. De almacht van God, of wat anderen een onzichtbare Oorzaak noemen, is groter dan de mensen kunnen bevatten. Iedereen kan en mag daarom slechts voor zichzelf oordelen.  Het christelijke is voor Bernard Mandeville de leer van Christus, een eeuwige waarheid, in het Nieuwe Testament geopenbaard, maar niet nieuw. Ook heidenen voor en na Christus hebben deze gekend en ernaar geleefd.

Geloven is geloven, geen weten. Geloven betreft altijd een of andere opvatting over de onbekende oorzaak van het bestaan van het heelal en de  schepselen daarin. Uitwendige godsdienst is niets anders dan gedrag van mensen (beleefdheid in de zin van Mandeville, namelijk gebruiken en gewoonten), dat als elk ander gedrag maar een grondslag heeft, namelijk zelfvoorkeur. Geen persoon of instelling die zelf niet in de bijbel voorkomt, heeft op godsdienstig gebied enig recht van spreken. Elk ander of gemodificeerd godsdienstig verhaal dat ter verklaring van de schepping meer dan één wonder nodig heeft, gaat in tegen de rede, bij Mandeville de bekwaamheid om abstract te kunnen redeneren. Dat Mandeville in Engeland kerkt in de Anglicaanse kerk, is hiermee niet in strijd, doordat zij, met haar sterke Arminiaanse inslag, hem niet belemmert in zijn persoonlijke, oorspronkelijke christelijkheid.

Mandeville is dus geen deïst, zoals sommige schrijvers -- onder wie Jonathan Israel in zijn Radical Enlightenment -- beweren. Expliciet wijst Mandeville het spinozisme af, dat voor hem verwant is aan atheïsme en bijgeloof. Hun verwantschap bestaat hierin, dat ze uit dezelfde bron voortkomen, namelijk afkomstig zijn van mensen die hun bevattingsvermogen overschatten. (Zie zijn motivering in Mensen spreken niet om begrepen te worden (2007), p. 296-7, plus noot.)    

Ethiek staat volkomen los van godsdienst. “In alle tijden hebben de mensen deugden en ondeugden tentoongespreid waarmee hun godsdienst niets te maken had. En bij vele daden en zelfs de meest belangrijkste aangelegenheden worden zij door wat zij over een hiernamaals geloven niet meer beïnvloed dan door de naam van de straat waarin zij wonen.”

De wetenschapper Bernard Mandeville is in zijn werk een serieuze onderzoeker die van zijn onderzoeksobject, zichzelf inbegrepen, volop geniet. Dat hij empirist is betekent dat hij zo goed mogelijk wil proberen te begrijpen, en zeker te weten; niet wanen, niet gissen. Geen burchten van woorden op drijfzand, geen ‘begripsspinnenweb-makerij’, om met Nietzsche te spreken, waaruit de theologie en de meeste filosofie bestaat. En hij taalt niet naar een ideaal dat iets buiten hemzelf betreft. Hij is geen ideoloog of ideocraat. Niets is voor hem onbestaanbaarder dan een mens of samenleving die aan de bedoeling van een idealist, de eeuwige klager over anderen, zou voldoen.

Wie idealistisch behoeftig zijn heil zoekt, komt bij Bernard Mandeville van een koude kermis thuis. Niet alleen is hij geen theocraat, maar ook geen humanist, rationalist, anarchist, liberalist of neo-liberalist, utilitarist, socialist of communist. En geen populist: Ik duid verscheidene groepen mensen aan waarvan het gemopper geen aandacht verdient en besluit dat het onze eigen schuld is als we niet gelukkig zijn. (Bernard Mandeville klaagt ook wel, maar zoals een poorter doet, af en toe, en alleen over zichzelf). Hij is praktisch en realistisch.

     

Mandeville gaat door zijn consequente wetenschappelijke benadering ook niet met de zgn. Verlichting mee. Aan gezond verstand is ootmoed inherent, het menselijke verstand is maar beperkt. Elke gedachte die leidend wordt verklaard is een stel oogkleppen, komt uit zelfvoorkeur voort en is tegelijk strijdig daaraan, dus misleidend. Dat een Nederlandse verlichter als Justus Van Effen (1684-1735), die werk van Mandeville in het Frans vertaalde, negatief over Bernard Mandeville schreef, hoeft dan ook niet te verbazen. (De Hollandsche Spectator, nrs 36 en 47). En nog minder dat hij in de 19e en 20e eeuw, die bij uitstek ideocratisch - en daardoor hoogst gewelddadig - waren, veel minder weerklank heeft gevonden dan in de 18e eeuw.

 

Voor Bernard Mandeville horen beheersing én natuurlijkheid (geen ‘nurture’ zonder, eerst, ‘nature’) onlosmakelijk bij elkaar, het een niet zonder het ander, noch op het individuele vlak noch bij het besturen van een samenleving, wil er sprake kunnen zijn van een gezonde samenleving. Elk idealisme, elk allesoverheersende idee om daarnaar je leven te leiden of een samenleving te modelleren, impliceert het ontkennen of wegmoffelen van de menselijke natuur en het loochenen van de beperktheid van de menselijke rede. Dit is buitengewoon schadelijk voor het individuele welzijn en voor het plezierig en nuttig met elkaar samenleven. De eigenschappen, waarvan we allemaal doen alsof we ons ervoor schamen, (zijn) het grote fundament van een bloeiende samenleving. 

 

Mandeville constateert dat mensen meer gaan klagen, niet minder, wanneer hun welvaart toeneemt. Geen enkel schepsel, ook de mens niet, wordt echter als klager geboren. Mensen worden zo gemaakt. Doordat de eigen werkelijkheid nooit met enig ideaalbeeld kan samenvallen en verkeerde of ontbrekende zelfkennis deze incongruentie nooit kan accepteren, resteert slechts: klagen.

        Maar stel dat alle mensen opeens echt vroom en eerlijk gaan leven, zonder enige ondeugd, zonder enige luxe en gemak? Dit resulteert in de kortste weg naar een barre, armoedige natuurstaat, doordat het juist de als ondeugdzaam aangemerkte persoonlijke eigenschappen zoals ijdelheid, gemakzucht, behagen in luxe, hebzucht, afgunst, eerzucht en bedrieglijkheid zijn, die de motor van de welvaart van een samenleving vormen. Zij bepalen de verscheidenheid en omvang van de behoeften, die weer de vindingrijkheid, bedrijvigheid en handel oproepen die nodig zijn om ze te bevredigen. En vroomheid dan? “De Reformatie heeft nagenoeg alleen met de dwaze en grillige uitvinding van gewatteerde hoepelonderrokken eraan meegeholpen om landen bloeiender te maken.”

        Ook de welvaart en voorspoed, samenstel van publieke weldaden (public benefits) veroorzaakt door de genoemde persoonlijke ondeugden (private vices), worden door de vrome idealisten verketterd. Zij bedenken daarom armzaligheid, “een redeloze stemming van kleingeestige verering van de armen, die ontstaat uit een mengsel van medelijden, dwaasheid en bijgeloof”. De vormgeving van deze verering is gevarieerd, zoals beroepsmatig gespeelde armoede door geestelijken, blijvende en tijdelijke ontzegging van wat natuurlijk, aangenaam en mogelijk is (bijv. celibaat, geen tv, vasten) en litanieën als “overvloed en onbehagen” (thema Nederlandse maand van de filosofie, 2005). Maar, betoogt Mandeville, veel armen zijn een zegen. Als er geen armen meer zijn, wordt het werk dat noodzakelijk, onaangenaam en zwaar is, niet meer gedaan. Niet-armen vertikken dit. Dit geldt nationaal en mondiaal. Verkeerd is het echter wanneer de meeste armen geen werk hebben. Werk is essentieel voor iemands zelfvoorkeur of gevoel van eigenwaarde. De wetgever moet voor werk zorgen, aldus Mandeville.

     

Misdaden en willekeur zijn gruis in het precisie-uurwerk van een samenleving. Discussie vereist enige beheerstheid. “Ik zeg je niet een sluier te dragen, mevrouw Brutaaltje, maar er is een kolossaal verschil tussen versluieren en in je blote reet lopen.” Geldende regels moeten strikt worden gehandhaafd en overtredingen bestraft. Om goed en welvarend te kunnen samenleven, is een onafhankelijke rechtsbedeling en parlementair stelsel noodzakelijk.

 

    En de klagers? Het is hun eigen fout, wanneer mensen niet gelukkig zijn. “Hou toch op met klagen. Alleen dwazen trachten van een grote korf een eerlijke korf te maken. Om de gerieflijkheden van de wereld te genieten, beroemd te zijn in de oorlogsvoering en toch in welbehagen zonder grote ondeugden te leven, is een ijdele UTOPIE, gezeteld in de hersenen”.

 

6. Poorterse levenskunst: meer toekomst dan verleden.

Het motto weet of rust” van Coornhert typeert ook Bernard Mandeville, met in het achterhoofd erbij dan meteen ook het “dueghd verhuecht” van Henrick Laurensz. Spieghel (1549-1612). Levenslustig beschaafd omarmt hij zichzelf en de wereld als een schepping waarin persoonlijke vrede, sociale vrede en vrede tussen naties mogelijk zijn. Daarover spreekt hij zich uit, op een empiristische wijze, duidelijk. Maar niet in der praat alleenlijck. Had Dirk Coornhert hem gekend, dan zou hij instemmend geknikt hebben: Die heeft ghewisselyck wel levenskunst! Zijn instelling staat ver af van het que sais je van Montaigne, dat sceptisch maakt, het ik weet niet van Nescio, dat berustend maakt. En hij beschikt over teveel oprechte en stadighe blydschappe en is te weinig schoolmeester om een moralist, satiricus of cynicus te kunnen zijn.

 

Al in de vroege middeleeuwen is de dynamische poortersmentaliteit de gist van de Nederlandse cultuur. En als een vanzelfsprekende levensinstelling doordesemt zij de Nederlandse samenleving van nu, zoals zij de Nederlanden respectievelijk Nederland van vroeger - en waarvan Bernard Mandeville zich zeer bewust was - deed. De empirie, de grote praktijk van het leven, sluit alles in, en om dezelfde reden sluit een poorter of - om elke suggestie van een nationalisme te voorkomen - iedereen met een poorterachtige levenskunst, niets uit.

 

Wie ten aanzien van deze praktische instelling op tegenstrijdigheden of ongerijmdheden wijst, verraadt slechts zijn eigen goeddunkendheid.

 

In welke sfeer de bestrijders van Bernard Mandeville gezocht moeten worden, kan geen verrassing meer zijn. Hij zelf vestigt onze aandacht op de figuren die bij de mensen de grootste problemen veroorzaken, namelijk degenen die de mogelijkheid van een individu belemmeren en vergallen om met oprechte en stadighe blijdschappe te leven en samen te leven. Hun negatieve invloed, grotendeels door opvoeding en opleiding ingeprent, kun je, niet zonder moeite, heel goed bij jezelf opruimen. Deze krachten zijn volgens hem:

 

- de geestelijken, omdat het fout blijkt te gaan zodra mensen van geloof hun beroep maken en uit eigenbelang een zichtbare kerk organiseren;

 

- de door de geestelijken met bijgeloof opgezadelde dwepers, omdat die zo stom zijn in duidelijke contradicties te geloven die met het gezonde verstand in strijd zijn;

 

- de filosofen die zelfvoldaan hun eigen ratio overschatten;

 

- politici die geen rekening houden met de natuur van de mensen; en

 

- degenen die de vrouwen discrimineren.

 

De invloed van deze figuren is voor individu en samenleving aantoonbaar schadelijk. Iedereen, niemand uitgezonderd, wordt uitsluitend door zijn zeer complexe zelfvoorkeur (self-liking) gedreven, zo legt Mandeville met voorbeelden uit. De zelfvoorkeur is sterker dan de angst voor de dood en de reden van zelfmoord. Hoe en in welke mate deze zelfvoorkeur wordt ontkend, verwrongen en toegelaten, wordt aangeleerd. Hoe meer de zelfvoorkeur door idealen en modes wordt ontkend en verdraaid, hoe minder zelfkennis. Als Mandeville beschrijft dat ook daden van menslievendheid en filantropie louter kwesties van zelfvoorkeur zijn en armenscholen schadelijk voor de samenleving, willen ze hem monddood maken. Maar zijn fundamentele verweer blijft: “Wat voor schade breng ik de mens toe, indien ik hem meer met zichzelf bekend maak dan hij daarvoor was”?

 

###

 

De wereld krijgt niet het karakter van een global village, een groot beklemmend dorp, maar ontwikkelt zich razendsnel tot één dicht netwerk van poorten’, van havensteden die door de nieuwe middelen van transport en communicatie niet meer aan het water hoeven te liggen. Er wonen nu al meer mensen in steden dan op het platteland.

 

Menselijke diversiteit is een gegeven en het menselijke gehakketak ook. Poorterse levenskunst slijpt de scherpste nadelige kanten hiervan af en stimuleert de creatieve en productieve kanten ervan. Zij heeft welbeschouwd dan ook veel meer toekomst dan verleden. Het licht van de poorterse levenskunst hoeft beslist niet onder de korenmaat te worden gezet.

 

Het oeuvre van Bernard Mandeville, maar dan wel in zijn geheel, vormt daarbij een aanstekelijke handreiking. Hij is een uitzonderlijke wetenschapper en erflater van onze beschaving op wereldniveau. Als vertegenwoordiger van het uitzonderingsgeval Nederland is Bernard Mandeville de actueelste van allemaal. © ACJ

 

 

 

Bernard Mandeville,

 

 

 

DOKTER,

 

Wetenschapspionier

 

en

 

poorter

 

 

Dirck V. Coornhert,

kopie naar

Cornelisz van Haarlem