Een verhandeling over de hypochondrische en hysterische ziekten.

(1730)

 

 

N.B. De eerste versie van dit boek verscheen in 1711. De titel hiervan is A Treatise of the Hypochondriack and Hysterick Passions. In 1976 opnieuw uitgegeven in de serie ‘Classics in Psychiatry’.

 

 

                          Het Voorwoord.

 

Toen de geslepen verzoeker van de mensen, peinzend over hun verderf, onze eerste ouders in hun trots aanviel, liet hij zien grondig onderlegd te zijn in de menselijke natuur, waarvan de ondeugd die ik noemde zo onscheidbaar is, dat het onmogelijk is dat de laatste helemaal zou worden vernietigd zolang de eerste blijft bestaan. Ik heb niet het plan, lezer, u te vermoeien met de waslijst van onherstelbare rampen waarvan hij de aanleiding is geweest, zowel voor als sinds de schepping. Maar ik zal [iv] u slechts zeggen dat hij, zoals hij destructief was voor de onervaren Adam, door bij hem ziekte en dood te veroorzaken, nog steeds niet minder fataal is voor zijn van tevoren gewaarschuwde nageslacht, doordat hij voornamelijk de vooruitgang van de schitterende kunst belemmert, die zowel het herstel als het behoud van de gezondheid zou moeten onderwijzen.

         Het is de trots die de arts ertoe brengt van de betrouwbare waarneming van de nooit-dwalende natuur af te stappen en de losse gissingen van zijn eigen verdwalende verdichting aan te vatten, zodat de wereld de vruchtbaarheid van zijn hersenen kan bewonderen. En het is de trots in de patnt, die hem verliefd doet worden op de redenerende arts, om zo de kans te krijgen de diepgang van zijn eigen scherpzinnigheid te laten blijken. Maar als de redenen die vaak door de een worden gegeven, en door de ander als geldend worden aangenomen, nauwkeurig zouden worden onderzocht, dan zou het een verstandig mens er bijna toe bewegen zijn eigen soort niet meer te willen kennen, en hem [v] aan het blozen maken, wanneer hij een redelijk schepsel wordt genoemd.

Ik weet dat het naar voren brengen van deze leer zwemmen tegen de stroom van onze levendig praatgrage tijd in is, waarin de stille ervaring van nauwgezette praktizijns wordt geridiculiseerd en niets wordt opgehemeld behalve de geestige speculaties van hypothetische dokters.

        Tevergeefs zegt de hooggeachte Baglivi: Nos latet æternumque latebit minima illa, ac subtilis, non solum à sensibus, sed ab humanæ mentis acie prorsus remota solidarum æque ac fluidarum corporis viventis partium textura. De empatische waarheid is aan deze tijden verspild en hij moet niet verwachten door onze scherpzinnige filosofen geloofd te worden, wier trots niet wil erkennen dat het mogelijk is dat de natuur verborgen plaatsen heeft die buiten het bereik van [vi] hun inzicht liggen, en de nadelige bewering als een belediging voor het menselijke verstand beschouwt.

        De  vernuftige Sylvie de le Boe was een arts die op zoek naar de oorzaken van stoornissen zijn rijke fantasie de vrije loop liet. Toch verwaardigde hij zich, sprekend over die welke ik ga behandelen, te zeggen, Cognitio rerum naturalium omnium est ab experientia per sensus facta; unde causas effectuum sic compertorum exquirit ratiocinatione concatenata ingenium humanum. De veritate tamen inventa certus esse potest nemo; nisi posiquam de suæ ratiocinationis soliditate confirmatus fuerit per eandum experientiam, ratiocinationem prædictam ipso opere confirando & comprobando. Hoe weinig [vii] en ongewis in dit geval het redeneren van nut is bij de geneeskunde, indien vergeleken met de absolute noodzaak van ervaring, zelfs volgens de bekentenis van een genie die zo vruchtbaar in veronderstellingen is, laat ik aan alle verstandige mensen ter beoordeling over.

        Op grond van wat ik heb aangeduid ben ik er zeker van, dat sommige lezers al een vooroordeel tegen mij hebben ontwikkeld. Maar laat me die ongeduldige lezers smeken dat zij mij wegens wat ik tot dusver heb gezegd, en wat zij verder onder deze kop in de eerste dialoog zullen lezen, niet laken of mij bij wijze van woordspeling veroordelen als een vijand van de rede, voordat zij aan het einde van de tweede dialoog zijn gekomen, en ik hen zal hebben laten zien tegen wat voor soort van redeneren ik me uitspreek.

        Sommige mensen, weet ik, zullen niet blij zijn met wat op bladzijde 39 en enkele volgende bladzijden wordt gezegd, maar ik hoop dat geen openhartige lezer hierdoor zal vermoeden, dat ik de bedoeling heb me meer in het bijzonder [viii] over de ene stad of het ene land ongunstig uit te laten dan over een ander, en nog minder me op specifieke personen te richten. Ik spreek in algemene termen en wie er zin in heeft iets ervan op zichzelf te betrekken, is gedienstiger dan ik van hem verlang. Ik vond het nodig deze waarschuwing te geven, omdat ik niemand wil laten denken dat ik alleen voor het geestelijke peil van Londen had uitgekiend wat evenzeer op de meeste grote steden in Europa van toepassing is. Maar indien iemand denkt dat ik in de eerste dialoog te streng over mijn eigen beroepsgroep geweest, laat hem doorgaan met lezen, en hij zal merken dat ik het in de derde dialoog weer ruimschoots goed met hen maak.

        De volgende lezers waarvan ik bang ben dat ze het werk zullen bestrijden, zullen die apothekers zijn, die zwak genoeg zijn om zich beledigd te voelen door wat door iemand die last van zwaarmoedigheid heeft wordt gezegd. Ik erken dat zij sommige dingen tegen kunnen komen die niet hun algemene goedkeuring kunnen verdienen en sommige [ix] ervan zijn erg lastig voor de hele broederschap. Maar als zij zullen overwegen hoe Misomedon (die de man is die tegen hen te keer gaat) als verklaarde vijand tegen de geneeskunde en over-verzot op universiteitskennis door het hele boek heen wordt weergegeven, zullen zij erachter komen dat ik hem niet anders kon laten spreken zonder zijn karakter te bederven.

        Wanneer ik al deze mensen tevreden heb gesteld, verwacht ik dat anderen, die zonder op de merites van de zaak in te gaan of te onderzoeken of de aanmerkingen die ik op de geneeskunde heb gemaakt wel of niet juist zijn, me zullen vragen, wat voor reden ik had zo de mond vol van hen te hebben in een verhandeling waarin niemand ze zou zoeken? Aan hen geef ik dit antwoord.

        Van plan zijnde mijn opvattingen over de stoornissen, waarop ik me gedurende enige jaren had toegelegd, te publiceren, bedacht ik [x] dat het minder verwaand zou zijn, indien ik zou schrijven bij wijze van informatie voor de patiënten die ervan te lijden hebben, dan indien ik de pretentie had andere beoefenaren te onderwijzen die beweren hen alsmede mijzelf te genezen. Het is natuurlijk te denken dat dit me meer bezorgd maakte de eersten tevreden te stellen dan dat ik er zorg over had hoe het bij de laatstgenoemden zou overkomen. Ik wist dat de studie van de geneeskunde op zichzelf al erg onaardig was en dat de praktisch aangelegde auteurs, die over het algemeen voor degenen van hun eigen beroepsgroep schrijven, verre van amusant waren. En in aanmerking nemend dat de saaie opsomming van symptomen en oorzaken waarmee we elkaar opzadelen en ook de angstaanjagende massa verschillende medicijnen die worden aangetroffen bij degenen die de hypochondrische en hysterische hartstochten hebben behandeld, erg vervelend en onaangenaam moeten zijn voor de mensen die verlichting zoeken bij een stoornis waarvan ongeduldigheid een van de zekerste symptomen is, besloot ik van de [xi] gebruikelijke methode af te wijken en datgene wat ik te zeggen had voor degenen die ik als mijn lezers op het oog had zo smakelijk mogelijk te maken. Voor dit doel uitziend naar iets dat zowel serieus als amusant het onderwerp zou kunnen opsmukken en toch er niet te ver vanaf zou staan, kwam ik terecht op de medische opmerkingen die u door de voornaamste kwestie heen gevlochten zult aantreffen. Acriora orexim excitant embammata. En nadenkend over de hoge kosten die hypochondriaci vaak hebben door zowel de honoraria als medicijnen, dacht ik dat niets voor hen nogal meer verheugend kon zijn dan vermaakt te worden ten koste van degenen, waaraan velen van hen zonder enig resultaat zo veel verschuldigd zijn geweest.

        Het geheel is verdeeld in drie dialogen. De personen die optreden zijn Misomedon, Philopirio en Polytheca, van wie de laatstgenoemde alleen aan een gedeelte van de derde dialoog deelneemt.[xii]

 

Misomedon is erudiete man die zolang hij gezond was een blije en gelijkmatige aard had, en een vriendelijke open instelling. Maar nadat hij lang onder de hypochondrische hartstocht heeft geleden is hij nu erg ten kwade is veranderd, en chagrijnig, wispelturig, vol kritiek en wantrouwig geworden. Desalniettemin heeft hij bij mooi weer soms heldere ogenblikken die twee of drie dagen duren. Dan is hij erg spraakzaam, houdt ervan met geletterde mensen te converseren en is vaak grappig. Hoewel hij bij zijn conversatie geen verstand of scherpzinnigheid lijkt te missen, is hij toch vooringenomen wat zijn afkeuringen betreft en veranderlijk in zijn humeur; soms erg  inschikkelijk, dan weer vitziek, maar altijd geneigd tot satire. Hij is erg geneigd om van het een naar het ander af te dwalen en vaak zijn mening te veranderen. Wanneer hij over zichzelf spreekt vervalt hij al gauw in retorische uitbarstingen en schijnt er behagen in te scheppen over zijn kwalen te praten en [xiii] de geschiedenis van zijn stoornis en wat hem overkomen is te verhalen. Hij heeft geneeskunde gestudeerd, maar is er geen sympathisant van en heeft een grote haat tegen apothekers.

        Philoporio is een buitenlander en arts die nadat hij zijn studies had beëindigd en overzee was gepromoveerd, naar Londen was gekomen om de taal te leren. Hij schiep, toen dat gebeurd was, daar veel behagen in en vond ondertussen het land en de sociale gewoonten ervan aangenaam voor zijn stemming, en is nu vele jaren in Engeland en zal daar zijn leven waarschijnlijk eindigen. [zie ook noot hieronder]

        Polytheca, die de vrouw van Misomedon is, is een blije levendige vrouw geweest met een ongedwongen, aangenaam humeur. Maar doordat ze al jarenlang in hoge mate van vapeurs te lijden heeft kan ze nu nauwelijks aan iets anders dan aan haar eigen stoornis denken, en is in dezelfde mate een vriend van de medici en apothekers als haar echtgenoot er een vijand van is. [xiv]

        Er zijn weinig hypochonders die, wanneer de stoornis lang duurt, niet merkwaardig zijn vanwege iets dat vreemd en bijzonder in hun stemming, hun houding of gedrag is. En omdat Misomedon als een bewonderaar van beschaafde literatuur wordt voorgesteld en vanaf zijn jeugd al van lezen houdt, dacht ik dat het niet onnatuurlijk was, dat een dergelijk iemand bij de minste draai van zijn hoofd over-verzot van Latijnse gezegden wordt en zijn betoog met meer citaten uit de klassieken doorspekt dan een verstandig man die de wereld begrijpt zou doen, indien zijn hoofd volkomen helder was. Want dit is een van de eigenaardigheden waarmee ik Misomedon bewust heb belast. Veel lezers zullen op het eerste gezicht dezelfde fout bij Philopirio aantreffen, maar bij nader onderzoek zullen zij ervan overtuigd zijn dat hij dat alleen maar uit inschikkelijkheid doet en om met de stemming van zijn patiënt te harmoniëren,[xv] aan wie hij, wanneer hij hem goed heeft leren kennen, toegeeft, dat hij het daarop heeft aangelegd. Bovendien zal de ontwikkelde lezer op dit punt gemakkelijk het verschil zien tussen de dokter en zijn patiënt. Al het Latijn dat geen verband houdt met de geneeskunde waarvan de eerstgenoemde gebruik maakt, bestaat uit bekende uitdrukkingen die men vaak hoort en die elke schooljongen kent. Maar het leeuwendeel van de gezegden die de andere citeert zijn minder afgezaagd en behoren als zodanig tot een hogere vorm en het daarvan goed op de hoogte zijn getuigt van een grondiger kennis van de Latijnse taal en een grotere mate van belezenheid dan de dokter lijkt te pretenderen. Misomedon maakt zijn betoog vaak tastbaar en zegt met opzet dingen om een gezegde mogelijk te maken, wat Philopirio nooit doet. En verscheidene keren als [xvi]de laatstgenoemde iets zegt waarop een Latijns gezegde toepasselijk zou kunnen zijn en daar toch niet op let, doet de ander dit voor hem, citeert het, en laat hem daarna zonder nog iets anders te zeggen verder gaan.

        Maar hoe verzot op gezegden en andere citaten in het Latijn Misomedom ook mag worden voorgesteld, toch is hij niet zo onbeleefd om ze tegenover degenen te gebruiken die die taal niet verstaan. In dit geval wordt ervoor gezorgd dat er bij het behandelen van de hysterische hartstocht en wat directer verband houdt met de klachten van het schone geslacht, niets door het Latijn wordt belemmerd. Om dat gedeelte aangenaam en onderhoudend te maken, en helder en leerzaam, heb ik gebruik gemaakt van een derde persoon, en een dame geïntroduceerd die met gevoel haar eigen kwalen beschrijft en uitvoerig verhaalt wat met haar dochter is gebeurd, die verscheidene jaren hysterisch is geweest [xvii]. Ik ben ervan overtuigd dat er door het historische verslag dat Polytheca van hen beiden geeft en van wat verder tussen haarzelf en de arts die zij consulteert gebeurt, een veel helderder idee kan worden verkregen van de stoornis die de vapeurs wordt genoemd en de verscheidenheid van hysterische aanvallen dan door een louter relaas van verschillende symptomen die op een verwarde manier zijn samengebracht, en dat de eerstbedoelde zelfs voor mensen met gewone capaciteiten even begrijpelijk zullen zijn die welke van de laatstbedoelde dan nog over zijn.

        Het zal zonder meer overkomen dat Polytheca en ook haar echtgenoot en dochter verzonnen patiënten zijn die uit mijn koker komen. Maar wees ervan verzekerd dat elke klacht van hen eerst aan de natuur werd ontleend. De voorbeelden die ik geef zijn zodanig volgepropt met symptomen, dat ik nooit verwacht een persoon tegen te komen wiens geval precies op een van de drie zal lijken. En aangezien ik alleen de symptomen heb opgeschreven die duidelijk en gewoon zijn [xviii] bij de stoornis die ik behandel, is het mogelijk dat sommige hysterische en ook hypochondrische personen last kunnen hebben van een of ander bijzonder symptoom dat niet in het boek voorkomt. Maar wie het hebben doorgelezen (mannen of vrouwen) en in een of ander gedeelte niet drie of vier symptomen zijn tegengekomen die op henzelf van toepassing zijn, mogen erop vertrouwen dat hun kwalen niet onder de ene of de andere noemer vallen.

        In het voorwoord voor de eerste uitgave heb ik mij ervoor verontschuldigd dat het Latijn dat door het boek was verspreid niet in het Engels was vertaald, omdat ik dacht (zoals ik daar zei) dat het belachelijk zou zijn twee mensen samen te horen discussiëren die aan elkaar vertalen wat beiden verondersteld worden te verstaan. Maar sindsdien heb ik zoveel klachten gehoord dat het Latijn niet vertaald was, dat ik mijn maatregelen heb gewijzigd en op elke bladzijde voetnoten heb gezet om wat in de tekst ervan geen Engels is nader te verklaren. [xix] Maar daar het in deze verhandeling niet mijn taak was talen te onderwijzen, heb ik mij er meer om bekommerd de betekenis van de Latijnse passages op te schrijven dan dat ik me over de woorden zelf druk heb gemaakt. En ik heb met alle lezers zoveel rekening gehouden dat ik, om niemand ervan te grieven of onbehaaglijk te maken, in twee of drie gevallen waar ik dacht dat een juistere vertaling te expressief zou zijn om gelezen te worden door of voor iedereen, de uitdrukking heb verzacht en van de echte betekenis in het Latijn ben afgeweken. Ik heb al opgemerkt dat onder de gezegden die Misomedon gebruikt er zodanige zijn die niet gewoon zijn en je zelden tegenkomt, en het is mogelijk dat sommige ervan zelfs voor belezen mensen nieuw zijn. Maar er is niet een waarvan ik in de noten heb gezegd dat het een gezegde is, of die spreekwoordelijk wordt gebruikt, zonder dat ik er een gezaghebbende bron voor heb. Voor de waarheid daarvan [xx] beroep ik me op de Adagia van Erasmus, waar elk van de minst duidelijke uitdrukkingen kan worden teruggevonden.

        Ik ken mensen die het Latijn waarmee ik de dialogen heb laten eindigen hebben bespot, maar daar ik er niets belachelijk aan heb kunnen ontdekken, heb ik er niets aan veranderd. Misomedon begint altijd eerst in het Latijn te spreken en ik geloof niet dat een verstandig iemand, die zich in het karakter dat aan deze persoon is gegeven wil verplaatsen en ook op de zorg wil letten die Philopirio eraan besteedt om met de stemming van zijn patiënt in harmonie te komen, enige ongerijmdheid zal vinden in datgene waarover ik nu spreek.

        Omdat de noten niet meer plaats in mochten nemen dan noodzakelijk was zal de lezer ontdekken, dat daarin geen acht wordt geslagen op Latijn of Grieks dat in de tekst zelf wordt uitgelegd en dat woorden niet meer dan een keer zijn vertaald, ook al komen ze later weer voor. [xxi]

        Iets anders, waarvan ik vrees dat erover zal worden gezeurd, is, dat twee personen een half uur lang over een wetenschap van gedachten moeten wisselen, zoals de dokter en zijn patiënt over wiskunde doen, waarvan zij beiden toegeven dat zij deze niet begrijpen. Dit is, geef ik toe, heel buitengewoon. Maar geen wijs man zou er erg door gegriefd zijn voordat hij gelezen had gelezen wat zij er dan wel over zeiden. Dat echte wiskundigen, tenminste het grootste deel ervan, er niet boos over zullen zijn, geloof ik stellig. En wat degenen betreft die weinig of niets van die wetenschap weten, maar niettemin anderen geringschatten die dit ook niet voorwenden; die Braggadocio’s, die gehouden willen worden voor wat ze niet zijn en slechts de benaming wiskunde gebruiken om iedereen uit gewin om de tuin te leiden, zij mogen er rustig van vinden wat ze willen.

        De eerste druk van dit boek werd in het jaar 1711 gepubliceerd. Sindsdien [xxii] heb ik er heel wat aan toegevoegd en er grote wijzigingen in aangebracht. Maar ik heb niets veranderd wat de tijd betreft waarin het gesprek, dat wil zeggen het onderwerp van deze dialogen, wordt verondersteld te hebben plaats gevonden, zodat wanneer de lezer de woorden een overleden auteur of een andere passage tegenkomt, waarin over dingen wordt gesproken die toen realiteit waren, moet hij tenminste 19 jaar aftrekken van wat nu realiteit is. En opdat het boek nog steeds terecht kan worden beschouwd als iets dat zoveel jaren geleden is geschreven, heb ik me niet bemoeid met of aandacht besteed aan iets, dat sinds die tijd is gepubliceerd of afgehandeld. Ik breng het publiek ervan op de hoogte, zodat iets niet voor mensen die nu leven zou kunnen gelden dat voorheen werd bedoeld voor mensen die een dozijn jaar of langer in hun graf liggen.

 

Noot: Het voorwoord van de eerste druk is anders. Deze passage over Philopirio komt er niet in voor. Mandeville maakt in het eerste voorwoord enkele persoonlijke opmerkingen. Zo zegt hij onder meer: ‘In deze dialogen heb ik hetzelfde gedaan als Seneca in zijn Octavia deed en mijzelf op het toneel gebracht; met dit verschil dat hij zijn eigen naam hield en ik die van mij veranderde voor die van Philopirio, een minnaar van ervaring, wat ik verklaar altijd te blijven. Waarom ik wens dat mijn lezer wat er ook maar door de persoon die ik het laatst noemde [dus Philopirio], wordt gesproken, opvat als gezegd door mijzelf.’

 

 

Een Verhandeling

 

over

 

stemmingstoornissen

 

 

 

 

voorwoord

Titelblad van de eerste versie, 1711