Enkele gedichten uit
Wensen voor een peetzoon
(1712)
Leanders excuus aan Cloris
Toen we eens op bed lagen te praten en te stoeien,
Herinner ik me dat mijn Cloris zei,
Dat haar edele hartstocht het grove
en dierlijke deel van de liefde te boven ging,
Daarom, als jij, mijn schat, zo verfijnd bent
En liefde alleen je geest kan raken,
Misgun, omdat jij alleen het hart van Leander bezit,
Dan het grovere deel aan andere nimfen niet.
Wanneer de wulpse hartstocht uit mijn hart is,
Hou ik, van alle vrouwen, van jou het meest,
Al zit ik gevangen in de armen van Celia
En ben ik door de charmes van Belinda veroverd.
Als wellust jouw vrijer op het verkeerde pad heeft gebracht,
Was het de liefde die hem weer terugriep,
En jij, mijn schat, kunt er nog steeds terecht op bogen,
Dat waar ik ook speel, ik het meest van jou hou.
Telkens wanneer ik een ander omarm,
Is dit om de nieuwheid van haar gezicht.
Eén dwaas moment en ik ben verzadigd,
Bijna voordat zij helemaal genoten is.
En wanneer het aapachtige nummer voorbij is,
Maakt het mij niet uit wanneer de nimf vertrokken is,
Maar aan jouw bekoorlijkheid dank ik mijn voortdurende liefde,
Ik kan anderen kussen en toch aan jou denken.
Over de eer
Ver van de overvolle weelderige stad
Leeft een vermaarde tovenares,
Eer genaamd, die door geheime toverspreuken
Vrijers aan de toegeeflijke armen van maagden ontrukt.
Voor haar verlaat de man zijn vrouw,
Veracht genoegen, gezondheid en leven.
Voor haar vergat de Trojaanse vluchteling
de grot en ging naar zee.
Door haar werd de dochter van de zon,
De betoverende Circe, overwonnen,
Van wier heldere schoonheid zij Ulysses
door onbekende listen naar zichzelf toetrok.
Bij bloedige veldslagen kijkt ze even blij toe
als andere dames bij een toneelstuk,
Terwijl de wilde vrolijkerds op wie ze verzot is,
Elkaar de keel doorsnijden.
En wanneer deze liefjes voor hun zonden
Alle botten in hun lijf hebben gebroken,
Is het enige teken van haar achting,
De getuigschriften die men krijgt dat ze kapot zijn:
Deze worden in ernstige regels in steen gehouwen,
En hier en daar in een kerk of kapel aan
Mensen getoond die, doordat ze het gebed verwaarlozen,
Tijd hebben om te denken aan wie er begraven ligt.
Tot er een of andere halfgare kerel komt
Om over te schrijven wat op de graven staat.
En dan wordt, tot hun onsterfelijke glorie,
Echt waar, van hen gezegd dat zij in de geschiedenis leven:
Een beloning die een wonder moet zijn
Om een man die in stukken gesneden is, tevreden te stellen.
Men meent dat het wreedaardige wijf
altijd een maagd is en zal zijn,
Omdat er nooit iemand in haar bed lag,
Behalve degenen die eerst omver werden gemept.
Over de boezem van Celia
I
Gij goden! Wat is mijn ziel verbaasd,
Sinds ik naar de boezem van Celia staarde,
Ik zag de anjelier en de anjer,
Binnen een half uur verrotten en verwelken.
Ingepakt in verwondering, toen ik zag
Hoe snel de meest verse ruikertjes stierven,
Door haar kilheid, blik en kleding,
Door haar schoonheid, dacht ik niet minder,
Dan dat de bloemen die dood waren,
Waren vernietigd door een bijtende vorst.
Toen ik naar de zedige juffrouw keek,
Loofde ik haar onschuld en zei,
Die borsten zijn ongetwijfeld de Pyreneese heuvels,
Waar zelfs in juni een strenge winter heerst,
En verhip, des te meer ik dacht dat ze zo waren,
Zagen ze eruit als bedekt met sneeuw.
II
Maar toen ik de uitnodigende huid aanraakte,
Wat voor ovens vond ik daarbinnen,
Ik voelde haar bloed stijgen en vliegen,
En koken in haar aderen bergenhoog,
De gloed verspreidde zich door elk deel,
Schoot door mijn hand en verschroeide mijn hart.
Uiterlijke kilheid is bedrog,
En mijn mystieke hitte is ontknoopt,
Ik ben als een bloem beroofd van blaadjes,
Waar niets van over is dan de stengel
Wat voor sneeuw er buiten ook mag liggen,
Ik weet zeker dat een Vesuvius nabij is.
En toch ben ik met een sterk verlangen geneigd,
Te zoeken naar deze diepe kloof van vuur,
En zal me op welke plek dan ook,
Als Plinius aan de afgrond wagen.
In senem lippum et Astmaticum
(Gedicht in het Latijn)
Over een tranende, astmatische oude man
Over een tranende, astmatische,
zestig jaar oude man,
die een vrouw huwt en
onwennig een zwaard omgordt.
Terwijl hij met verstopte longen astmatisch piept,
en slappe schenkels hem halfgekromd nauwelijks voortslepen,
Terwijl de rode puist die lekt, aan de scherpe stang herinnert,
Aangezien door dun bloed elke remedie ontbreekt.
Wat kan de nieuwe echtgenoot van twaalf lustrums baten?
Veilig en niet gewend, waarom je dij met een zwaard slaan?
Je verhoogt de hitte, die een lelijke koorts vormt,
En voor jou is er geen andere prikkel voorhanden dan een hoest,
Een dartele leeftijd brengt jouw genot niet naar het bed,
Ook is het niet betamelijk voor de hand om een krachteloos wapen te roeren,
Ik heb er geen vertrouwen in; ga te rade bij Ovidius:
Schandelijk een oude man als soldaat, schandelijk de liefde van een grijsaard.
Het toegeeflijke moment
Op een dag toen Damon met zijn Celia wandelde,
Terwijl hij met gemakzuchtige woorden van zijn liefde sprak,
Onderzoekt de nimf de aantrekkelijke kerel,
staat dan stil, zucht dan, staat dan weer stil.
Hij glimlacht en staart naar haar gezicht,
Zij waren beiden aan de grond genageld.
Tenslotte bloosde zij en wendde zich af,
Keek omlaag en zei, ik durf niet te blijven.
Dan zet hij de schone teder op de grond neer,
Zij kneep worstelend zijn handen en smeekte: geduld,
Niet doen, mijn Damon, Damon, nee,
Hij kuste en riep, mijn schat, ik doe het niet.
Haar ademhaling werd korter, haar handen beefden,
Zij duwde weg, trok hem dan per ongeluk naar zich toe,
Totdat zij trillend op het gras vielen,
En Damon --- maar dat kan ik niet zeggen.
De smeltende jongeling lag hijgend op haar borst,
En wenste dat hij zo voor altijd gelukkig mocht zijn.
Maar onverwachte tranen vulden Celia’s ogen,
Helaas! ’t is weg, ’t is verloren, huilde ze.
De herder, in vervoering door haar bekoorlijkheden,
Sluit de toegeeflijke Celia in zijn armen
En zegt: als we zo in liefde zijn verbonden,
Hoe kan jij dan verliezen wat ik heb gevonden?