Mandevilles geloof en streven

 

Hierna volgt hoofdstuk I van Vrije gedachten over godsdienst, kerk en volksgeluk (herziene uitgave 1729). Zie voor het Voorwoord voor de samenvatting die Mandeville van dit hoofdstuk heeft gegeven.

 

Hoofdstuk I

 

Over godsdienst.

Ongecorrigeerd, zonder annotatie.

 

Godsdienst bestaat in het algemeen in een erkenning van een onsterfelijke macht, die, superieur aan elke wereldlijke heerschappij, onzichtbaar de wereld regeert, en een eerbiedige poging om zodanige plichten te vervullen, waarvan iedereen zal begrijpen, dat die door die onsterfelijke macht van hem worden vereist. Deze definitie omvat alles wat zowel mohammedanen of heidenen als joden of christenen onder het woord godsdienst verstaan. Ik zal mij alleen tot de laatstgenoemden hiervan richten en niets zeggen, althans in dit hoofdstuk, dan wat kort en duidelijk zal zijn, niet minder geschikt voor één deel van de universele kerk dan voor enig ander deel, en niet meer dan waarvan de gewoonste christen op de hoogte behoort te zijn. Alles bij elkaar zal ik trachten te bevorderen wat we het meest nodig hebben, vrede en menslievendheid, en terloops zal ik acht slaan op enkele waarheden waarop, ook al zijn ze onbetwist, toch maar weinig godgeleerden van enige gezindte of overtuiging verzot lijken te zijn om ons erover te informeren.

       Onze godsdienst eist van ons geloof en goede werken: dat wil zeggen, de plichten van een christen houden in om zowel de geheimzinnige als de historische waarheden van het evangelie te geloven en, met de hulp van Gods geest, de regels ervan na te leven. Ik weet heel goed dat die sterke verzekerdheid, dat algehele vertrouwen en die volledige toeverlaat die voor een christen behoren te gelden wat de zekerheid van de heilige profetieėn betreft, niet worden omvat in het denkbeeld dat het gewone volk heeft wanneer het gebruik maakt van het woord geloof of geloven. Dit wordt door velen beschouwd als iets van een keuze, alsof mensen maar zouden kunnen geloven wat ze willen, en verscheidenen zijn ervan overtuigd, dat zij geloven wat, na beter onderzoek zal worden ontdekt, zij niet geloven, en dit alleen maar uit gebrek aan de kennis wat het werkwoord geloven echt betekent.

       Hij die, in de gewone betekenis van het woord, gelooft dat er een God is en dat de wereld door voorzienigheid wordt geregeerd, maar geen geloof hecht aan iets dat ons is geopenbaard, is een deļst. En hij die noch het een noch het ander gelooft, is een atheļst. Van hen geloof ik niet dat er velen zijn en ik zou willen dat niemand zo harteloos is om te denken dat iemand die dit niet openlijk belijdt, zich schuldig maakt aan atheļsme. Zouden we over het geloof van iemand oordelen door strikt zijn daden te onderzoeken, dan zou geloof schaarser zijn dan gemakkelijk kan worden verondersteld.

       Dus wie het Oude en Nieuwe Testament erkent, hoe verschillend van anderen hij sommige passages van een van beide ook mag uitleggen, als hij maar van het geheel gelooft dat dit GODs woord is, behoort een christen te worden genoemd, zelfs voordat hij gedoopt wordt. We laten vele mensen in een jaar terechtstellen wegens gruwelijke misdaden, maar toch worden zij allen geacht christenen, hoewel maar slechte, te zijn, die door hun opvoeding eenmaal als zodanig werden beschouwd en die bekennen de dingen die ik noemde, niet te wangeloven. Daarom moet geen van hen atheļst worden genoemd, tenzij zij deze dingen door spreken of schrijven tegenspreken of ontkennen. Atheļsten zijn of beschouwelijk of praktisch. Beschouwelijke atheļsten zijn die ongelukkige mensen die, doordat ze te verzot zijn op geleerdheid of redeneren, eerst worden misleid tot scepticisme, totdat ze ten slotte, onbekwaam om zich uit de doolhoven van de filosofie te redden, verraderlijk terechtkomen in een wangeloof aan alles wat ze niet kunnen begrijpen, en de meest overtuigende bewijzen van de ondiepte van het menselijke verstand worden. Hun aantal is altijd heel gering geweest en doordat zij gewoonlijk studieuze, vreedzame mensen zijn, is de schade die zij de gemeenschap aandoen, onaanzienlijk. Om dit geen paradox te laten schijnen, hoeven we maar stil te staan bij wat datgene is, waardoor de mensen bij het leiden van hun leven worden geregeerd, en we zullen ontdekken dat zeer weinigen handelen op grond van de beginselen die ze belijden, terwijl alle overigen worden beheerst door hun hartstochten en geneigdheden. Daarom behoort het voor ons niet vreemder te lijken dat een atheļst een rustige, zedelijke mens zou zijn dan dat een christen een zeer verdorven leven zou leiden.

       Praktische atheļsten zijn gewoonlijk libertijnen, die zich eerst schuldig hebben gemaakt aan allerlei ondeugd en goddeloosheid en die zich naderhand, omdat ze niet durven na te denken over de gruwelijkheid van hun zonden of de straf die zij door de wraak van de hemel verdienen, vastgrijpen aan atheļstische argumenten om zichzelf te behoeden voor hun eigen vrees, en enkel een GOD ontkennen omdat ze wensen dat er geen zou zijn. Daar zij gewoonlijk hun leven in uitspattingen doorbrengen en alles wat heilig is belachelijk maken, sterven praktische atheļsten gewoonlijk (tenzij ze toevallig berouw hebben) in bijzondere doodsnood en wanhoop. Deze afschuwelijke schepselen, van wie geen enkele rijke natie ooit vrij was, zijn tot elk onheil in staat en worden in het algemeen voortgebracht vanuit wakkere jongelingen, voor wie in een milde opvoeding te achteloos is gezorgd en het gebeurt zelden, dat iemand van het lagere, onwetende volk door deze goddeloosheid worden besmet. 

       In de christelijke wereld krioelt het van personen die verdorven en goddeloos zijn, maar van echte atheļsten zijn er veel minder dan gewoonlijk wordt aangenomen. De massa in alle landen van de wereld, om het even wat hun godsdienst is, wordt zo algemeen en zo krachtig door vrees en bijgeloof beļnvloed, dat atheļsme het grootste deel van het volk nooit kan raken. Het geloof in geesten, een duivel, hekserij, het lot of enige macht boven ons moet, als mensen überhaupt redeneren, altijd het geloof in een eerste oorzaak en opperwezen insluiten.

       Voor degenen die werden grootgebracht als joden, moslims of heidenen, kan het geen gemakkelijke zaak zijn om hun vooroordeel te laten varen en naar onze godsdienst over te gaan. Het is mogelijk dat zij talloze zwarigheden hebben voordat zij hem van harte kunnen omhelzen, zolang zij niet door een goddelijke genade worden geholpen. Maar een christen door opvoeding vindt het geen moeilijke taak om alles te geloven wat het evangelie bevat en wat hem door de traditie nog meer van kindsbeen is geleerd. Ik wil graag dat opgemerkt wordt, dat het woord geloven hier begrepen dient te worden in de ruimere zin dan waarin het doorgaans wordt opgevat. Dan zullen we ontdekken, dat overal in de natie het christelijke geloof, volgens de gewone betekenis van het woord, dat gedeelte van onze godsdienst is, waarin het gros der mensen het minst gebrekkig is. Als we degenen navragen die de grootste onverlaten bijstaan in de laatste ogenblikken van het leven, zelfs de gevangenispredikers, zullen we op dit punt maar weinig klachten horen.

       Niets is gemakkelijker dan geloven. Mensen kunnen oprecht zijn in hun geloof en zelfs ijverig zijn voor de godsdienst die ze belijden, en tezelfdertijd een verdorven leven leiden en helemaal in strijd met hun geloof handelen. Zij die opgewekt vervolging wegens hun geloof verdragen, behoren niet verdacht te worden van onoprechtheid. Toch zijn er in alle tijden vele gevallen geweest van mensen die, om wille van hun godsdienst, hun land, hun rijkdom, werk, vrienden en verwanten verlieten, maar zichzelf er nooit toe konden brengen om van hun zinnelijke genoegens af te zien.

       Jovianus, de keizer die Julianus opvolgde, was een christen. De bewijzen die hij, voor hij de troon besteeg, gaf voor zijn vuur voor het evangelie zijn onbetwistbaar. In de eerste plaats toonde hij zich zeer bereid om liever zijn post op te geven dan zijn godsdienst, toen Julianus de officieren van zijn leger beval het heidendom te omarmen of hun ambt op te geven. In de tweede plaats wilde hij het keizerschap niet aanvaarden voordat hij had verklaard, dat hij een christen was en de soldaten, omdat hij geen bevel over heidenen wilde voeren, ook hadden verklaard dat ze christenen waren. Toch was Jovianus een gulzigaard en schandelijk verslaafd aan wijn en vrouwen. Ziedaar een mooie christen, die enerzijds in staat was zijn godsdienst te verkiezen boven het Romeinse rijk en anderzijds ondergedompeld was in zonde en wellustigheid!

       De grootste moeilijkheid van onze godsdienst is om de regels van christelijkheid na te leven. Het overmeesteren van onze hartstochten en het tuchtigen van onze troetellusten is iets waaraan weinigen van ons in ernst beginnen, en wat hogere en meer heldhaftige deugden betreft, die kom je maar zeer zelden tegen. Wie heeft zijn vijanden lief of doet goed aan hen die hem haten? Hoe ellendig zijn de algemene noties van godsdienstige plichten bij ons! Het gewone volk kent nauwelijks andere gruwelijke zonden dan moord, diefstal en overspel, en of zingen, spelen of werken op zondag. Hij die zich hieraan niet schuldig maakt en zich bovendien onthoudt van vloeken, dronkenschap en Hoererij, wordt deugdzaam geacht, en zal, als hij vaak een openbare kerkdienst bijwoont, een zeer sobere man en goede christen worden genoemd; laat hij voor het overige, zoveel als hij wil, afgunstig zijn op zijn naasten en kwaad over hen spreken, trots, liefdeloos, begerig en wraakzuchtig zijn, en geen grein echte godsdienst bezitten. Terwijl iedereen die maar kan lezen en de bijbel onderzoekt, er zonder enige andere geleerdheid of geestelijke gids volledig van overtuigd kan zijn, niet door een of tien passages in het evangelie, maar door het hele doel, strekking en betekenis ervan, dat alle regels van zedelijkheid en andere plichten die op een christen berusten, niet dienen te worden uitgevoerd voor enig wereldlijke overweging, of andere reden, maar voor GODs liefde en heiligheid, en dat we derhalve om over onze daden te kunnen oordelen, de motieven behoren te onderzoeken die ons aan het werk zetten.

       Een jonge dame zal terecht deugdzaam worden genoemd, zolang zij in haar conversatie of gedrag geen onzedigheid tot uitdrukking brengt en door alle verleidingen van de man en de meest krachtige geneigdheden van binnenuit te weerstaan, haar eer en reputatie onbevlekt bewaart. Maar hetzelfde kan door een heidin worden gedaan en het oude Heidense Rome heeft, tenzij we de geschiedenis niet geloven, over meer vrouwen van een beproefde eer en verheven deugd kunnen pochen dan enig ander land sinds de komst van Christus. De angst voor kinderen en de schande van een hoer te worden genoemd, blijken vaak voldoende beschermers te zijn voor de meest verdorven en geilste vrouwen, en zelfs voor degenen die zonder die gevaren nauwelijks zouden hebben gewacht voor het hun gevraagd werd.

       Ook zij met meer verfijnde noties, de vrouwen met een goede opvoeding, van stand en met gezond verstand, kunnen vaak, zelfs wanneer zij door het huwelijk beschut zijn tegen sommige van de angsten die ik noemde, hardnekkig hun eer verdedigen zonder vroom te zijn, wanneer zij overwegen dat deze het rijkste Juweel is dat zij bezitten, een schat waarmee, naar de mening van alle mannen wier achting waardevol is, geen schoonheid, vernuft of fortuin kan wedijveren, en dat degenen van wie bekend is dat zij dit hebben verloren, door iedereen worden veracht en zelden geacht, zelfs door degenen die hen ervan beroofd hebben.

       Maar er is een enorm verschil tussen het niet begaan van een onzedelijkheid op grond van een principe van eer en voorzichtigheid en het vermijden van zonde uit liefde GODs.

Wanneer een vrouw haar echtgenoot vergiftigt en tegelijk weigert zich te prostitueren, zal het misschien moeilijk zijn het beginsel te doorgronden waardoor zij wordt geleid, maar het is zeer zeker, dat de liefde Gods niet het motief van haar kuisheid is, want had die enige macht over haar gehad, dan had ze zich niet aan zo’n afgrijselijk feit schuldig kunnen maken.

       Het openleggen van de zwakheden en kwade gesteltenis van ‘s mensen gemoed in het algemeen werd nooit geacht bedilzuchtig te zijn, en het geven van het geringste handvat om personen onmenslievend over elkaar te laten oordelen, is wat ik het meest verafschuw. Mijn oogmerk is mensen ertoe te brengen dat ze doordringen in hun eigen geweten en zichzelf leren kennen door zonder vleierij de ware motieven van hun daden te doorgronden. Een vrijgezelle man, zullen we zeggen, in de bloei van zijn jeugd en kracht, wanneer wellust het meest woedt, onthoudt zich helemaal van ontucht. Zou hij het motief van zijn onthouding willen kennen, laat hij zichzelf onderzoeken, en als hij vaststelt dat hij zijn geneigdheden breidelt en zijn vlees tuchtigt om zonde te vermijden en omdat hij bang is God te beledigen, dan kan hij gerust zijn dat hij vanuit een goed beginsel handelt. Maar als hij ontuchtige vrouwen mijdt omdat ze duur zijn en hijzelf gierig is, of als hij wordt weerhouden door de vrees die hij heeft voor sommige ziekten of het verlies van zijn reputatie, dan heeft hij geen reden om zichzelf te vleien dat zijn kuisheid voortkomt uit enige godsdienstige bezorgdheid. Dit is niet het overwinnen van hartstochten, maar de ene verruilen voor een andere, of misschien voor twee of drie. Want wat hij verliest aan genoegens die hij door de wellust zou kunnen ontvangen, wordt hem vanuit die kant terugbetaald in trots, wereldlijk belang en de verzekering van zijn gezondheid.

       Een inhalige man die tot schout wordt benoemd, is verplicht om ten minste in dat jaar grotere uitgaven te doen dan hij gewend is of anders wordt hij door iedereen uitgelachen en veracht. Maar deze leefwijze bewijst niet dat hij grootmoediger is of een beter mens. Hij offert slechts een beetje van zijn gierigheid op voor een heleboel trots.

       Het wereldlijke belang van de hele samenleving is vaak strijdig met het eeuwige welzijn van elk afzonderlijk lid ervan. Wij zien dagelijks dat mensen door geen beter beginsel dan afgunst uit luiheid en ledigheid worden gewekt en tot wedijver en nuttige arbeid worden aangespoord. Het wordt algemeen als vanzelfsprekend aangenomen, dat begeerte en trots de voornaamste bevorderaars van handel en nijverheid zijn: maar kan aan de andere kant worden ontkend dat deze ondeugden, waarvoor het evangelie ons zo terecht waarschuwt, de kiemen bevatten van bijna alle ongerechtigheden en wanordelijkheden die worden gepleegd?

       Leugen, achterklap en wraak worden doorgaans, zolang zij anderen geen duidelijk onheil berokkenen, als peccadilles en overtredingen van gering belang beschouwd. Toch is het zeker dat er geen openbaring of solide reden is die ons ervan kan verzekeren, dat zij in Gods ogen altijd minder hatelijk zijn dan moord of overspel.

       Hoe vaak horen we dat mensen bij het vertellen van sommige voorvallen in hun leven ons toegeven dat zij gedwongen werden te liegen. Toch is er uit de schrift niets duidelijker dan dat liegen een doodzonde is. Hoe grillig zijn onze noties! Er wordt nauwelijks ontkend dat iedereen zich op het ene of andere moment schuldig maakt aan liegen, en toch wordt het zo schandelijk geacht dit als een verwijt te krijgen, dat wie dit met geduld verdraagt, onmiddellijk door iedereen, zonder enig verder proces, voor lafaard wordt uitgemaakt.

       Van laster en achterklap wordt een grap gemaakt. Onder het modieuze deel van de mensen wordt deze ondeugd, die dagelijks wordt beoefend voor het vermaak van beide geslachten, behandeld als iets aardigs om iemands vernuft te laten zien. De meeste mensen beschouwen dit als amusement voor mensen die niks te doen hebben, zo onergerlijk, dat met gelijke onverschilligheid over schandaal en thee als onscheidbare metgezellen wordt gesproken.

Wanneer iemand met wraak dreigt op degenen die hem beledigd hebben, wordt hem nauwelijks ongelijk gegeven, als we ervan overtuigd zijn dat hij hogelijk gekwetst is. Maar hoe stuitend zou het zijn om hem te horen zeggen dat hij eeuwige verdoemenis zou willen wagen voor het genoegen van zijn wrok? En waar ligt het verschil? De betekenis van de laatste uitdrukking ligt besloten in de eerste.

       Het belangrijke oogmerk van alle regeringen wat de rechtsbedeling betreft, is om ieders bezit en de openbare vrede te verzekeren en om alles te voorkomen wat tegen het belang van de natie of het land dat waarvoor ze de zorg hebben, wordt verricht. Om deze reden worden de diverse straffen die menselijke wetten opleggen voor verschillende misdaden, in de meeste gevallen in een juiste verhouding gebracht tot het nadeel dat zij voor de burgerlijke samenleving meebrengen, of de duidelijke schade die een van haar leden erdoor leed of zou kunnen lijden. Dit is niet hetzelfde met de beledigingen die de almachtige God worden aangedaan. De geringste daarvan stelt ons, als we het evangelie geloven, bloot aan eeuwige verdoemenis, als we er geen berouw over hebben voordat we sterven.

       Hoe onbeduidend of ten minste hoe vergeeflijk voor het menselijke begrip zou de zonde van Adam lijken, als we alleen de daad zelf zouden overwegen waardoor deze werd begaan? Hoe buitengewoon is echter de straf geweest en hoe vreselijk zijn de gevolgen voor hemzelf en zijn hele nageslacht! Niets kon onschuldiger zijn dan het eten van een appel: dit bevatte geen nadeel voor de menselijke samenleving of iets van de schepping en de hele gruwelijkheid van Adams misdaad sproot voort uit het blote verbod.

       Wat een zonde tot zonde maakt, is daarom niet een onheil op aarde, maar een hoon tegen de hemel.

       De voornaamste plicht van echte godsdienst onder christenen bestaat dus in de opoffering van het hart, en is een taak van zelfverloochening die met de uiterste gestrengheid tegen de natuur dient te worden verricht.

       Van wat gezegd is, zou ik gebruik willen maken om mijn lezer onder de aandacht te brengen dat, wat de eeuwige zaligheid betreft, geen uitwendige aanbidding noch enige daad van schijnbare godsdienstigheid of menslievendheid voor ons van het geringste nut kan zijn zonder dit inwendige besef van godsdienst. Dat een christen, die echt zodanig is, dus nooit anderen om welke godsdienstige reden ook kan haten, ook al waren ze mohammedanen of heidenen, daar de leer van Christus duidelijk kwaadaardigheid, haat en wraak verbiedt en ons overal maant tot zachtmoedigheid, geduld, nederigheid, vrede en menslievendheid jegens alle mensen.

Dat we, als we onszelf onderzoeken, zullen ontdekken, dat het gros van ons geen enkele grote portie van deze inwendige godsdienst bezit en dat we, als we er meer van hadden, elkaar meer zouden liefhebben dan we doen.

       Op grond van dit alles kunnen we concluderen, dat godsdienst niet de oorzaak is van de ongelukkige bressen die Groot-Brittanniė verdelen en dat daarom alle godgeleerden van welke overtuiging ook, die ons het tegenovergestelde zouden willen inboezemen en door het woord Gods te verdraaien hiervan een handvat maken om krakelen en vijandigheden aan te kweken, kwade leraren en verleiders van het volk zijn.

 

 

 

 

 

VRIJE gedachten

 

over

 

godsdienst, kerk en volksgeluk

 

Hoofdstuk 1

 

Mandevilles geloof en streven