Ter eeren van JACOB ZUYLEN
van NIEVELT,
Officier van Rotterdam.
Schijnheylig Atheist, Liefhebbent hoere vel,
Geltsughtig dwingelandt, uytbroedsel van de Hel,
Verstoorder van de rust, bederver der gemeente,
Die Weeuw noch Wees ontsiet, maar suigt uit haer gebeente,
Het merg en levens Sap, op dat het lichaem droogt,
Dit is het rechte wit, dat gij O schellem beoogt,
Gedenckt u val genaekt, gij sult haest straf ontfangen
Voor al u boos bedrijf, zijt waerdigh op gehangen
Aen d'alderhoogste Galg, voor alle man ten toon
Gij in het mid', o Guyt: aan yder zijd een Soon
Wat wonder dat het recht, des Hemels komt ontwaken
Om dat gy 't Reght verkracht, gerechtigheyt doet schaken
Het heyl gy derven moet, soo gy u niet bekeert
Daerom dees boosheyt staekt, eer dat gy wert begeert
Van d'onderaertsche Poel, om eeuwig daer te branden.
Want al sulck helsgespuys, dat moet daer seker landen.
O Burger Vaderen ligt dees Schelm de voet,
Eer dat het iemant van u kinderen self doet.
Hæc ducti vera religione patrant
Scilicet.
Schijnheyl’ge Nievelt, die so loos, als Godvergeten
Sig deugdsaam veynsde, op de deugd so hels gebeten,
Bedroog d’onnooselen, en heuld’ aan ‘t fijne graauw.
Dit lukt’ hem; want hij raakt’ in ‘t Kerk bestier, so gaauw
Men loofde, dat hy was, het geen hy scheen te wesen:
Dit was sijn schelms begin; waar af hy opgeresen
Allenx in aansien wies, tot dat hy so ver steeg;
Dat hy ‘t aansienllijxt ampt, het Opperschoutschap kreeg.
Nu kon sijn boose siel, die soo na schatte haakte,
Die soo bloed-dorstig sig in burger-moort vermaakte,
Haar gierigheyt, en wreetheyt bey na wens voldoen;
Nu kon hy sonder scha sijn geyle luste voen.
Sijn Staat-sugt klom nog meer, hy wist so ver te raaken,
Dat men hem buiten Regt, en reen stads Raad most maaken.
Nu was hy baas; nu maakt’ hy Regters na sijn hand,
Die als sijn slaven swoeren voor haar meesters kant.
Nu vilt hy Borgeren, drukt Weduwen en Weesen:
En alles onder schijn van God, en ‘t Regt te vreesen.
Godloose bloethont, die de arme ‘t sijn ontsteelt;
Wiens helse stank het gantsche Nederlant verveelt:
Wist gy niet snood’ harpije, dat al de schellemstukken
Haar Meesters loonde, dat het eens dog moest mislukken?
Neen, Wolf in Schaaps-gelaat, gy wist het niet; maar leert
Nu tot u scha; hoe ras de kans is omgekeert.
Vrou Themis, die gy steeds dorst trappelen met voeten,
Riep met een naare galm, sal ‘k dan nog langer moeten
Van ‘t Raadhuys afgeschopt door die vervloekte guit
Als balling doolen? Neen mijn Borgers werpt hem uit.
‘t Getergde volk op dese stem vol moet vliegt heenen,
En maakt sijn Huys, en hof slegts tot een hoop van steenen.
Hoe komt het, dat u vader niet voorsag den val
Van ‘t alderliefste kint? Seg Soon van Belial.
Nu wert met Regt d’onregten Regter weg gedreven;
En ‘t Regt wert aan het Regt door ‘t Regt weer om gegeven.
Nu werpt men ‘t onregt van des Regters setel af.
Gy Regters, die hem ‘t onregt toestont, wagt u straf.
Maar Burger Vad’ren, gy die torst op uwe schoud’ren
Den last van deze Stad, volg ‘t voorbeelt der vooroud’ren,
En kiest hier toe een man bemint van ieder een;
So wert uw’ agtbaarheyt gehoorsaamt van ‘t gemeen.
Veritas odium parit.
Op 5 october 1690 werd tijdens het zgn. Costerman-oproer in Rotterdam een pamflet met de titel Ter eeren van Jacob Zuylen van Nievelt aangeplakt. Dit is vrijwel zeker door Bernard Mandeville geschreven. Schijnheyl’ge Nievelt, het tweede gedicht op deze pagina, lijkt ook van hem te zijn.
Lees hierover verder in Het leven van Bernard Mandeville
(1670-1733) door Arne C. Jansen, in Bernard Mandeville,
De wereld gaat aan deugd ten onder.
SchijnheiligE Nievelt
Jacob Zuylen
van Nievelt