Een bescheiden Verdediging van Openbare Bordelen,
of een essay over de hoererij,
zoals deze nu in deze koninkrijken wordt bedreven.
(1724)
Opdracht.
Aan de heren van de genootschappen voor de verbetering van de zeden.
De grote inspanning en ijver die u ter verdediging van zedelijkheid en deugd hebt aangewend geven u onbetwist het recht de geadresseerden van deze verhandeling te zijn. Maar het is met de grootst mogelijke bezorgdheid dat ik mij gedwongen voel haar te schrijven, want er is na zoveel verbetering toch nog iets over gebleven om met betrekking tot dit onderwerp te zeggen, behalve dan om u met uw mooie succes geluk te wensen.
Mijn verdriet is in niet geringe mate toegenomen nu ik zie dat uw inspanningen om de wellust te onderdrukken alleen maar geholpen hebben deze te bevorderen, en dat deze tak van de onzedelijkheid onder uw handen is gegroeid, alsof hij goed werd gesnoeid in plaats van afgekapt. Maar hoe uw schadelijke succes ook moge bedroeven, verbazen kan het me niet. Wat anders konden we verwachten van het feit dat u arme tippelaarsters vervolgt? Doordat u die afvoerkanalen en sluizen afdicht zouden wij de wellust laten lopen? Doordat u die hoornwerken en borstweringen van de zedelijkheid sloopt? Die bolwerken en grachten waarbinnen de deugd van onze vrouwen en dochters zo geriefelijk verschanst liggen? Een verschansing die des te veiliger is naarmate de grachten moeilijker te dempen waren. Of wat voor beters konden wij van het feit dat u hoerenmadammen op karren wegvoert verwachten dan dat de grote leviathan van de liederlijkheid, wegens gebrek aan deze tobbes om mee te spelen, met een zwiep van zijn staart het vaartuig van de zedelijkheid in de war zou sturen? Waarvan we weten dat dit in zijn beste toestand een beetje lek is en een erg onvaste helmstok heeft.
Een antieke filosoof vergelijkt de wellust met een wilde, vurige en koppige jonge hengst die nooit kan worden getemd voordat hij in een veenmoeras wordt gereden. En Plato gebruikt over hetzelfde onderwerp deze woorden: De Goden, zegt hij, hebben ons één ongehoorzaam en onhandelbaar lid gegeven, dat wild en fel wordt, zoals een begerig en uitgehongerd dier dat voedsel wil hebben, totdat het de vrucht van de gemeenschappelijke dorst heeft geabsorbeerd en de bodem van de schoot overvloedig heeft besprenkeld en bedauwd.
En nu ik de filosofen heb genoemd moet ik een ogenblik uw geduld vragen om een kort verslag van hun avontuurtjes aan te horen. Want niets zal ons eerder overtuigen van de onweerstaanbare kracht van de liefde en hoe dwaas de hoop is haar te onderdrukken dan door er bij stil te staan, dat die eerbiedwaardige wijzen, die modellen van de zedelijkheid, die grote verbeteraars van de wereld, zo aanwijsbaar door deze tedere hartstocht werden bewogen.
Socrates gaf op zijn oude dag toe dat hij over zijn hele lijf vijf dagen lang een vreemde kitteling voelde alleen doordat een meisje zijn schouder aanraakte.
Xenophon gaf een open bekentenis van zijn hartstochtelijke liefde voor Clineas.
Aristippus van Cyrene schreef een obsceen boek over antieke verrukkingen. Hij vergeleek een vrouw met een huis of een schip, dat er beter aan toe was als het gebruikt werd. Hij beweerde dat er in genoegen geen misdaad schuilt, behalve als men er slaaf van was. En hij placht vaak te zeggen: Ik geniet van Lais, maar Lais geniet niet van mij.
Theodorus verdedigde openlijk dat een wijze man zonder schaamte of schandaal met gewone hoeren zou kunnen omgaan.
Plato, ons grote voorbeeld van kuise liefde, stelt als de grootste beloning voor de openbare dienst voor dat degene die een glansrijk wapenfeit heeft verricht nooit enige liefdesgunst zou mogen worden geweigerd. Hij maakte een beschrijving van de liefdes van zijn tijd en verscheidene liefdessonnetten op zijn eigen gunstelingen. Zijn voornaamste favorieten waren Asterus, Dio, Phaedrus en Agatho. Maar hij had ter afwisseling zijn vrouwelijke lievelinge Archeanassa en was zo beroemd om zijn wulpsheid dat Antisthenes hem de bijnaam Satho gaf, d.w.z. welvoorzien.
Polemo werd door zijn vrouw vervolgd wegens geslachtsverkeer met mannen.
Crantor maakte geen geheim van zijn liefde voor zijn leerling Arcesilaus.
Aecesilaus vrijde met Demetrius en Leocharus. De laatste, zei hij, zou hij graag geopend hebben. Bovendien bezocht hij vaak de twee Eleatische courtisanen Theodata en Philaeta, en werd zelf genoten door Demochares en Pythocles. Hij verdroeg de laatste, zei hij, om geduld te oefenen.
Bion was bekend om het verleiden van zijn eigen studenten.
Aristoteles, de eerste Peripaticus, had bij zijn concubine Herpilis een zoon genaamd Nichomacus. Hij hield zoveel van haar dat hij haar in zijn testament een talent zilver en een keus uit zijn landhuizen naliet, zodat het juffertje, zoals hij zei, geen reden tot klagen zou kunnen hebben. Volgens anderen genoot hij naast de eunuch Hermias alleen zijn concubine Pythais, op wie hij een lofzang schreef, getiteld De binnenkant.
Demetrius Phalereus, die 360 standbeelden in Athene had, hield Lamia bij wijze van concubine en werd tegelijkertijd zelf door Cleo genoten. Hij schreef een verhandeling getiteld De minnaar en kreeg van de courtisanes de bijnaam Charisto Blespharus, d.w.z. charmeur van dames, en Lampetes, d.w.z. grote opschepper over zijn bekwaamheden.
Diogenes, de Cynicus, placht te zeggen dat vrouwen gemeenschappelijk bezit zouden moeten zijn en dat huwelijk niets anders was dan dat een man een vrouw in de zin kreeg om mee te slapen. Hij gebruikte vaak manueel geslachtsgenot op het openbare marktplein, waarbij hij zei: Oh, kon ik maar mijn honger stillen door op mijn maag te wrijven!
Maar wekt het verbazing dat de oude Academici, de Cyrenaici en Peripatici zo wellustig lichtzinnig waren wanneer de Stoïcijnen, die er zelf trots op waren dat ze al hun andere hartstochten hadden overwonnen, zelf gedwongen werden zich eraan te onderwerpen?
Zeno zelf, die de stichter van die sekte was, viel op door zijn zedelijkheid, omdat hij zelden jongens gebruikte en maar een keer een ordinair dienstmeisje mee naar bed nam, opdat men niet van hem zou kunnen denken dat hij die sekse haatte. Toch was hij in zijn Republiek voor een gemeenschappelijk bezit van vrouwen en schreef een verhandeling waarin hij de bewegingen ordende om een maagdenvlies te nemen en filosofisch bewees dat actie en reactie gelijk zijn.
Chrysippus en Apollodorus zijn het met Zeno over een gemeenschappelijk bezit van vrouwen eens en zeggen dat een wijze man op knappe jongens verliefd kan zijn.
Erillus, een leerling van Zeno, was een beruchte lichtmis.
Ik hoef de Epicuristen niet te noemen die door hun obsceniteit opvielen.
Epicurus liet gewoonlijk zijn eigen broer als koppelaar optreden en zijn leerling, de grote Metrodorus, bezocht alle bekende courtisanes in Athene en onderhield publiekelijk de beroemde Leontium, quondam maîtresse van zijn meester. Toch was hij als je Laertius wilt geloven in alle opzichten een goede man.
Maar wat zullen we over onze favoriet Seneca zeggen, die met al zijn zedelijke beginselen nooit de reputatie van kuisheid kon verwerven? Hij was inderdaad wat kieskeurig in zijn avontuurtjes, zoals de beroemde Flora die nooit door iets minder dan een dictator of consul werd genoten, want hij versmaadde een intrige met wie minder dan de keizerin was.
Welnu, als die eerbiedwaardige leraren van de oudheid zo losjes in hun zaadbedrijven waren moeten wij, van deze tijd, dan met kuisheid beginnen? Hebben onze studenten van Oxford meer controle over hun hartstochten dan de Stoïcijnen? Zijn onze jonge rechtenstudenten minder amoureus dan Plato? Of is een officier van het leger minder kittelig in zijn schouder dan Socrates?
Maar ik hoef geen retoriek te verspillen aan zo’n evidente waarheid. Want simpele en heldere voorstellen zijn -zoals geschilderde ramen- alleen maar ondoorzichtiger naarmate ze meer versierd zijn.
Ik wil nu veronderstellen dat u de mannen als onverbeterbaar hebt opgegeven, aangezien u door ervaring ervan overtuigd bent dat zelfs de huwelijkse staat niet in staat is hen terug te winnen. Het huwelijk is inderdaad precies zo’n remedie tegen wellust als het overladen van de maag tegen gulzigheid. Het geeft de voorliefde van een man een afkeer van een specifieke schotel, maar zijn gehemelte blijft even genotzuchtig als altijd. Om deze reden vinden we zovele getrouwde mannen die, als de vossen van Samson, alleen maar meer schade aanrichten doordat hun staarten vastgebonden zijn. Maar de vrouwen, zegt u, zijn zwakkere vaartuigen en u bent vastbesloten dat ze zich onderwerpen, waarbij u terecht oordeelt dat als u alle vrouwen zedelijk zou kunnen maken, dit in aanzienlijke mate een eind aan het overspel moet maken. Het is ongetwijfeld heel erg jammer dat zo’n mooi plan moet mislukken. En ik zou graag de hoop koesteren een van die Bridewell- bekeerlingen te zien. Ondertussen zou het niet verkeerd zijn als u uw huidige methode van bekeren, vooral wat de bepaling van een pak slaag betreft, wat zou veranderen. Het is inderdaad best mogelijk dat het zonder geld achterlaten van een arm meisje haar tot een manier kan brengen om eerlijk te leven, ook al was het ontbreken van geld de enige reden voor haar om anders te leven. En haar helemaal uitkleden kan voor zover ik weet bijdragen aan haar zedelijkheid en haar in een staat van onschuld brengen. Maar ongetwijfeld moet u, heren, toch allemaal weten dat een pak ransel helemaal een tegenovergesteld effect heeft.
Dit plan om hoerenkasten te slopen om onkuisheid te voorkomen doet me denken aan een zekere superkieskeurige heer die nooit vond dat zijn tuin er goed uitzag, totdat hij een kakhuis dat in één hoek ervan stond en zijn oog pijn deed, had afgebroken. Maar het duurde niet lang voordat elke neus in de familie van zijn fout overtuigd was. Als het met de rede niet lukt om te overtuigen, laten we dan ons voordeel met een voorbeeld doen. Kijk naar de tactiek van een moderne slager die voortdurend door een zwerm vleesetende vliegen wordt lastiggevallen. Wanneer bewezen is dat al zijn machines en vliegenmeppers ineffectief zijn om zijn kraam tegen de begerige volharding van die vleesinsecten te verdedigen, snijdt hij zeer oordeelkundig een stukje af dat al verknoeid is, dat wordt gebruikt om als remedie op te hangen. En dus door het opofferen van een klein stukje dat al bedorven is, en niet waard om te houden, verzekert hij op een verstandige manier de veiligheid van de rest. [Fragment Trouw, 2-04-2005]
Of laat ons ter leringe hogerop gaan en een veehouder als voorbeeld nemen die omdat hij er niet aan moet denken zijn kudde het gebruikelijke privilege van wrijven te ontzeggen wanneer hun flanken door scherpe sappen worden geprikkeld, zeer nijver een paal in het midden van het veld plaatst, niet zozeer, zoals u mag denken, om de geile huid van zijn vee te trakteren als wel om zijn jonge bomen te beschermen tegen de schade als gevolg van de heftigheid van hun wrijving.
Ik zou u meer van dergelijke voorbeelden kunnen geven, even vol van lering, maar ik ben niet genegen u langer op te houden wat het lezen van de volgende verhandeling betreft, en tegelijkertijd ongeduldig om de eer te hebben te ondertekenen als Uw medeverbeteraar en toegewijde dienaar, PHIL-PORNEY.
Bescheiden verdediging
van
publieke bordelen
Gehele tekst is opgenomen in Bernard Mandeville,
De wereld gaat aan deugd ten onder.
Opdracht