Een onderzoek naar de oorzaken
van de veelvuldige terechtstellingen in Tyburn, enzovoort
(1724)
Voorwoord
De bedoeling van deze kleine verhandeling is de gangbare praktijk van het stelen te verminderen, zo niet te voorkomen, en vele levens van het lichtzinnige en behoeftige gewone volk te redden, waarvan nu jaarlijks zulke grote aantallen omwille van kleinigheden om zeep worden geholpen.
Hiertoe heb ik getracht op een ware manier helderheid te geven over de destructieve gevolgen van zowel diefstalboete en de schade die de gemeenschap ondervindt door de handel die door dievenvangers wordt bedreven als de verschillende manieren die nu in zwang zijn om felonies minnelijk te schikken, waardoor voor zowel de veiligheid als het levensonderhoud van dieven en kruimeldieven nijver wordt gezorgd en de wetten die vervolging benadrukken, geheel en al worden ontdoken.
Met hetzelfde oogmerk heb ik gewezen op de losbandigheid en andere ordeverstoringen van Newgate, die voortkomen uit de verkeerde methode die we hebben om gewone zware misdadigers in de gevangenis te behandelen. Ik heb de verrichtingen op de dag van de terechtstelling, met de optocht naar Tyburn, beschreven en aangetoond hoe weinig voordeel zij zowel voor de veroordeelden zelf opleveren, voor wie het meest belangrijk is dat ze zich voorbereiden een andere wereld, als voor hun metgezellen, die afgeschrikt zouden moeten worden, of voor de rest van de toeschouwers, die getroffen zouden moeten worden door de afschuwelijkheid van de plechtigheid.
Ik heb ook onderzoek gedaan naar de oorsprong van de moed en de verkeerde oordelen die op verschillende manieren over het stervensgedrag van de boosdoeners worden geveld, en heb zowel de kwalijke gevolgen als de absurditeit laten zien van het feit dat we dronkenschap voor onversaagdheid en een gevoelloze houding voor onverschrokkenheid aanzien, en heb de verscheidene nalatigheden en het wanbeheer aangestipt die er medeplichtig aan zijn en die op de een of andere manier bijdragen aan de toename van het aantal zware misdadigers en hun ondersteuning, en derhalve aan de veelvuldige terechtstellingen. Daarna heb ik in een apart hoofdstuk enkele voorstellen gedaan voor een beter gebruik en fatsoenlijke behandeling van gewone zware misdadigers die opgesloten zitten, en een hartroerende voorstelling gegeven van de goede effecten die we waarschijnlijk van zulke heilzame regelingen mogen verwachten. Hieraan heb ik een betoog over deportatie toegevoegd en een methode om die straf niet alleen voor de criminelen doeltreffender te maken, maar op de meest buitengewone manier ook voordelig voor de gemeenschap.
Ik ben niet zo ijdel om aan dit stuk enige verdienste toe te kennen of mijzelf de bijval van velen te beloven. Integendeel, ik verwacht bekritiseerd te worden, en misschien verdiend, om de vreemde versieringen die ik door mijn onderwerp heb gemengd. Mensen met smaak en beschaving zullen mij, omdat ik hen in tezamen bijna een heel hoofdstuk vermaak met het laagste en meest abjecte gedeelte van het ordinaire leven, heel weinig genoeglijk vinden. Zij zullen me zeggen dat de binnenkant van Newgate op een dag van de terechtstelling, of op een andere dag, geen tafereel is waarmee zij lastig behoren te worden gevallen en dat, wanneer de nobele stijl eraan ontbreekt, de nauwkeurigheid van een schildering onder oordeelkundigen weinig waarde heeft. Hierop zou ik kunnen antwoorden dat ik, als ik tegen de wetten van of fraaiheid of vormelijkheid heb gezondigd, daartoe werd gedwongen door iets dat boven alle wetten gaat, de noodzaak.
Wanneer een man zijn lezers wil vervullen met een afkeer van iets waarvan ze niet op de hoogte zijn, kan hij zijn doel nooit bereiken zonder hen eerst te voorzien van een algemeen begrip van datgene waartegen hij hun verontwaardiging zou willen opwekken. Ik zou eraan kunnen toevoegen dat, wanneer een stuk levendig en redelijk verzorgd is, de goedaardige criticus de laagheid van het ontwerp zal vergeven wegens het belang van het kleurgebruik en de toewijding door de meester. Maar als geen van deze verontschuldigingen voldoende is, moet ik schuld bekennen en toegeven dat het genoegen dat inherent is aan het nabootsen, in wat voor vorm ook, van de natuur zo betoverend is dat dit de stem van de kunst overstemt en ons vaak dwingt tegen ons eigen oordeel te zondigen.
Aangezien er in deze stad niet weinig intelligente zakenmensen zijn die geen vrije tijd genoeg hebben om veel buiten het openbare nieuws te lezen, en de meeste van hen toch geďnteresseerd zijn in de inhoud van dit pamflet, heb ik ervoor gezorgd dat de verschillende hoofdstukken ervan in evenveel afleveringen van de British Journal werden afgedrukt, waarbij ik me voorstelde dat het, nadat het zo verspreid was en als het ware op die manier aangekondigd, geen aanstoot zou kunnen geven aan de meer nieuwsgierigen die ervoor zouden kiezen het helemaal te lezen en het te bestuderen in een drukletter die minder bezwaarlijk voor de ogen is.
In het eerste hoofdstuk had ik aandacht moeten geven aan een bepaling in een wet van het parlement die in het vierde jaar van de huidige zijne majesteit is gemaakt en getiteld is Een wet voor het verder voorkomen van roof, inbraak en andere felonies, enzovoort. De onpartijdige lezer zal, hoop ik, de nalatigheid vergeven die veroorzaakt wordt door het feit dat ik weinig van de wet weet en me toestaan dat verzuim hier te herstellen. De tekst is als volgt.
‘En in aanmerking genomen dat er verscheidene personen zijn die in het geheim met zware misdadigers omgaan en die er hun zaak van maken personen aan hun gestolen goederen te helpen en op die manier geld aan hen verdienen, dat tussen hen en de zware misdadigers wordt verdeeld, waardoor zij zulke wetsovertreders grotelijks aanmoedigen:
wordt door de voorgemelde autoriteit bepaald,
dat wanneer een persoon geld of beloning aanvaardt, direct of indirect, onder voorwendsel, of om reden van het helpen van een persoon of personen aan gestolen have of goed, elke zodanige persoon, die dus geld of beloning aanneemt, zoals voorgemeld (tenzij zo’n persoon een zodanige misdadiger die hetzelve stal, aanhoudt of ervoor zorgt dat hij wordt aangehouden, en dit ertoe leidt dat een zodanige misdadiger voor hetzelve voor het gerecht wordt gebracht, en tegen hem getuigt), schuldig zal zijn aan een felonie, en de straf en boetes voor de felonie zal ondergaan overeenkomstig de felonie die werd begaan door deze goederen te stelen, en op eenzelfde wijze, alsof zodanige wetsovertreder zelf zulk have en goed had gestolen op de wijze en met de omstandigheden zoals dezelve werden gestolen.’
Sinds het afdrukken van deze hoofdstukken in de eerdergenoemde krant heb ik ook vernomen dat er, net zoals door deze wet het aannemen van geld om anderen te helpen bij het terugkrijgen van hun gestolen goederen als een felonie wordt aangemerkt, op grond van de bekende rechtsregels geldt dat wie daartoe helpt en assisteert vanzelfsprekend als een medeplichtige schuldig is en zich dezelfde straf als de hoofddader op de hals haalt. En er kan niet aan worden getwijfeld dat hij die bij zo’n gelegenheid geld betaalt, medeplichtig is aan het ontvangen ervan. Dit verdient bezinning bij degenen die er geen been in zien de goederen die van henzelf gestolen zijn, terug te kopen. Dit geldt ook voor een andere kwestie, namelijk dat als hij die geld voor gestolen goederen aanneemt een voornaamste zware misdadiger is en dat hij die betaalt een zware misdadiger is omdat hij medeplichtig is, dat dan degene die door middel van openbare advertenties, onder belofte van geheimhouding en dat er geen vragen gesteld zullen worden gesteld, anderen uitlokt om felonie te plegen, zich aan een zwaar wanbedrijf schuldig maakt, ook al zou dit geen resultaat hebben. Maar als dit het wel heeft, zal de persoon die zo’n advertentie publiceert ook een medeplichtige zijn.
Zie ook Een brief over georganiseerde misdaad
Zie ook Mandevilles ‘Tyburn’: Wrikken aan een dodelijke sleur
De oorzaken
van de
terechtstellingen
in
Tyburn
Opgenomen in De oorsprong van de eer en het nut van christelijkheid bij oorlog (2010)
voorwoord