Mandevilles kern

 

Nog ongecorrigeerd

 

Hierna volgt hoofdstuk I van Vrije gedachten over godsdienst, kerk en volksgeluk. (1720, herziene uitgave 1729). Dit hoofdstuk over godsdienst, door Mandeville geschreven toen hij bijna 50 jaar oud was, bevat Mandevilles kern. Eraan vooraf gaat de samenvatting die Mandeville van dit hoofdstuk heeft gegeven in het Voorwoord.

 

Uit het Voorwoord

In het eerste hoofdstuk behandel ik de godsdienst in het algemeen, deïsme en atheïsme, zowel beschouwelijk als praktisch, christenen en aan wie we die naam niet behoren te ontzeggen. Ik toon aan dat wat gewoonlijk onder geloof en geloven wordt verstaan, het gemakkelijkste deel van de christelijkheid is, waarin heel weinigen tekortschieten, maar dat het moeilijkste deel van onze godsdienst bestaat in het overwinnen van onze hartstochten uit liefde voor God en uit gehoorzaamheid aan zijn geboden. Ik behandel terloops verkeerde noties die het gewone volk over deze zaken heeft alsmede de graden van overtredingen jegens God begaan. Ik spreek over zonde en wat een daad tot zodanig maakt. Tenslotte bewijs ik op grond van het voornaamste leer van het evangelie, dat christenen die hun plicht nakomen, anderen niet kunnen haten uit welke godsdienstige hoofde dan ook, en trek ik op grond daarvan een conclusie die vrede en wederzijdse eendracht bevorderen.’

 

Hoofdstuk 1

 

Over godsdienst.

 

Godsdienst bestaat in het algemeen in een erkenning van een onsterfelijke macht, die, superieur aan elke wereldlijke heerschappij, onzichtbaar de wereld regeert, en een eerbiedige poging om zulke plichten te vervullen waarvan iedereen zal begrijpen dat die door die onsterfelijke macht van hem worden vereist. Deze definitie omvat alles wat zowel mohammedanen of heidenen, joden als christenen verstaan onder het woord godsdienst. Ik zal mij alleen tot de laatstgenoemden hiervan richten en niets zeggen, ten minste in dit hoofdstuk, dan wat kort en duidelijk zal zijn, niet minder aangepast aan één deel van de universele kerk dan aan elk ander deel, en niet meer dan waarvan de gewoonste christen op de hoogte behoort te zijn. Alles bij elkaar zal ik trachten te bevorderen wat we het meest nodig hebben, vrede en menslievendheid, en terloops acht slaan op enkele waarheden waarover, hoewel ze onbetwist zijn, toch maar weinig geestelijken van enige kerkgemeenschap of gezindheid ons graag lijken te informeren.

 

Onze godsdienst vereist van ons geloof en goede werken: dat wil zeggen, de plichten van een christen zijn om zowel de mysterieuze als de historische waarheden van het evangelie te geloven en, met de hulp van Gods geest, de regels ervan na te leven. Ik weet heel goed dat die sterke verzekerdheid, dat volledige vertrouwen en zich verlaten, die een christen behoort te stellen op de zekerheid van de heilige profetieën, niet worden omvat in het denkbeeld dat de gewone mensen hebben wanneer zij het woord geloof gebruiken. Dit wordt door velen beschouwd als iets van een keuze, alsof mensen zouden kunnen geloven wat ze maar willen, en verscheidenen zijn ervan overtuigd dat zij geloven wat zij, zoals bij beter onderzoek zal worden ontdekt, niet geloven, en dit alleen maar doordat ze niet weten wat het echt betekent om te geloven.

 

Hij die, in de gewone betekenis van het woord, gelooft dat er een God is en dat de wereld door voorzienigheid wordt geregeerd, maar geen geloof hecht aan iets dat ons geopenbaard is, is een deïst. En hij die noch het een noch het ander gelooft, is een atheïst. Van hen geloof ik niet dat er velen zijn en ik zou willen dat niemand zo harteloos is om te denken, dat iemand schuldig is aan atheïsme die dit niet openlijk beweert. Zouden we het geloof van iemand beoordelen door strikt zijn daden te onderzoeken, dan zou geloof zeldzamer zijn dan zonder meer kan worden aangenomen.

 

Dus wie het oude en nieuwe testament erkent, hoe verschillend van anderen hij sommige passages van een van beide ook mag interpreteren, als hij maar van het geheel gelooft dat het woord van God is, behoort een christen te worden genoemd, zelfs voordat hij gedoopt wordt. We laten jaarlijks vele mensen terechtstellen wegens gruwelijke misdaden, maar toch worden zij allen geacht christenen te zijn, ofschoon louter slechte, die door hun opvoeding eenmaal als zodanig werden beschouwd en niet beweren dat ze niet de dingen geloven die ik noemde; en daarom moet geen van hen atheïst worden genoemd, tenzij zij door spreken of schrijven deze dingen tegenspreken of ontkennen. Atheïsten zijn of beschouwelijk of praktisch. Beschouwelijke atheïsten zijn die ongelukkige mensen die, doordat ze te verzot zijn op kennis of redeneren, eerst worden verleid tot scepticisme, totdat ze, niet in staat om zich uit de doolhoven van de filosofie te redden, ten slotte worden overgelaten in het ongeloof van alles wat ze niet kunnen begrijpen, en de meest overtuigende bewijzen worden van de ondiepte van het menselijke verstand. Hun aantal is altijd zeer gering geweest en doordat zij gewoonlijk studieuze, vreedzame mensen zijn, is de schade die zij de gemeenschap berokkenen, onaanzienlijk. Om dit geen paradox te laten schijnen, hoeven we maar stil te staan bij wat datgene is waardoor de mensen bij het leiden van hun leven worden geregeerd, en we zullen ontdekken dat zeer weinigen handelen op grond van de beginselen die ze belijden, terwijl alle overigen worden beheerst door hun hartstochten en geneigdheden. En daarom behoort het voor ons niet vreemder te lijken dat een atheïst een rustige, zedelijke mens zou zijn dan dat een christen een zeer verdorven leven zou leiden.

 

Praktische atheïsten zijn gewoonlijk libertijnen, die zich eerst schuldig hebben gemaakt aan allerlei ondeugd en goddeloosheid en die zich naderhand, omdat ze niet durven na te denken over de gruwelijkheid van hun zonden of de straf die zij door de wraak van de hemel verdienen, vastgrijpen aan atheïstische argumenten om zichzelf te behoeden voor hun eigen angsten, en enkel een God ontkennen omdat ze wensen dat er geen zou zijn. Daar zij gewoonlijk hun leven doorbrengen in uitspattingen en alles wat heilig is belachelijk maken, sterven praktische atheïsten gewoonlijk in bijzondere doodsnood en wanhoop. Deze afschuwelijke wezens, van wie geen enkele overvloedige natie ooit vrij was, zullen tot elk onheil in staat zijn en worden in het algemeen voortgebracht vanuit wakkere jongelingen, voor wie in een milde opvoeding te achteloos is gezorgd, en het gebeurt zelden dat iemand van het lagere, onwetende volk met deze goddeloosheid wordt besmet. 

 

De christelijke wereld is overstelpt met personen die verdorven en goddeloos zijn, maar van echte atheïsten zijn er veel minder dan gewoonlijk wordt voorgesteld. De massa in alle landen van de wereld, is, wat hun godsdienst ook mag zijn, zo algemeen en zo krachtig beïnvloed door vrees en bijgeloof, dat atheïsme het grootste deel van het volk nooit kan treffen. Het geloof in geesten, een duivel, hekserij, het lot, of enige macht boven ons, moet altijd, als mensen ook maar enigszins willen redeneren, het geloof inhouden van een eerste oorzaak en opperwezen.

 

Voor degenen die werden grootgebracht als joden, moslims of heidenen, kan het geen gemakkelijke zaak zijn om hun vooroordeel te laten varen en naar onze godsdienst over te gaan. En het is mogelijk dat zij talloze aarzelingen hebben voordat zij hem van harte kunnen omhelzen, zolang zij niet door een goddelijke genade worden geholpen. Maar een christen door opvoeding vindt het geen moeilijke taak om alles te geloven wat het evangelie bevat en wat hem van jongs af nog meer is onderwezen door de traditie. Ik zou willen dat opgemerkt wordt, dat hier het woord geloven verstaan dient te worden in de ruimere zin dan waarin het doorgaans wordt aanvaard. En dan zullen we ontdekken, dat overal in de natie het christelijke geloof, volgens de gewone betekenis, dat gedeelte van onze godsdienst is, waarin het gros der mensen het minst gebrekkelijk is. Als we degenen navragen die de grootste onverlaten bijstaan in de laatste ogenblikken van het leven, zelfs de gevangenispredikers, zullen we op dit punt maar weinig klachten horen.

 

Niets is gemakkelijker dan om te geloven. Mensen kunnen oprecht zijn in hun geloof en zelfs ijverig zijn voor de godsdienst die ze belijden, en tegelijkertijd een verdorven leven leiden en helemaal strijdig met hun geloof handelen. Zij die opgewekt van vervolging te lijden hebben wegens hun geloof, behoren niet van onoprechtheid verdacht te worden. Toch zijn er in alle tijden vele voorbeelden geweest van mensen die ten behoeve van hun godsdienst  hun land, hun vermogen, werk, vrienden en verwanten verlieten, maar die zich er zelf nooit toe konden brengen om af te zien van hun zinnelijke genoegens.

 

Jovianus, de keizer, die Julianus opvolgde, was een christen. De bewijzen die hij gaf voor zijn vuur voor het evangelie voordat hij de troon besteeg, zijn onbetwistbaar. In de eerste plaats toonde hij zich zeer bereid om liever zijn positie op te geven dan zijn godsdienst, toen Julianus de officieren van zijn leger beval het heidendom te omarmen of hun werk op te geven. In de tweede plaats wilde hij het keizerschap niet aanvaarden totdat hij had verklaard dat hij een christen was en de soldaten, omdat hij geen bevel over heidenen wilde voeren, ook hadden verklaard dat ze christenen waren. Toch was Jovianus een vraat en schandelijk verslaafd aan wijn en vrouwen. Aanschouw een rechte christen, die aan de ene kant in staat was om aan zijn godsdienst voorrang te geven boven het Romeinse rijk, en aan de andere kant verzonken in zonde en wellustigheid!

 

De grootste moeilijkheid van onze godsdienst is om de regels van christelijkheid na te leven. Het overwinnen van onze hartstochten en het tuchtigen van onze geliefde wellust, is iets waaraan weinigen van ons in ernst beginnen, en wat hogere en meer heldhaftige deugden betreft, die kom je maar zeer zelden tegen. Wie houdt van zijn vijanden of doet goed aan hen die hem haten? Hoe ellendig zijn de gewone noties van godsdienstige plichten bij ons! Het gewone volk kent nauwelijks een gruwelijke zonde anders dan moord, diefstal en overspel, en of zingen, spelen of werken op zondag, en hij die zich hieraan niet schuldig maakt en zich bovendien onthoudt van vloeken, dronkenschap en ontucht, wordt deugdzaam geacht, en zal, als hij een openbare godsdienstoefening bijwoont, een zeer sobere man en goede christen worden genoemd; laat hij verder zoveel als hij maar wil afgunstig zijn op zijn naasten en kwaad over hen spreken, trots, liefdeloos, begerig en wraakzuchtig zijn, en geen grein echte godsdienst bezitten. Terwijl iedereen die maar kan lezen en de schrifturen onderzoekt, zonder enige andere geleerdheid of geestelijke gids, er volledig van overtuigd kan zijn, niet op grond van een of tien passages in het evangelie, maar het hele doel, oogmerk en betekenis ervan, dat alle regels van zedelijkheid en andere plichten die op een christen berusten, niet verricht dienen te worden voor enig wereldlijk inzicht of andere reden, behalve de liefde van God en heiligheid; en derhalve dat we op grond van onze daden de motieven behoren te onderzoeken die ons aan het werk zetten.

 

Een jonge dame zal terecht deugdzaam worden genoemd, zolang zij geen onzedigheid tot uitdrukking brengt in haar conversatie of gedrag en door alle verleidingen van de man en de meest krachtige geneigdheden van binnenuit te weerstaan, haar eer en reputatie onbevlekt bewaart. Maar hetzelfde kan door een heiden worden gedaan, en tenzij we de geschiedenis niet geloven, heeft het oude heidense Rome meer vrouwen van een beproefde eer en verheven deugd gehad om prat op te gaan, dan enig ander land sinds de komst van Christus. De angst voor kinderen en de schande van een hoer te worden genoemd, blijken vaak voldoende beschermers te zijn voor de meest verdorven en geile vrouwen, en zelfs zij die zonder die gevaren zijn, zouden nauwelijks gewacht  hebben totdat hun de vraag gesteld werd.

 

Ook zij met meer verfijnde noties, de vrouwen met goede opvoeding, van stand en gezond verstand, kunnen vaak, zelfs wanneer zij door het huwelijk beschut zijn tegen sommige van de angsten die ik noemde, hardnekkig hun eer verdedigen zonder godsdienstig te zijn, wanneer zij overwegen, dat dit het rijkste Juweel is dat zij bezitten, een schat, waarmee naar de mening van alle mannen wier achting waardevol is, geen schoonheid, verstand of fortuin kan wedijveren; en dat degenen van wie bekend is dat zij dit hebben verloren, door iedereen worden veracht en zelden geacht, zelfs door degenen die hen ervan beroofd hebben.

 

Maar er is een enorm verschil tussen het niet begaan van een onzedelijkheid op grond van een principe van eer en voorzichtigheid, en het vermijden van zonde uit liefde voor God.

 

Wanneer een vrouw haar echtgenoot vergiftigt en tegelijkertijd weigert zichzelf te prostitueren, zal het misschien moeilijk zijn het beginsel te doorgronden waardoor zij wordt geleid, maar het is zeer zeker, dat de liefde voor God niet het motief van haar kuisheid is, want had die enige macht over haar, dan had ze zich niet aan zo’n afgrijselijk feit schuldig kunnen maken.

 

Het openleggen van de zwakheden en kwade gesteltenis van ‘s mensen gemoed in het algemeen werd nooit geacht bedilzuchtig te zijn, en het geven van het geringste handvat om personen liefdeloos over elkaar te laten oordelen, is wat ik het meest verafschuw. Mijn doel is mensen in hun eigen geweten te laten doordringen en door zonder vleierij de ware motieven van hun daden na te vorsen, zichzelf te laten leren kennen.

 

Een vrijgezelle man, zullen we zeggen, in de bloei van zijn jeugd en kracht, wanneer wellust het meest woedt, onthoudt zich helemaal van ontucht. Zou hij het motief van zijn onthouding willen kennen, laat hij zichzelf onderzoeken, en, als hij bevindt dat hij zijn geneigdheden breidelt en zijn  vlees tuchtigt om zonde te vermijden en omdat hij bang is God te beledigen, dan kan hij gerust zijn dat hij vanuit een goed beginsel handelt. Maar als hij ontuchtige vrouwen vermijdt omdat ze duur zijn en hijzelf gierig is, of als hij wordt weerhouden door de angst die hij voor sommige ziekten heeft of het verlies van zijn reputatie, dan heeft hij geen reden om zichzelf te vleien dat zijn kuisheid uit enige godsdienstige bezorgdheid voortkomt. Dit is niet het overwinnen van hartstochten, maar het ene verruilen voor het ander, of misschien voor twee of drie, want wat hij zou kunnen ontvangen door wellust, wordt hem van die kant terugbetaald in trots, wereldlijk belang en de verzekering van zijn gezondheid.

 

Een inhalige man die tot schout wordt benoemd, is verplicht om ten minste in dat jaar grotere uitgaven te doen dan hij gewend is, of anders door iedereen uitgelachen en veracht te worden. Maar deze leefwijze bewijst niet dat hij grootmoediger is of een beter mens. Hij offert slechts een beetje van zijn gierigheid op voor een heleboel trots.

 

Het wereldlijke belang van de hele samenleving is vaak strijdig met het eeuwige welzijn van elk afzonderlijk lid ervan. Wij zien dagelijks dat mensen door geen beter beginsel dan afgunst worden gewekt uit luiheid en ledigheid en worden aangespoord tot wedijver en nuttige arbeid. En het wordt algemeen als vanzelfsprekend aangenomen, dat inhaligheid en trots de voornaamste bevorderaars van handel en nijverheid zijn. Maar kan aan de andere kant worden ontkend, dat deze ondeugden, waarvoor het evangelie ons zo terecht waarschuwt, de kiemen bevatten van bijna alle ongerechtigheden en wanordelijkheden die worden gepleegd?

 

Liegen, achterklap en wraak worden, zolang zij anderen geen duidelijk onheil berokkenen, doorgaans als beuzelingen en overtredingen van gering belang beschouwd. En toch is het zeker dat er geen openbaring of solide reden is, die ons ervan kan verzekeren, dat zij volgens God altijd minder hatelijk zijn dan moord of overspel.

 

Hoe vaak horen we dat mensen ons, bij het vertellen van sommige voorvallen in hun leven, toegeven, dat zij gedwongen werden te liegen. Toch is er niets meer duidelijk uit de schrift, dat liegen een doodzonde is. Hoe grillig zijn onze noties! Het wordt nauwelijks ontkend dat iedereen zich op het een of andere moment schuldig maakt aan liegen, en toch wordt dit, als je dit verweten wordt, zo schandelijk geacht, dat wie dit met geduld verdraagt onmiddellijk door iedereen, zonder enig verder proces, voor lafaard wordt uitgemaakt.

 

Van laster en achterklap wordt een grap gemaakt. Onder het modieuze deel van de mensen wordt deze ondeugd behandeld als een stuk aardigheid om iemands geestigheid te laten zien, dagelijks uitgeoefend voor het onderhouden van beide geslachten. De meeste mensen beschouwen het als een amusement voor mensen die niks te doen hebben, zo onbeledigend, dat over schande en thee met evenveel onverschilligheid wordt gesproken als onscheidbare metgezellen.

 

Wanneer iemand met wraak dreigt op degenen die hem beledigd hebben, wordt hem nauwelijks ongelijk gegeven, als we ervan overtuigd zijn dat hij hogelijk gekwetst is. Maar hoe stuitend zou het zijn om hem te horen zeggen, dat hij eeuwige verdoemenis zou willen wagen voor het genoegen van zijn wrok? En waar ligt het verschil? De betekenis van de laatste uitdrukking ligt besloten in de eerste.

 

Het belangrijkste oogmerk van alle regeringen bij de rechtsbedeling is ieders bezit en de openbare vrede te verzekeren, en alles te voorkomen dat wordt verricht tegen het belang van de natie of het land dat waarvoor ze de zorg heeft. Om deze reden worden de diverse straffen, die menselijke wetten opleggen voor verschillende misdaden, in de meeste gevallen in een juiste verhouding gebracht tot het nadeel, dat zij voor de beschaafde samenleving meebrengen, of de duidelijke schade, die een van haar leden erdoor leed of zou kunnen lijden. Dit is niet hetzelfde met de beledigingen die de almachtige God worden aangedaan. De geringste daarvan stelt ons, als we het evangelie geloven, bloot aan eeuwige verdoemenis, als we geen berouw over haar hebben voordat we sterven.

 

Hoe onbeduidend, of althans hoe vergeeflijk voor het menselijke begrip zou de zonde van Adam lijken te zijn, als we alleen de daad zelf zouden overwegen, waardoor deze werd begaan? Maar toch, hoe buitengewoon is de straf geweest, en hoe vreselijk de gevolgen voor hemzelf en zijn hele nageslacht! Niets kon onschuldiger zijn dan het eten van een appel: daarin zat geen nadeel voor de menselijke samenleving of om het even iets van de schepping, en de hele gruwelijkheid van de misdaad van Adam werd afgeleid van het naakte verbod.

 

Wat een zonde als zodanig is, is niet een onheil tegen de aarde, maar een hoon tegen de hemel.

 

De voornaamste plicht van echte godsdienst onder christenen bestaat dus in de offerande van het hart, en is een taak van zelfverloochening die met de uiterste strafheid dient te worden verricht tegen de natuur.

 

Het gebruik dat ik zou willen maken van wat gezegd is, is mijn lezer onder de aandacht te brengen, dat voor ons, wat de eeuwige behoudenis betreft, zonder dit inwendige besef van godsdienst geen uitwendige aanbidding, noch enige daad van schijnbare godsdienstigheid of menslievendheid, van het geringste nut kan zijn. Dat dus een christen, die echt zodanig is, nooit anderen kan haten uit welke godsdienstige hoofde ook, ook al waren ze mohammedanen of heidenen, aangezien de leer van Christus eenvoudigweg kwaadaardigheid, haat en wraak verbiedt en ons overal maant tot zachtmoedigheid, geduld, nederigheid, vrede en menslievendheid jegens alle mensen.

 

Dat we, als we onszelf onderzoeken, zullen ontdekken dat het gros van ons geen enkele grote portie van deze inwendige godsdienst bezit, en dat we, als we er meer van hadden, elkaar meer zouden liefhebben dan we doen.

 

Op grond van dit alles kunnen we concluderen, dat godsdienst niet de oorzaak is van de ongelukkige breuken, die Groot-Brittannië verdelen, en dat daarom alle geestelijken van welke gezindte ook, die ons het tegenovergestelde zouden willen inboezemen, en door het woord van God te verdraaien hiervan een handvat maken om krakelen en vijandigheden te verwekken, kwade leraren en verleiders van het volk zijn. 

 

 

 

VRIJE gedachten

 

over

 

godsdienst, kerk en volksgeluk

 

Hoofdstuk 1

 

Mandevilles geloof en streven,

Volgens Mandeville