“Mandeville.
Wie? Mandeville
Ontdekking”
Peter Henk Steenhuis, Trouw, 2 april 2005
“Het nut van de tabak
is de accijns”
Uit: De Vrouwelijke Kakelaar, nr 62.
“Hoe fijn het is
bestuurder te zijn”
Uit Essay over Menslievendheid en Armenscholen.
“Het nut van bordelen”
Uit: Voorwoord van Een bescheiden Verdediging van Openbare Bordelen.
“Vuile straten zijn een noodzakelijk kwaad”
Uit: Voorwoord De Fabel van de Bijen, deel I.
Dit Voorwoord is opgenomen in: De wereld gaat aan deugd ten onder
De hele tekst van deze twee gedichten:
zie de pagina Thijs I.
Mandeville. Wie? Mandeville
Ontdekking
Bernard Mandeville. Wereldberoemd, maar in zijn vaderland Nederland onbekend. Mandeville-kenner Arne C. Jansen vond in de bibliotheek van Leiden Nederlandse gedichten van deze schrijver. Fragmenten uit zijn proza laten zien hoe modern deze achttiende -eeuwer is. De fragmenten zijn gekozen rond thema's die nu actueel zijn.
door Peter Henk Steenhuis
Op 2 april 1705 verscheen er een gedicht van een Nederlander. Een lang, filosofisch gedicht, met een lange titel: 'The Grumbling Hive, or Knaves Turn 'd Honest', oftewel: 'De Morrende Korf óf Eerlijk geworden Schurken'. Dit gedicht lag aan de basis van het boek 'De Fabel van de Bijen', een satire over de noodzaak van ondeugden. Het zou de schrijver, Bernard Mandeville (1670-1733) wereldberoemd maken. Behalve in Nederland. Wij rekenen het werk van Mandeville, poëzie en proza, zelfs niet tot onze cultuur. En dat alleen omdat het oorspronkelijk in het Engels verscheen. Verleden tijd..,,Onze literatuur is verrijkt met een belangwekkend, en modern auteur.'
Mandeville leefde en werkte in Londen maar was afkomstig uit Rotterdam. Jansen: ,,Een havenstad. Dat is belangrijk. De historicus Johan Huizinga zegt terecht dat de Nederlandse beschaving in vergelijking met de landen om ons heen 'een uitzonderingsgeval in tal van opzichten is'.'
Huizinga meent dat de 'poorters' daarvan de oorzaak zijn. ,,Poort is de oude Nederlandse naam voor stad, en is een verbastering van 'portus', het Latijnse woord voor haven. De Nederlandse steden zijn poorten. Ze zijn ontstaan aan een fijnmazig net van waterwegen. En de bewoners, de poorters, zijn van die rivieren en kanalen afhankelijk. Allemaal. De visser, de schipper, de koopman maar ook de boer.'
Die afhankelijkheid maakt deze poorters tot elkaars gelijken. Zij creëerden in de loop der eeuwen een samenleving waarin de adel of kerk nooit een noemenswaardige invloed heeft gekregen. ,,Ze hebben zich geen hoofse of slaafse manieren eigen hoeven maken. Dat zie je terug in hun gedrag: poorters zijn open, vrijpostig, vaak lomp en materialistisch.'
Jansen spreekt deze nogal negatieve termen met zichtbaar plezier uit. ,,Ja. Ik houd van de poorters. En van de cultuur die zij ontwikkeld hebben, een cultuur die is gebouwd op onafhankelijkheid en vrijheid van het geweten. Erasmus, Coornhert, De Groot - ze passen er allemaal in, antidogmatisch en antiklerikaal als ze zijn.'
Zo ook Bernard Mandeville. Gevormd aan het Erasmiaanse gymnasium in Rotterdam en wetenschappelijk opgeleid aan de universiteit van Leiden, waar hij promoveerde in de filosofie en de medicijnen. ,,Maar hij was geen academische filosoof.
De keus ging
tussen idealisme
en empirisme
Integendeel. Van filosofen, moralisten en theologen moest hij niets hebben als ze niet empiristisch zijn, want naar zijn idee gaat het bij het denken altijd om de basiskeuze tussen idealisme óf empirisme.'
,,Mandeville schrijft ergens - ik gebruik telkens mijn eigen vertaling, want het meeste werk van Mandeville is nooit vertaald: ,,Een van de belangrijkste redenen waarom zo weinig mensen zichzelf begrijpen, is, dat de meeste schrijvers mensen altijd leren wat ze zouden moeten zijn, en zich er bijna nooit druk
over maken hun te vertellen wat ze werkelijk zijn.'
In 'De Morrende Korf óf Eerlijk geworden Schurken' heeft Mandeville dit wel geprobeerd. Het gedicht is geen ooggetuige verslag van het dagelijkse leven van de achttiende eeuw, het is een satire, een fabel over een ,,ruime korf die goed bevolkt was met bijen/ - die in luxe en welbehagen leefden.'
Die bijenkorf staat natuurlijk voor een samenleving. De Nederlandse? Jansen: ,,Zou kunnen. Nederland was in die tijd toonaangevend. En in het voorwoord bij 'De Fabel van de Bijen', de latere uitgave van het gedicht, schrijft Mandeville dat er in de satire gesproken wordt over een grote, rijke en krijgshaftige natie ,,die gelukkigerwijs door een beperkte monarchie geregeerd wordt'.
De aanleiding voor het gedicht ligt in ieder geval niet in Nederland. Zoals zoveel Nederlanders in die tijd was Mandeville na zijn studie naar Engeland vertrokken, waar stadhouder Willem III koning was. Hij vestigde zich als arts in Londen en specialiseerde zich in psychosomatische ziekten.
Jansen: ,,Mandeville moet zich geërgerd hebben aan de Engelse Societies for the Reformation of Manners. Dit waren comités van intolerante puriteinen die allerlei overtreders van de christelijke moraal vervolgden. Deze rakkers van normen en waarden waren zeer actief. Ze kregen een deel van de boete die bij een veroordeling werd opgelegd.'
Het viel Mandeville op dat mensen meer gaan klagen, niet minder wanneer hun welvaart toeneemt. In het voorwoord bij 'De Fabel van de Bijen' geeft hij het voorbeeld van geklaag over de vuile straten.
Mandeville bood
gedichten aan
op de beurs
Kortom: wie welvaart wil moet de nadelen op de koop toenemen. Zo gaat het ook met de ondeugden. Advocaten wekken twisten op, en splitsen zaken om zo meer werk te hebben. Artsen hechten meer waarde 'aan roem en rijkdom/ dan aan de kwijnende gezondheid van de patiënt'. Kleermakers houden stof achter en soldaten blijven thuis en ontvangen dubbele betaling.
Mandeville concludeert: ,,Aldus bevordert ondeugd en vindingrijkheid,/ die samen met de tijd en de nijverheid/ De gerieflijkheden van het leven/ Tot zo'n hoogte had gebracht dat de echte armen/ Beter leefden dan de rijken voorheen/ En niets kon er meer van gezegd worden.'
Helaas. De bewoners van de korf blijven klagen, ze willen ondeugden als hebzucht, ijdelheid en afgunst, behagen in luxe, bedrieglijkheid, gemakzucht uitgebannen zien. 'Goede goden, hadden we maar eerlijkheid!' Jupiter, het geklaag zat, laat hun verzuchting werkelijkheid worden. Vanaf nu vervult eerlijkheid de harten van de bewoners. 'Maar, oh goden! Wat een consternatie,/ Hoe enorm en plots was de verandering!/ Binnen een half uur zakt over het hele land/ het vlees een stuiver per pond.'
Jansen: ,,Niet alleen de vleesmarkt stort in. Binnen de kortste tijd vervalt deze overvloedige korf tot een barre, armoedige natuurstaat, doordat juist de als ondeugdzaam aangemerkte persoonlijke eigenschappen de motor van de welvaart van een samenleving vormen. Zij bepalen de verscheidenheid en omvang van de behoeften, die weer vindingrijkheid, bedrijvigheid en handel oproepen die nodig zijn om ze te bevredigen.'
En de klagers? Mandeville: ,,Hou toch op met klagen. Alleen dwazen trachten van een grote korf een eerlijke korf te maken. Om de gerieflijkheden van de wereld te genieten, beroemd te zijn in de oorlogsvoering en toch in welbehagen zonder grote ondeugden te leven is een ijdele Utopie, gezeteld in de hersenen.'
Na 'De Morrende Korf' zweeg Mandeville. Dit gedicht wordt het slotakkoord genoemd van zijn dichterschap. Jaren later publiceert hij pas weer, hij stapt over op proza en schrijft vooral spitse, bijna
De dubbelzinnigheid
toont dat hij een
groot schrijver is
socratische dialogen. Maar Arne Jansen ontdekte in de collectie van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (MNL) in de bibliotheek in Leiden twee Nederlandstalige gedichten van Mandeville: 'Versoek-schrift' en 'Dankzegginge voor 'T Genotenen'.
Leuke vondst voor de liefhebber? Zou je kunnen zeggen. Maar dan alleen omdat wij in Nederland slordig met onze erflaters omgaan. De historicus J.R. Evenhuis noemde de 'Fabel van De Bijen' een paar jaar geleden nog een van de vijf Nederlandse boeken die grote invloed hebben uitgeoefend in de wereld. ,,Mandeville was in de achttiende eeuw in heel Europa beroemd als geen andere Nederlander.' Het is dus nieuws als er nieuwe teksten opduiken van Mandeville, zeker wanneer die in het Nederlands zijn.
Mandeville heeft de gedichten in 1708 op de beurs van Londen aangeboden aan een zekere Thijs, een Nederlandse vriend. In eerste instantie lijkt het eerste gedicht 'Versoek-schrift' een bedelgedicht: ,,Mijn Broek dien oude Knegt/ O Thijs, O Thijs die is zoo slegt/ Se vald werentig van Malkander/ En krijg ik in het kort geen ander/ Zoo hangt haest (Seg ik met een Sugt)/ Mijn Poppegoed in de open Lugt.' Het tweede gedicht lijkt een bedankje voor het ontvangen geld: ,,Hier heb je weer een partij Manke/ Gedigte om je te bedanke.'
Jansen: ,,Wie beter leest, ziet dat het 'Versoek-schrift' niet alleen over Mandeville gaat maar over Engeland. Mandeville heeft de gedichten op de beurs aangeboden toen het land er slecht voorstond door de uitputtende Spaanse successieoorlogen (1701-1714). Het lijkt dan ook dat Mandeville Koningin Anna heeft nagevolgd. Zij eiste van de beurs geld voor de oorlog, hij bood zijn dichtbundels aan in de hoop op extra-inkomsten.'
,,Ook ín het gedicht 'Versoek-schrift' volgt Mandeville Queen Anne, als hij op een wat salonachtige manier zegt: 'mijn meubeltjes zijn meest verteerd', dat wil zeggen, veel van het wapentuig is verbrand, en de 'plunje' soldatenuitrusting, 'zeer ontramponeerd', is ernstig gehavend. Na een opsomming van de weinig florissante 'inventaris' die persoonlijk lijkt te zijn maar algemene trekken heeft, volgt de conclusie: 'zo staat het land' ervoor.'
Jansen: ,,Het zijn prachtige gedichten. Vermakelijk en expliciet, en tegelijkertijd zo dubbelzinnig dat Mandeville zich genoodzaakt voelt uitleg te geven. Zoals hij in de voorwoorden van 'De Fabel van de Bijen' ook uitleg geeft over de bedoeling van het werk. Alleen al die dubbelzinnigheid toont dat Mandeville een groot schrijver is, wiens werk zich niet laat vastpinnen op één interpretatie.'
,,Daarom is het ook zo'n schande dat ik op school nooit kennis heb gemaakt met Mandeville. Wij kennen Erasmus, Coornhert, De Groot. Mandeville staat in een literaire traditie van grote, Nederlandse poorterschrijvers. Misschien dat deze vondst dat eindelijk duidelijk maakt.'
Trouw / De VERDIEPING, 6/7
2 april 2005
© Trouw